Wij zijn door onze jaren gejaagd

De oude man die ik ben, drinkt graag een borrel met de andere oude mannen die ik ben. We schenken in, we steken op. Gewone kamer, gewone jenever, gewone sigaretten. Ach, waarom zou het geen herenkamer zijn in een landhuis, courvoisier, havanna's. We zitten hartelijk bijeen, ons gesprek is traag en spits. We noemen elkaar bij de achternaam en zeggen soms 'jongen'. Pikant taalgebruik van ouden van dagen. Wij kijken elkaar nooit aan. Dat zou te persoonlijk zijn. En gênant, want we zijn ijdel en lelijk.

Dingen van de dag. Onze geheugens koketteren als veile vrouwen. 'I did, I think, nothing', zegt een van ons en we giechelen omdat het een citaat is uit de dagboeken van Evelyn Waugh. 'Du musst dein Leben ändern', antwoordt een van ons, heel pijnlijk. We vinden het platvloers om ad rem te zijn ten koste van Rainer Maria Rilke. De grappenmaker schaamt zich en slaat een rondje over.

“Dat vervelende citeren”, zegt een van ons, “onze grootvader...”

“O nee”, zeggen wij, “niet weer die grootvader. Duizend maal verteld. Niemand gelooft het meer. Wijzelf geloven het niet eens meer.”

“Het is wáár”, zegt hij haastig. “Hij was een paar jaar ouder dan wij nu zijn. We zaten te eten bij hem thuis, onze grootmoeder, onze tante, hij, en wij, een jongen van zestien. Hij wilde iets citeren, opvoedkundig, was het vergeten, legde bestek en servet neer, ging kwaad de trap op naar zijn studeerverdieping, zocht in 'geflügelte Worte'. En mijn grootmoeder zuchtte: 'Aber Ernstchen'. Ze spraken Duits met elkaar en hij heette Ernst.”

“Toch weer verteld”, zeggen wij. “Hij dronk een bittertje voor het eten. Weet je nog? Een glaasje als het onze en daar druppelde hij elixer in. Ach jongens.....”

“Te vroeg voor sentiment”, zegt een van ons. “Laten we het hebben over die jongen van zo lang geleden. Hij was jaloers op zijn grootvader.”

“Een geleerde en nauwkeurige man”, zegt een ander. “Hij had veel discipline. Iedere dag zat hij aan zijn bureau en werkte aan een onderzoek. Wat hij niet bij elkaar heeft gezocht over de zevenregelige strofe in de Duitse literatuur, het Nederlandse Faustspel, toneelspelers in de achttiende eeuw, notarissen en cramers op het Binnenhof..”

“De jongen was jaloers op zijn grootvaders ouderdom”, zegt de eerste nijdig. “Dat is het erge.”

“Wat is er voor ergs aan?” zegt een van ons, verzoenend en hoestend van de zenuwen. “Hij was nu eenmaal...”

“Een jongen van niets”, mompelt een van ons, “ik denk liever niet aan hem.”

“Lui en bang”, zegt de eerste. “Weten jullie nog dat hij dweepte met de dood? Bah. Toen hij tijdens de oorlog gevaar liep, piepte hij anders.”

Wij lachen, schenken hem in, zeggen: “Word jij een moralist op je oude dag? ga jij een jongen van zestien veroordelen omdat hij wankel in het leven staat?”

“Lui en bang!” herhaalt hij. “Je ziet het resultaat. Hier zitten we, vadsig, zelfgenoegzaam, jichtig, in onze clubfauteuils, drinken port, hebben het over de tieten van de dienstmeiden en de konten van de staljongens.”

Wij zeggen verontwaardigd: “Maar jongen, er is heel veel gebeurd in ons leven. Het was soms erg mooi, soms erg afschuwelijk. We hebben er met spanning naar gekeken.”

“Lui en bang”, zegt hij. “Hij wilde niet iets beleven, hij wilde iets beleefd hebben. Hij wilde niet het genot van de bergwandeling, maar het geluk van de vermoeienis erna. Niet de hartstocht, maar de verzadiging. Niet het werk, maar de beloning. Wij zijn uit dat mispunt voortgekomen. Iedere avond verbazen wij ons erover dat we 's ochtends zo flink zijn geweest om op te staan. Die rotjongen heeft ons door onze jaren gejaagd om zo gauw mogelijk alles achter de rug te hebben. Die malloot in ons! Iedere grijze haar, ieder gesprongen adertje heeft hij met weemoedige vreugde opgemerkt. Lauweren zou hij willen hebben, om erop te kunnen rusten. De godvergeten ezel. De grootvader die hij benijdde had geleerde discipline nodig om bij terugblik niet gek te worden van wrok en spijt.”

“Genoeg over die grootvader”, roepen wij. “Wij kunnen die jongen niet álles verwijten. Wij hebben gedweept met de ouderdom. In onze kroegjaren. Alle verzopen, verwarde mannetjes bekeken we met iets van jaloezie. Zij hoefden niets meer dan doodgaan, liefst in de kroeg, zomaar.”

“De schuld van dat secreet”, zegt de kwaadaardige. “Hij kon zichzelf niet uitstaan, en ik kan hem niet uitstaan. Zullen we...”

“Afgelopen”, zegt de nuchterste van ons. “De fles is op slot. We gaan haringsla eten, zoals toen we zestien waren, op kerstavond, bij onze grootouders, omhelzen elkaar en lezen verder in de dagboeken van Thomas Mann, van zijn laatste levensjaren.”

“Dat is vreselijk”, zegt een van ons. “Een ouderdom in weelde. Een prachtig huis. Onoverzienbare roem. Al zijn boeken nog in leven. Een betere conditie dan die van ons. En hij ervaart zijn leven als een kwelling. Laat die jongen van zestien het lezen. Zo leren we hem mores.”

Een ander trekt zijn schouders naar achteren, zijn rug recht, zijn buik in en zegt langzaam dreigend: “Wat krijgen we nou? Gaan we dronkemanstranen huilen? Gaan we medelijden hebben met Thomas Mann?”