Pronk over de onafhankelijkheid van Suriname: 'Het was dus wel goed voorbereid'

Vandaag twintig jaar geleden werd Suriname onafhankelijk. Jaggernath Lachmon (79), nog steeds de onbetwiste leider van de hindostanen, verzette zich fel tegen de wens van de creoolse regering-Arron uit het Koninkrijk der Nederlanden te stappen. Minister Jan Pronk (55) van ontwikkelingsamenwerking was destijds nauw betrokken bij de onderhandelingen. Hans Buddingh' en Sjoerd de Jong vroegen deze twee hoofdrolspelers om een terugblik, vanuit Surinaams en Nederlands perspectief.

“Er is wel gezegd dat de onafhankelijkheid van Suriname niet goed was voorbereid. Ik vond het dus heel goed voorbereid.”

Hoe bedoelt u dat? “Ik doel al op het Koninkrijksstatuut van 1954, waarmee Suriname en de Nederlandse Antillen interne autonomie en zelfbeschikkingsrecht kregen. Dat was een prachtig antwoord op de conflictmatige dekolonisaties elders. Suriname kon uit het Koninkrijk wanneer het wilde en men werd allemaal Nederlander. Suriname had een voorsprong.”

Een voorsprong kan remmend werken.

“Ja. Achteraf beschouwd. Ik was in de jaren zestig een tegenstander van het statuut, omdat ik vond dat het statuut tegen Suriname werkte. Je kon het de mensen van 1954 natuurlijk niet euvel duiden dat ze dat allemaal niet voorzagen. Mensen liepen het land uit. Er kwam grote financiële steun, ook toen, maar het grote probleem was dat het niet geïnvesteerd werd.”

Feit blijft volgens Pronk dat Suriname in 1975 “een eiland van recht en stabiliteit” in de regio was, met een onafhankelijke rechtelijke macht, een vrije vakbeweging, geen politieke gevangenen, een fatsoenlijke politie.

“En dat was het resultaat, vind ik toch, van die laatste fase van de Nederlandse koloniale relatie, dus het was voorbereid, misschien té goed. Het is misschien te gemakkelijk gegaan. Je moet onafhankelijk worden in een strijdsituatie, je moet er wat voor doen. De Surinaamse regering vroeg er ons om, en natuurlijk zeiden wij 'u heeft daartoe het recht, hoe kunnen wij u helpen'?”

De fouten die met betrekking tot Suriname zijn gemaakt, noemt Pronk historisch onvermijdelijk. “De fout ligt al in het ontstaan van Suriname als een koloniale artificiële eenheid, met een uiteenlopende samenstelling van de bevolking. En ten tweede, helaas, toch in de remmende voorsprong na 1954. Beide vloeien voort uit het feit dat er een kolonie en een koloniaal proces was.”

En de enorme som aan ontwikkelingshulp dan?

“Wat ik niet had verwacht, was de psychologische reactie van Surinaamse zijde, zo van 'dit geld is van ons, we doen er zelf niks aan'. Het gevolg was dat men zelf niets aan eigen besparingen opbracht. Dat heb ik nergens anders in de wereld zo gezien. Het is precies hetzelfde als in 1954: wat je goed wilt doen, werkt negatief uit. En we moesten goed doen, want men werd politiek onafhankelijkheid in een situatie die men gegeven de kleine schaal van de economie niet aan kon.”

Was het hoge bedrag aan hulp niet ook bedoeld om de hindostanen over de streep te krijgen?

“Dat speelde mee. Maar ook wetend dat zoveel geld toch niet meteen kon worden uitgegeven. Ik heb mijn Nederlandse collega's destijds al voorgerekend dat Paramaribo er altijd langer over zou doen dan gedacht.”

Waarom maakte Nederland het Surinamers door de toescheidingsregeling ook na 1975 zo makkelijk zich in Nederland te vestigen, want het land liep op die manier leeg?

“Dat had te maken met het acceptabel maken van de onafhankelijkheid voor die groepen in Suriname die zich niet gelukkig zouden voelen. Dat was een heel belangrijk punt van de hindostaanse partij VHP. Deze wilde eigenlijk een dubbel paspoort. Er moest draagvlak komen voor de onafhankelijkheid.”

Vindt u die maatregel achteraf nog steeds goed?

“Ja, pertinent. Het is kunstmatig om barrières op te werpen. Zo'n migratie is er altijd in een overgangsperiode. Het gaat om de nieuwe generaties na die periode. De VHP had gelijk toen zij zei: 'u onderhandelt met Nederlanders, uw eigen volk, al zijn zij dan ergens anders op de wereld geboren'. Je moet het ook zien als een gevolg van de ontstaansgeschiedenis van Suriname, en van de wijze waarop we die oplossing in 1954 hebben gecreëerd, toen iedereen een Nederlands paspoort kreeg. Die migratie is ook een natuurlijk proces tussen een kleine kolonie en een groter moederland, waarop men eenzijdig is georienteerd. Kijk naar Engeland en Portugal. En bovendien, als je nou ergens kan zeggen dat een koloniale minderheid zich goed heeft aangepast, dan zijn het de Surinamers in Nederland.”