Lachmon over het verzet van de hindostanen: 'Suriname wàs toen al onafhankelijk'

Vandaag twintig jaar geleden werd Suriname onafhankelijk. Jaggernath Lachmon (79), nog steeds de onbetwiste leider van de hindostanen, verzette zich fel tegen de wens van de creoolse regering-Arron uit het Koninkrijk der Nederlanden te stappen. Minister Jan Pronk (55) van ontwikkelingsamenwerking was destijds nauw betrokken bij de onderhandelingen. Hans Buddingh' en Sjoerd de Jong vroegen deze twee hoofdrolspelers om een terugblik, vanuit Surinaams en Nederlands perspectief.

Vindt u nog steeds dat de onafhankelijkheid voor Suriname te vroeg kwam?

“Veel te vroeg. En onnodig. In mijn visie wàs Suriname destijds al onafhankelijk. We waren geen kolonie van Nederland we maakten volwaardig deel uit van het Koninkrijk.”

Wat was dan wel een goed tijdstip geweest?

“Dat hangt ervan af wat u onder onafhankelijkheid verstaat. Is Nederland nu onafhankelijk? U bent toch ook deel van de Europese Unie? Wij wilden heus niet eeuwig in het Koninkrijk blijven. De bepaling dat we ons konden afscheiden hebben wij zelf in het Koninkrijksstatuut laten vastleggen. Daaruit blijkt dat we de mogelijkheid van een eigen soevereine staat bewust hebben opengehouden. Maar mijn standpunt was in 1975 dat er in Suriname nog niet genoeg natievorming had plaatsgehad. We waren nog niet genoeg geïntegreerd.”

Hoe merkte u dat?

“Dat was toch duidelijk? De mensen begonnen weg te trekken, zuiver uit vrees! En niet alleen de hindostanen vertrokken, ook de creolen.”

Had Nederland zich anders kunnen opstellen?

“Men had tegen ons kunnen zeggen: hou maar een referendum. Je kunt toch niet zomaar een land onafhankelijk maken, alleen op grond van een meerderheid in het parlement? Die Nederlandse nationaliteit was ons persoonlijk bezit. Die kon men ons niet zomaar afnemen zonder dat de totale bevolking zich erover had uitgesproken.”

Maar dat referendum stond niet in het Statuut.

“Nee, maar het is gebruik. Nederland is toen zeer opportunistisch geweest. Men wilde Keerpunt '72 van Den Uyl uitvoeren: dekolonisatie. Dus toen Arron zich in zijn regeringsverklaring van 1974 publiekelijk uitsprak vóór onafhankelijkheid, is men er bovenop gesprongen. Wij waren totaal verrast. Arron had er in zijn verkiezingsprogramma met geen woord over gesproken! Als hij dat wel had gedaan, was hij helemaal niet gekozen.”

Toch heeft u op het laatste moment toegegeven en met de nieuwe grondwet ingestemd.

“Ja, omdat ik bevreesd was voor raciale botsingen. Arron heeft toen een aantal van onze amendementen geaccepteerd. Als we onverstandig hadden gehandeld in 1975 was Suriname een soort Bosnië geworden. Dat besef leefde toen ook wel bij de andere partijen, maar alleen wij konden het voorkomen. Door toe te geven.”

Hoe nu verder? Suriname terug in het Koninkrijk?

“Dat zou staatsrechtelijk denk ik niet meer mogelijk zijn. Ik vind het Raamverdrag dat we in 1992 met Nederland hebben gesloten het beste wat we kunnen hebben. Daar staan veel meer toezeggingen in dan in het Statuut van 1954, we krijgen hulp op veel meer gebieden dan toen. Alleen het Nederlandse paspoort hebben we niet.”

Vindt u dat Raamverdrag een erkenning van uw gelijk in 1975?

“Eh, dat kan ik niet zeggen. Maar u zit er niet naast.” (lacht)

Heeft u spijt van de onafhankelijkheid?

“Ik geloof niet dat ik er zo'n spijt van moet hebben. Zoals ik zei, het Raamverdrag is voor mij een geruststelling. Zonder dat verdrag zou het misschien nog steeds niet bepaald een rouwdag zijn, maar toch....”

Wat is Suriname voor u?

“Dat is mijn vaderland. Dat heb ik ook in India gezegd toen ik daar op bezoek was: u moet mij niet zien als een hindostaan, ik ben een Surinamer. Als er vandaag of morgen oorlog zou uitbreken tussen Suriname en India zou ik de positie kiezen van Suriname.”

Is er een Surinaamse nationale identiteit?

“Dat begint nu te komen. Het is een gevoel, de verbondenheid met de grond. Op een gegeven moment begrijpt iedereen dat men niet terug kan naar het land van herkomst, of dat nou Afrika is, India of Indonesië. Wat er nu in Suriname gebeurt kan een voorbeeld zijn voor de wereld: hoe rassen en godsdiensten vreedzaam samenleven. Dat is mijn levensdoel. Maar je moet het niet verstoren. Een plant moet je niet willen laten groeien door hem omhoog te trekken, je moet hem bemesten.”