Zelfverzekerd frambozerood; De verbluffende durf van de negentiende eeuw

Meubels en voorwerpen uit de negentiende eeuw zijn overdadig lelijk. Het Rijksmuseum in Amsterdam probeert dit vooroordeel te slechten. Onder de titel De Lelijke Tijd zijn er protserige kasten, uitzinnig versierde lepels en een neo-gotische piano te zien. “Wat je ziet, is vaak genoeg nog een raadsel, omdat het de bekende associaties met steile burgerlijkheid en krullenkitsch oproept. Maar het is een raadsel dat intrigeert.”

De Lelijke Tijd. Pronkstukken van Nederlandse interieurkunst 1835-1895. Rijksmuseum, Amsterdam. 25 nov t/m 31 mei 1996. Di t/m za 10-17u, zp 13-17u. Catalogus 300 blz. Prijs 95,-. Uitgave met hoogtepunten 60 blz., prijs 17,50. Rijksmuseum Kunstkrant ƒ 2,50.

AIs schoonheid een mysterie, dan is lelijkheid een raadsel. Wat door de eeuwen heen als mooi wordt herkend, schept een band met het verleden. Een esthetische handreiking: hoe anders je voorouders ook leefden, hoe ongrijpbaar hun wereld ook geworden is, een beeld, een schilderij, een vaas, een gebouw kan die afstand plotseling wegnemen. Waarom iets mooi is kan nog zo moeilijk te doorgronden zijn, de tijd waaruit het is voortgekomen, de mensen die het ook al mooi vonden, staan ineens dichtbij je. Je kunt ze als het ware een hand geven.

Lelijkheid vervreemdt. Vind iets lelijk en er wordt direct een diepe kloof geslagen tussen jou en degene die er wel voor warm loopt; een kloof die vaak genoeg niet meer te dichten valt. Geen afstand zo groot als die tussen twee mensen die een bioscoop uitkomen en radicaal van mening verschillen over de kwaliteit van de film die ze gezien hebben. De dooddoener dat er over smaak niet te twisten valt, is eigenlijk een verstandige bezwering; je kunt er maar beter niet te lang over doorgaan, want wie ontdekt dat de ander mooi vindt waarvan hijzelf pijn in zijn ogen krijgt, stuit al snel op een wereld van onbegrip. Smaak ligt alleen ogenschijnlijk aan de oppervlakte.

Geen onbegrip zo groot als dat tussen heden en verleden, wanneer we ons geconfronteerd zien met wat onze voorouders mooi vonden en wij spuuglelijk - en andersom natuurlijk. Dit beeldje, dat schilderij, die canapé; zodra wij ze als lelijk of onbeholpen of kitsch ontmaskerd denken te hebben, begrijpen we ook het verleden opeens niet meer.

Hoe konden ze dit mooi vinden? Wat waren dat voor mensen? Het raadsel is te groot: de discussie met wat voorbij is stokt, het gevoel van verwantschap met het verleden verdwijnt onmiddellijk. Het keert pas terug op het moment dat we weer iets ontdekken dat we met elkaar mooi kunnen vinden - zij toen, wij nu.

Niet bekend

Schaamte

Die onverholen afkeer van een tijd die in wezen nog zo dicht bij ons staat, is een soort schaamte, zoiets als het ongemak van het kind dat zijn ouders in ieder opzicht ontgroeid is en toch nog regelmatig op bezoek moet. Ze komt voort uit het diepgewortelde gevoel dat we ons op een gegeven moment van de negentiende eeuw bevrijd hebben - en haar dus zo ver mogelijk achter ons moeten laten.

Het heden kan nog zo snel zijn, steeds opnieuw wordt het ingehaald door het verleden. Het afscheid van de negentiende eeuw blijkt niet definitief te zijn. Naarmate deze eeuw zijn einde nadert en we ons al te bewust zijn geworden van het feit dat onze eigen blik aan schokkende veranderingen onderhevig is, toont ook de vorige eeuw zich steeds vaker aan ons in een verrassend nieuwe gedaante. Historici en kunstcritici weten telkens nieuwe werelden te ontdekken achter het schimmelende Victoriaanse bordkarton waaruit dat tijdperk in ons hoofd is opgetrokken. Het handvol trefwoorden - stijfheid, burgerlijkheid, praalzucht, overmatig sentiment, gebrek aan echte verbeeldingskracht - waaronder we het zo gemakkelijk hadden gerubriceerd, blijkt pijnlijk ontoereikend.

De Lelijke Tijd heet de tentoonstelling met pronkstukken van de Nederlandse interieurkunst uit de tweede helft van de negentiende eeuw, die vanaf morgen in het Rijksmuseum te zien is. Die titel is even eerlijk als uitdagend, want hier wordt in twee zalen trots getoond wat lang afgedaan is als niet-oorspronkelijk, als kitsch of als ronduit lelijk. De frontale manier waarop de bezoeker met zijn eigen vooringenomenheid wordt geconfronteerd geeft de tentoonstelling de allure van een provocatie.Op deze tentoonstelling zijn geen beroemde meesterwerken te zien, geen objecten die door hun wereldreputatie de toeschouwer bij voorbaat voor zich gewonnen hebben, zodat die geneigd is wat uitgestalte middelmatigheid eromheen voor lief te nemen. Loop de door Ulf Moritz intrigerend vormgegeven tentoonstelling binnen - de entree is een lange en smalle gouden poort, de zalen zelf zijn gevuld met massief ogende, rechthoekige pilaren - en je begrijpt meteen: hier wordt geprobeerd een vooroordeel met de zwaarte van een taboe te slechten. Op van onder verlichte, donkere betonnen platen staan stoelen, canapés, kasten, een vitrine met zilverwerk, een hoge lakwerkkast, twee zalen tjokvol objecten uit de periode waar tot voor kort iedereen die zijn eigen smaak respecteerde zijn neus voor ophaalde.

De periode 1835-1895 in de Nederlandse kunstnijverheid staat bekend als de tijd van het historisme, een opeenvolging van neo-stijlen - neo-gotiek, neo-renaissance, neo-rococo. Het zijn stijlen die zich in deze eeuw, eenmaal buiten het domein van de modernistische goede smaak, onbekommerd hebben kunnen profileren in de luwte van de burgermanswoning. Die gewaarwording bezorgt je een aangenaam gevoel van herkenning. De neo-rococo leeft ook nu nog voort, in een verhevigde vorm, in de roze boudoirs van de Amsterdamse Jordaan en in het huis van de Zangeres zonder Naam. Het decoratieve borduurwerk op de stoelen, meestal bloemen, doet vooral denken aan de wat minder ambitieuze patronen van hedendaagse bejaardenkunst. En de gezellige manier waarop in het zogenaamde 'sprekend zilver' allerlei figuratieve elementen zijn verwerkt - hier een beker met een hele menagerie erop ter ere van het 25-jarige bestaan van Artis, daar een aantal scheepsankers en scheepstros in een inktstel voor een Japanse scheepvaartmaatschappij - roept giechelige associaties op met de meer uitzinnige souvenirs die je in het buitenland koopt omdat je eenvoudig niet kunt geloven dat het gemaakt is.

Hartstocht

Al gauw blijkt het alleen om eerste indrukken te gaan; dan slaat de fascinatie toe. Het eerste dat sneuvelt is het vooroordeel dat de negentiende-eeuwse neo-stijlen krachteloos zouden zijn, niet meer dan slappe aftreksels, slaafse bijna-imitaties. De meeste van de op De Lelijke Tijd bijeengebrachte objecten - meubels, zilver, glas, keramiek - staan een eeuw later nog te blaken van zelfvertrouwen. Wat je vrijwel meteen treft is de hartstocht waarmee de makers al die verschillende invloeden naar hun hand hebben gezet, het aplomb waarmee ze hun bastaardontwerpen hebben verwezenlijkt.

Op de tentoonstelling staat bijvoorbeeld een boekenkast van (toen nog) kroonprinses Sophie; om een reusachtige guirlande uit het einde van de zeventiende eeuw liet zij een hoge kast maken, die de vorm van het ornament volgt. Het is een gevaarte dat niet alleen imponeert door zijn afmetingen en zijn grandeur, maar ook door de bravoure van het ontwerp. De stijl van de kast met zijn twee houten deuren is een soort ingehouden neo-rococo, een beheerste zwierigheid. Het geheel - kast en guirlande - straalt een wufte ongenaakbaarheid uit.

Ook het andere uiterste, een pronkstuk van neo-gotische vergeestelijking, is op de tentoonstelling te zien: de piano die Pierre Cuypers, de architect van het Rijksmuseum, in 1859 schonk aan zijn verloofde Antoinette Alberdink Thijm, samen met de bijbehorende muziekkast voor partituren en bladmuziek. In zijn ontwerp heeft de zwaar katholieke Cuypers de middeleeuwse kunst naar zijn hand gezet; vroeg gotische ornamentiek, middeleeuwse manuscriptmotieven, afbeeldingen van vrouwelijke heiligen en zelfs een reliekschrijn, waarin zich een heuse reliek van de heilige Cecilia bevindt - een stukje bot. Het duurt even voordat de uitzinnigheid van het ontwerp volledig tot je doordringt: Cuypers heeft hier de middeleeuwse religieuze kunst gebruikt om zijn hoogst particuliere preoccupaties gestalte te geven - en dat alles in de vorm van een piano. Het resulaat is een intrigerende paradox: een verzameling stijlcitaten die ontegenzeggelijk eigen is, die het unieke stempel van de maker draagt.

Die opwindende paradox vind je steeds weer terug op De Lelijke Tijd, in steeds weer andere vormen. Soms alleen buitenissig, soms wanstaltig, soms adembenemend. De ontwerpen van Cuypers vormen bijna een wereld op zichzelf en domineren de tentoonstelling - culminerend in zijn ontwerpen voor het pseudo-middeleeuwse Kasteel de Haar, waaraan op de tentoonstelling een aparte ruimte is gewijd. Maar er zijn genoeg andere objecten te zien die eenzelfde verbluffende gedurfdheid etaleren: gotische kathedraal-motieven op een zilveren strooilepel, een zilveren kistje in renaissance-stijl bekroond met een nuffige, zeer negentiende-eeuwse jachthond, het oogverblindende frambooskleurige zijdedamast op een hoekcanapé uit 1840, de voornaamheid van een neo-gotische zilverkast uit hetzelfde jaar. Altijd is een periode uit het verleden de inspiratiebron, en altijd is dat verleden, zoals Gerrit Komrij het uitdrukt, onherstelbaar verbeterd.

Miskelk

In de catalogus bij De Lelijke tijd wordt herhaaldelijk aangegeven dat veel ontwerpen imitaties naar buitenlands voorbeeld zijn en dat in de Nederlandse kunstnijverheid in deze periode oorspronkelijkheid vaak ver te zoeken was. Nederlandse meubelmakers en zilversmeden hobbelden meestal traag achter het buitenland aan - je bladerde gewoon even een voorbeeldboek door en je had weer een ontwerp naar de laatste mode. Dat zal zo zijn, maar veel pronkstukken op de tentoonstelling laten in de eerste plaats een indruk van eigenzinnigheid na, zoals bijvoorbeeld de twee zilveren kastanjevazen van Th.G. Bentvelt, die geïnspireerd op de voet een gotische miskelk iets volkomen nieuws maakte. De Lelijke Tijd is vooral ook de tentoonstelling van een mentaliteit.

Wat je ziet, is vaak genoeg nog een raadsel, omdat het allereerst de bekende, afschrikwekkende associaties met steile burgerlijkheid en krullenkitsch oproept. Maar het is een raadsel dat intrigeert, omdat het veel groter en complexer blijkt te zijn dan je eerst dacht. De simpele trefwoorden voldoen niet meer. Waar je burgerlijke zelfgenoegzaamheid verwachtte, vind je onverwacht avontuur, waar je een schrijnend gebrek aan een eigen stijl dacht te vinden, tref je een verbazingwekkende originaliteit aan.

Ook het hedendaagse postmodernisme houdt zich zonder een al te groot eclecticisme bezig met het verleden; het heeft ons opnieuw vertrouwd gemaakt met allerhande stijlcitaten en stijlvermengingen. Sinds de teloorgang van het modernisme mogen lijnen ook weer ouderwets kronkelen en zwieren. Tegelijkertijd is het begrip smaak ontdaan van zijn ideologische en moralistische connotaties. Wat mooi wordt gevonden lijkt met het wegvallen van de strenge vormeisen en dictaten van het modernisme opnieuw gewoon een kwestie van esthetiek of domweg onderscheidingsdrang geworden. Nu er bovendien tientallen stijlen tegelijk in de mode kunnen zijn, die vaak ook nog eens gerust in dezelfde ruimte kunnen worden ondergebracht, blijkt de Lelijke Tijd plotseling niet zo onbegrijpelijk lelijk meer te zijn.

De mensen die zich met deze objecten omringden, die op deze canapés plaatsnamen, met dit versierde bestek aten en elkaar deze zilveren dozen en bekers schonken, krijgen langzaam maar zeker weer leven ingeblazen. Achter De Lelijke Tijd rijzen ze op als reële, complexe wezens, die dichter bij ons blijken te staan dan we ooit hadden kunnen denken. We kunnen ze al bijna weer een hand geven.