LOUIS MALLE 1932-1995; Een veelzijdige buitenstaander

De eergisteren in Los Angeles op 63-jarige leeftijd overleden Franse filmregisseur Louis Malle heeft nooit ergens bij gehoord. Hoewel zijn speelfilmdebuut in 1958 vrijwel samenviel met de opkomst van de 'nouvelle vague' - en de losse, door de Amerikaanse genrefilm geïnspireerde stijl van de thriller Ascenseur pour l'echafaud/Lift naar het schavot direct gevolgd door het morele schandaal rond Les amants, waarin Jeanne Moreau als getrouwde vrouw en moeder onbestraft overspel pleegt, hem snel bestempelden tot wegbereider van de nieuwe generatie Franse filmauteurs - maakte Malle geen deel uit van de club van Godard, Truffaut, Rohmer en de andere redacteuren van de 'Cahiers du Cinéma'. Wel riep Malle samen met Godard en Truffaut de revolutie uit in mei 1968 in Cannes, waar hij toen toevallig jurylid was, om vervolgens Frankrijk te ontvluchten en een reeks controversiële documentaires over India te maken.

Malles latere speelfilm Milou en mai (1989) zou de meirevolte beschrijven vanuit het gezichtspunt van een wereldvreemde, feodale landheer in de provincie (Michel Piccoli).

Ook in de dichotomie Europa-Hollywood nam Malle een eigen tussenpositie in; hij trouwde met de Amerikaanse actrice Candice Bergen, woonde overwegend in Californië en maakte de laatste vijftien jaar zowel Europese als Amerikaanse films, bij voorbeeld de twee produkties waarvoor hij een Gouden Leeuw in Venetië ontving: een melancholieke gangsterliefdesgeschiedenis (Atlantic City, 1980) en zijn meest ambitieuze, autobiografische en ook in zijn eigen ogen best geslaagde film, Au revoir les enfants (1987).

De slotscène van die film, gesitueerd in een jezuïetencollege in 1944, beschrijft wellicht de oorsprong van Malles vervreemding: een 12-jarige jongen, net als Malle afkomstig uit een welgesteld, naïef en zeer katholiek milieu, ziet een joodse medeleerling, verraden door een afgunstige keukenhulp, afgevoerd worden door de Gestapo en vertaalt zijn verbazing en machteloosheid in een definitief wantrouwen jegens de warme koestering door een milieu van gelijkgestemden. In Lacombe Lucien (1973) schilderde Malle al vol mededogen het portret van zo'n schlemielige collaborateur op het Franse platteland.

Wat Malle immers bovenal dreef was geen stilistische consistentie (hij beschreef zijn eclecticisme zelf eens als een onbewust protest tegen de 'politique des auteurs'), maar een permanente nieuwsgierigheid naar de beweegredenen van radicale daden en personages. De Malle wel eens verweten kilte geldt in ieder geval niet de psychologische nuancering in zijn portretteringen van een suïcidale alcoholist (Le feu follet 1963), een jongen die met zijn moeder vrijt (Le souffle au coeur, 1971), een jeugdige prostituée in New Orleans (Pretty Baby, 1978) of de conservatieve politicus die de minnares van zijn zoon inpikt (Damage, 1992).

Op 13-jarige leeftijd kreeg Malle een oorvijg van zijn moeder omdat hij filmregisseur wilde worden. Hij brak een studie aan de Sorbonne af om naar de filmschool IDHEC te gaan en assisteerde op jonge leeftijd Robert Bresson en de oceanograaf/documentarist Jacques-Yves Cousteau. Als diens coregisseur won Malle al in 1956 een Gouden Palm en een Oscar voor de diepzeedocumentaire Le monde du silence. Ook een speelfilmdebuut op 25-jarige leeftijd was in 1958 bijzonder ongebruikelijk.

Malle is altijd een innovatief ambachtsman geweest. Zijn toepassing van muziek, zoals de improvisaties van Miles Davis bij Ascenseur pour l'échafaud en het gebruik van Erik Satie in Le feu follet zouden veel navolging vinden. Als weinig andere filmers wist Malle een brug te slaan naar de literatuur (de inventieve, kleurrijke verfilming van Raymond Queneau's Zazie dans le métro, 1960 of een morbide variatie op Lewis Carroll in Black Moon, 1975), het theater (de kale films naar de theaterdialoog My Dinner with André, 1981 en de repetities van een Tsjechovstuk Vanya on 42d Street, 1994) en de documentaire.

De carrière van Malle verliep grillig, met dieptepunten rond 1970 en in het midden van de jaren tachtig, die direct gevolgd werden door de verrassende kwaliteiten van zijn twee beste films, Lacombe Lucien en Au revoir les enfants. Degenen die hem toch in een vakje wilden stoppen, en hem beschouwden als erfgenaam van de Franse kwaliteitsfilm of 'cinéma de papa', gaven daarmee aan het individualisme van een werkelijk onbevangen auteur niet te kunnen accepteren.