We hadden geen leger moeten sturen, maar de koningin; Jan Blokker over zijn toneelstuk Soekarno

Voor zijn toneelstuk over de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië koos Jan Blokker geen Nederlands perspectief. De Indonesische president Soekarno is de hoofdpersoon. “Onze kant van de geschiedenis heeft altijd disproportioneel grote aandacht gehad,” zegt Blokker. “We zeiken nog altijd over de arme Annekes en de arme ouders van de arme Annekes, maar wat de Indonesiërs hebben doorstaan weten we niet.” Met de première van 'Soekarno' wordt op 30 november het festival Indië/Indonesië geopend.

Soekarno door Het Nationele Toneel in de regie van Johan Doesburg. Koninklijke Schouwburg, Den Haag. 30 nov. t/m 10 dec.

“Ik zeg het aldoor tegen regisseur Doesburg en zijn acteurs: denk erom, Soekarno was een onzekere man. Van al zijn eigenschappen is, in mijn ogen, onzekerheid de belangrijkste. Zodra en zolang Soekarno het gepeupel toespreekt, gaat het goed. Zijn elegantie en zijn charisma doen dan feilloos hun werk. Maar eenmaal thuis weet hij het niet meer, hij is geen staatsman geweest, geen denker. Hij was een fanaticus die één doel - de onafhankelijkheid - nastreefde en wel met alle middelen. Dat is wat hem interessant maakt, maar minder interessant dan bijvoorbeeld Norodom Sihanouk, wiens persoonlijke geschiedenis veel meer raakvlakken heeft met die van de wereld, met de Koude Oorlog, met de strijd van de grootmachten in Vietnam. Dat is een veel groter en, in dramatisch opzicht, ook machtiger verhaal.”

De veronderstelling dat Blokker schatplichtig is aan Hélène Cixous, schrijfster van het toneelstuk L'histoire terrible mais inachevée de Norodom Sihanouk, roi du Cambodge (1986), beaamt hij. Ik prijs de poëzie waarin hij Soekarno zijn drijfveren bij vlagen laat verwoorden. Helemaal niet de no nonsense-stijl die de zijne is, in zijn columns althans. Jan Blokker kijkt paniekerig en informeert welke versie ik gelezen heb. Is die dichterlijkheid eruit, dan? “Nee, nee, maar er zijn veel versies geweest, scènes zijn verplaatst en geschrapt, de bladspiegel van het script is bovendien zo onhandig dat er zinnen wegvallen en dan al die tikfouten...” Het is een compliment. “Jaja, dat hoorde ik wel. Het is goed.”

Ter gelegenheid van het Festival Indië/Indonesië en op verzoek van Ger Thijs, artistiek leider van Het Nationaal Toneel in Den Haag, schreef Blokker (68) zijn eerste toneelstuk, over Soekarno (1901-1970), die op 17 augustus 1945 de republiek uitriep en tot 1967 president van Indonesië was. Blokker had het stuk aanvankelijk Soekarno, een liefdesgeschiedenis willen noemen. Vanwege de charme van de titelheld, zijn erotiserende invloed op de massa's, en om 'het kleine metafoor voor het grote' te laten worden. De laatste twee woorden verdwenen uit de titel; ze waren 'te provocerend' en beknotten de vrijheid van de schrijver. Met alleen Soekarno kon hij de onafhankelijkheidsstrijder laten zien die, “ter verwezenlijking van zijn doel en tegen de wereldopinie in rustig met de Japanse bezetter heulde en die, tegelijkertijd en ondanks zijn interneringen en arrestaties sinds de jaren twintig, bij die Hollanders wilde horen en dolgraag hun koningin had willen ontmoeten - de fanaticus, kortom, maar ook de bon-vivant en de snob.” “We hadden in plaats van dat - zo vlak na een uitputtende oorlog in de eigen regio - onwaarschijnlijk grote leger, onze koningin moeten sturen. Ik ben er niet geheel zeker van of het met de Republik dan zo'n vaart had gelopen en of we niet nog steeds, zoals Wilhelmina deed in haar beruchte toespraak via Radio Oranje op 7 december 1942, van 'het Koninkrijk en zijn delen' hadden kunnen spreken.”

Wellust

Het Koninkrijk en zijn delen - het is het soort detail dat Blokker met bijna kwaadaardige wellust aanhaalt. 'Fascinerend' zegt hij iedere keer als er dergelijke al te menselijke onhandigheid 'waar de geschiedenis van aan elkaar hangt' ter sprake komt. De Proclamasi zelf bijvoorbeeld was een 'klunzige toestand met grote gevolgen', die Blokker dankbaar een scène lang uitwerkt. Daartoe gedwongen door revolutionaire jongeren leest 'de grote held van het verhaal' de verklaring van een inderhaast beschreven 'vodje' papier en is hij 'voor hij het zelf goed en wel beseft president van een werelddeel, zo groot als Europa'.

“Onzekerheid en angst hebben die paar rare dagen tussen 15 en 17 september 1945 bepaald. Soekarno wist werkelijk niet hoe het verder moest na de capitulatie van Japan. Hij was doodsbang dat hij door de Nederlanders, de Amerikanen en de Engelsen voor het Tokio-tribunaal gedaagd zou worden en daar was ook alle reden toe. Toch redt hij het. Omdat hij minder steil was dan die verkrampte Hollanders. Hij fêteerde Amerikaanse journalisten, ontmoette ze aan de rand van verkoelende zwembaden, liet ze nog eens inschenken. De Amerikaanse pers dweepte met zijn onafhankelijkheidsidealen. Hij liet zonder nadenken Madioen, het garnizoen van Javaanse communisten, uitroeien, instinctief, maar het was wel een daad die de laatste twijfel bij de Amerikanen wegnam. Met die man viel te praten. Toen zijn gezant bij Truman aanklopte, ging de deur dan ook wagenwijd open.”

Het grote gevaar van dramatisering van historische feiten is volgens Blokker dat de schrijver 'lippendienst aan de geschiedschrijving gaat bewijzen'. “Soekarno's verhaal is nog nooit echt verteld in Nederland en mijn behoefte om dat nu eindelijk eens te doen was dus groot. Het was zelfs de voornaamste reden waarom ik eraan begon. Ik wilde zo veel mogelijk gegevens verwerken. De december-toespraak van Wilhelmina heb ik aanvankelijk verpakt in uitvoerige passages over de ballingschap van de Nederlandse regering in Londen, over het eindeloze gehakketak over de inhoud van de rede, over hoe de Amerikanen dachten over het Nederlandse kolonialisme enzovoort. Ook liet ik Soekarno en Hatta in 1945 naar Saigon gaan, waar de Japanners hen beloofden dat Indonesië onafhankelijk zou worden. En ik liet hen die belofte becommentariëren in een scène in het vliegtuig terug: allemaal gedoe, historisch correct maar dramatisch dodelijk, omdat het de handeling ophoudt en afleidt van de paar momenten waar het wel om gaat. Uiteindelijk kies je voor slechts enkele feiten en een paar mensen, die staan voor het geheel. Je moet er geen Teleac-cursus van maken.”

Domkop Luns

Soekarno beslaat, afgezien van een proloog die in 1920 speelt, slechts zeven jaar, van de Japanse bezetting in 1942 tot de formele onafhankelijkheid in 1949. Het toont niet de presidentsjaren ('Zeg maar: de Oltmans-jaren') van Soekarno, die tot een dictator uitgroeide. Op de vraag of de behandeling van ook die periode niet onontbeerlijk is voor een juist beeld van zijn titelheld antwoordt Blokker te hopen dat “het vervolg zich al aftekent in wat ik wél beschrijf”. “De latere geschiedenis vertel ik impliciet. Ik laat bijvoorbeeld luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in het stuk de Nederlandse regering adviseren Soekarno onschadelijk te maken door hem tegemoet te treden. Hoe harder je iemand als hij aanvalt, hoe sterker hij wordt. Alles in de man die ik toon kan de Stalin-kant opstromen. Hij heeft een vijand nodig. Dat bleek na de onafhankelijkheid ook: om de binnenlandse problemen te maskeren zocht hij ruzie met Maleisië en kwam de Guinea-kwestie van domkop Luns hem al te goed uit”.

Destijds hebben de zeven beschreven jaren Blokker, die in 1945 achttien jaar oud was en uitgeloot werd voor de dienstplicht, nauwelijks beziggehouden. Hij was wel voor de onafhankelijkheid - 'wat ik nu natuurlijk makkelijk zeggen kan' - maar hij ontdekte net “het leven, de drank, de vrouwen, ik had echt wel andere dingen aan mijn kop”. Zijn interesse werd gewekt door Anneke, zijn vrouw, die geboren is in Nederlands-Indië, drie oorlogsjaren in het kamp doorbracht en die hij, na haar 'terugkeer' naar het 'zogenaamde' moederland leerde kennen doordat hij haar bijles gaf. In 1985 schreef hij, ter gelegenheid van het veertigjarige bestaan van de Republik Indonesia, een mooi en voor zijn doen zeer persoonlijk stuk in de Volkskrant over hun bezoek aan het land, háár land, waar zij tot dan toe niet 'als toerist' naar terug had gewild. Het heette De ondeelbare herinnering, maar hoe ondeelbaar ook, de herinneringen zijn wel bekend, zegt Blokker nu.

“Onze kant van de geschiedenis heeft altijd disproportioneel grote aandacht gehad. Het ging om ons, om ons leed en het Nederlandse avontuur. We zeiken nog altijd over de arme Annekes en de arme ouders van de arme Annekes, maar wat de Indonesiërs hebben doorstaan of de Sundanezen weten we niet. Nauwelijks oog hebben we ook voor de letterlijke bloedeloosheid van dat o zo traumatiserende dekolonisatieproces. In vergelijking met andere onafhankelijkheidsoorlogen heeft er weinig bloed gevloeid en zijn de vier jaar die ermee gemoeid geweest zijn een relatief korte periode - wat overigens grotendeels te danken was aan de beheerstheid van de Indonesiërs en een beetje aan die van de Nederlanders. Het is eigenlijk een tamelijk voorbeeldige scheiding geweest.

“Van de moraal van Soekarno heb ik me bewust ternauwernood rekenschap gegeven, al was het maar uit recalcitrantie tegen de boetekleden die bijvoorbeeld Jan Tromp aantrok in zijn stukken over het staatsbezoek van Beatrix aan Indonesië in de Volkskrant. Politieke correctheid is al erg maar met terugwerkende kracht is het helemaal weerzinwekkend. De hele discussie rondom het staatsbezoek vind ik, behalve potsierlijk, onbegrijpelijk. Toen Juul en Benno in 1971 naar Indonesië gingen, vlak na de verschijning van de Excessennota en vier jaar na de getuigenverklaringen van dienstplichtige Hueting inzake onze oorlogsmisdaden - was het féést! Leuk op de thee bij Soeharto, Juliana danste met hem en onze beide volkeren waren euforisch. Maar 23 jaar later is het hommeles en krijgen we steeds die eierlopende Van Mierlo in beeld. Onverklaarbaar.”

Toch doet Blokker een poging tot verklaring en wijt hij het op 'volle kracht teruggekeerde trauma' aan 'ons onvermogen verledens te verwerken'. De Tweede Wereldoorlog leeft immers ook nog voort in “11-jarigen die volgens enquêtes de Duitsers haten”. “Het is een combinatie van vermoorde onschuld en een sterk gevoel omtrent het eigen gelijk. Typisch Nederlands. Wilhelmina had het in haar capitulatietoespraak van 10 december 1940 ook al over 'een voorbeeldloze schending'. Hitler had Polen, Tsjecho-Slowakije, Denemarken en Noorwegen al onder de voet gelopen, maar pas toen hij ons land binnentrok, hield hij kennelijk op fatsoenlijk te zijn. Nationaal egocentrisme is het.”

Hoerigheid

Soekarno is, zoals gezegd, Blokkers eerste toneelstuk. Het stelt andere eisen dan een filmscenario, waarin je gemakkelijker met flash-backs kunt werken en waarin je “zonder scrupules in de aftiteling nog een hele geschiedenis kwijt kunt.” De journalist die hij in de eerste plaats zegt te zijn, schreef de scenario's voor speelfilms als Fanfare (1958), Makkers staakt u wild geraas (1960), Eline Vere (1991) en Hoogste Tijd (1995) en voor de verfilming van Hella Haasses Heren van de Thee, door Ben Verbong, een project dat wegens de geraamde kosten van meer dan tien miljoen gulden 'waarschijnlijk' nooit gerealiseerd zal worden. De op basis van zijn scenario door Theu Boermans geregisseerde televisieserie De Partizanen werd tijdens het laatste Nederlands Filmfestival bekroond met twee Gouden Kalveren. Jan Blokker kreeg toen de vakprijs voor scenarioschrijven. Hij noemt de serie 'het enige eindprodukt dat werkelijk samenvalt met mijn bedoeling'.

“Tussen wat je schrijft en het uiteindelijke resultaat staat een reusachtige machinerie. Ik schrijf in beelden en geef aanwijzingen voor het decor, en voor de kleur waarmee iets gezegd wordt. Ik denk nooit in droge teksten, maar in ensceneringen, geheel en al in het bewustzijn dat ik daar geen verstand van heb. Ik laat zoveel mogelijk blijken wat ik me voorgesteld heb en zeg tegelijkertijd: trek je er maar geen reet van aan. Mijn scenario's zijn er niet ter publikatie, het zijn een soort particuliere brieven aan de makers.”

In het Holland Festival ging deze zomer de opera Esmée in première, het eerste libretto van Blokkers hand, op muziek van Theo Loevendie. “Opera en film lijken wat betreft de afstand tot het scenario erg op elkaar. Bij de première van Soekarno sta ik veel meer met mijn billen bloot op het podium dan bij Esmée of een film. Bij die laatste twee kunstvormen is de verantwoordelijkheid van de scenarist veel geringer. De kritiek op Esmée was dat ik de mens te veel geabstraheerd had. Het ging mij inderdaad om de thematisering van de gebeurlijkheden, de strijd tussen het onaangepaste en het conformisme. Desondanks zaten er genoeg intieme momenten in, die echter verloren gingen in het reusachtige decor en de enscenering van Herbert Wernicke. De televisie-registratie was door de close-ups en de ondertiteling dan ook veel beter dan de theaterversie. Loevendie en ik hebben ervan geleerd dat we een regisseur er in een veel vroeger stadium bij moeten betrekken.”

Over Hoogste Tijd, de verfilming van Frans Weisz van het gelijknamige boek van Harry Mulisch, was Blokker evenmin tevreden. Hij had zitten 'klojen' om 'alle toeters en bellen, al die kosmologieën en filosofieën van Mulisch te elimineren'. Weisz stelde er een onevenredig grote aandacht voor de theaterrol die de hoofdpersoon moet spelen voor in de plaats. “Het verhaal raakte ondergesneeuwd door al die scènes in het theater. Weisz is geen precieze story-teller, maar een sfeermaker en ook nog eens een fanatieke liefhebber van acteurs en theater. Ik had juist mijn best gedaan het verhaal en niets dan het verhaal te vertellen. Mijn ideale film vertelt, heel plat en ordinair, een verhaal. Eigenlijk vind ik dat iedere film een Billy Wilder-film moet zijn - het genre dus waarin Amerikanen uitblinken.”

Blokker noemt zichzelf “een misschien wel niet erg voor de hand liggende scenarist”. Hij is geneigd emoties te onderdrukken, 'tot pruderie' - 'tot precies dat waar een dramaschrijver geen last van moet hebben'. Daar staat tegenover dat hij 'in de loop der eeuwen' heeft ontdekt 'met de pen alle kanten uit te kunnen'. Naast zijn column die hij sinds jaar en dag twee keer per week voor de Volkskrant maakt, schrijft hij in dezelfde krant de rubriek Als de dag van gisteren, beschouwingen over boeken met een historisch onderwerp.

“Mijn ervaring is dat mensen het daar moeilijk mee hebben. Op de ene plek ben ik de clown, op de andere ben ik serieus en dat is kennelijk ingewikkeld. Toen ik voor een aantal jaren toetrad tot de hoofdredactie van de Volkskrant, speelde hetzelfde probleem. Moest ik mijn column, waarin ik regelmatig de eigen krant hekelde, niet opgeven? Nee dus. Ik heb een eenzijdig talent dat ik veelzijdig exploiteer. Met dezelfde pen als waarmee je een berichtje over een griep-epidemie maakt, kun je ook drama schrijven. Je kunt het paradijs of de oorlog verwoorden in vijf of honderd regels - fantastisch toch? Dat laat ik me niet afpakken.”

Maar de journalist in hem dan, die hij naar eigen zeggen in de eerste plaats is? Moet die niet onafhankelijk zijn en principieel aan de zijlijn toekijken in plaats van na de première van Esmée op het podium applaus in ontvangst te nemen? “Ik snap wat je bedoelt. Enige hoerigheid is me niet vreemd, ik vind die glamour wel leuk, al is mijn behoefte bij the boys te horen minder groot dan vroeger. Ik ga inderdaad in op de uitnodiging van bijvoorbeeld Frits Bolkestein om eens een hapje te eten. Maar voor het zover is, schrijf ik wel eerst een gemeen stukje over zijn partijgenoot Weisglas - omdat-ie het verdient, maar ook een beetje om te laten blijken dat een eventuele inpak-actie geen succes zal hebben. Ik heb de illusie dat ik met die tegenstrijdige belangen wel uit de voeten kan en als het er op aan komt, kunnen alle Gouden Kalveren, glamour en Esmée-applauzen me gestolen worden. De bevrediging van dat ene geslaagde stukje en le plaisir de se voir imprimé is vele malen groter.”