Waarom Kuru de Schildpad Ogoniland verliet; De literaire erfenis van Ken Saro-Wiwa

Wat schreef de op 10 november geëxecuteerde Nigeriaanse schrijver Ken Saro-Wiwa? Zijn werk is in West-Europa vrijwel niet verkrijgbaar. Anneriek de Jong leende ze bij het AfrikaStudiecentrum in Leiden. “Ken Saro-Wiwa's boeken zijn vitaal, speels en spits, maar ook verstild, triest en bitter”

De boeken van Ken Saro-Wiwa, ook de hier niet besproken titels, zijn aanwezig in de bibliotheek van het Afrika-Studiecentrum, Wassenaarseweg 52, Leiden. Athenaeum Boekhandel in Amsterdam hoopt over drie weken Saro-Wiwa's verhalenbundel A Forest of Flowers binnen te krijgen.

Wat is dat: geluk? Voor Ken Saro-Wiwa, de Nigeriaanse schrijver die twee weken geleden door het regime van dat land met acht mede-activisten werd terechtgesteld, was het geluk een jeugdherinnering. In die herinnering is het nacht. Het werk zit erop, de vis is aan land gehaald en op de netjes gewiede akker gedijt de yam, de broodplant. Boven de lemen huizen schijnt de maan. De dorpsbewoners zitten in een kring onder de blote hemel. Ze knabbelen op maiskolven en vertellen elkaar verhalen. Ken luistert er ademloos naar. De verhalen zelf, de liederen die erbij gezongen worden, de virtuositeit van de vertellers, de reacties van de kinderen in de kring: dat alles maakt diepe indruk op de kleine Ken Saro-Wiwa, die later zelf verhalenverteller wordt.

Zijn roman Sozaboy (1985), een van zijn eerste, begint heel zonnig met dat gelukzalige tafereel van dorpelingen die naar verhalen zitten te luisteren. Although, everybody in Dukana was happy at first. All the nine villages were [-] knacking tory under the moon, zo luiden de eerste zinnen, en een bijgevoegd woordenlijstje leert ons dat tory hier story betekent. In Sozaboy heeft Saro-Wiwa de stamtaal van zijn voorouders, het Khana, vermengd met Nigeriaans pidgin en met soms plechtstatig standaard-Engels. De grammatica die de verteller hanteert wil nog weleens afwijken van de officiële regels. Net als Mark Twains romanheld Huckleberry Finn is Saro-Wiwa's protagonist Mene een ongeletterde jongen die bij het vertellen geen acht slaat op een correcte uitspraak of stijl of fatsoen. En dat maakt nu juist de charme uit van dit authentiek aandoende maar in wezen bijzonder gestileerde proza.

Mene woont in een uithoek van Nigeria en van de wereld begrijpt hij weinig. Zijn chaotische grammatica correspondeert met de chaos in zijn hoofd. Want het simpele geluk van de mensen in het dorpje Dukana wordt ruw verstoord door de oorlog - waarmee de schrijver de burgeroorlog bedoelt die van 1967 tot 1970 in Nigeria woedde. Een van de inwoners van Dukana heeft gevochten tegen Hitla, zoals hij Adolf Hitler noemt, en steekt Mene de ogen uit met die verjaarde heldendaad. Iedereen lijkt de jongen toe te fluisteren dat nu hij aan de beurt is het dorp tegen de vijand te verdedigen. En Mene peinst: I will wear uniform like those boys. I will sing fine songs. Begin to march up and down, chop better chop. And as I am marching with gun and singing, prouding, all te people will come and look at me. They will say how I am a brave man. Very brave man. Hij trekt dus een uniform aan en geeft zichzelf de koosnaam Sozaboy: soldatenjongen.

Naar het front gaan de soldaten; maandenlang liggen ze in een natte kuil op de uitkijk; ze lijden honger, dorst en kou, en waar blijft de Vijand nou? De onnozele Mene denkt dat de Vijand één vent is die hij persoonlijk moet doden. En dat, als die klus erop zit, hij de zuster van de Vijand mee naar huis moet nemen, als trofee, als oorlogsbuit. Maar in deze oorlog gooit de Vijand bommen zonder zichzelf te vertonen. In één klap zijn alle jongens dood. Alle jongens, behalve Sozaboy. Voor het eerst van zijn leven is hij alleen en moet hij zelf beslissingen nemen. En hij besluit zijn moeder en zijn jonge vrouw Agnes te gaan zoeken. Sozaboy is nu een deserteur die door het verwoeste land zwerft.

Overal ontmoet hij angst en wantrouwen, ellende en sociale ontbinding. Eindelijk beseft hij dat de oorlog zinloos was en dat hij zich door uniforms en militante praatjes heeft laten misleiden. De overlevenden van de oorlog keren naar hun dorpen terug, maar in Dukana verschansen de mensen zich in hun kapotte huizen alsof ze nog steeds van alle kanten worden bedreigd. De enige die de moed heeft de teruggekeerde krijger te begroeten, is een geestelijk gestoorde en verwilderde oude man.

Corruptie

Sommige Nigeriaanse critici hebben Sozaboy een nihilistisch boek genoemd omdat het zo somber eindigt. Zij vergeten dat de hoofdpersoon door zijn confrontaties met gebroken en gedemoraliseerde landgenoten in moreel opzicht juist groeit. In zijn hoofd heerst geen chaos meer maar helderheid, en hij heeft geleerd zelfstandig te denken. Dus is er misschien toch nog hoop. Saro-Wiwa heeft altijd geloofd dat hard werken en helder denken een remedie is tegen talloze nationale problemen. Wat dat betreft was hij een optimist. Goed en gratis onderwijs zou volgens hem een eind maken aan de manipuleerbaarheid van onwetende burgers door boosaardige autoriteiten.

Tegelijkertijd was hij een pessimist, want hij zag dat die scholen er op veel plaatsen niet kwamen en dat de mensen in de achtergebleven gebieden steeds weer door de machthebbers werden bedrogen - zowel door lokale leiders, zoals de Chief en de dominee, als door militairen en andere vertegenwoordigers van de regering. Ook zijn boeken die niet over de oorlog gaan, gaan altijd over bedrog. In zijn essaybundel Similia (1991) trekt hij van leer tegen de leugenachtige, hebzuchtige en gevoelloze politici die volgens hem de smerigste trucs verzinnen om arme, weerloze onderdanen van hun laatste centen te beroven.

Dat de corruptie en het ongebreidelde materialisme in Nigeria ook naar andere delen van de bevolking is overgeslagen, daarover schrijft Saro-Wiwa in Basi and Company (1987). Deze Modern African Folktale, waar ook een televisieserie van gemaakt is, werd waarschijnlijk zo'n enorm succes omdat veel Nigerianen zichzelf in de personages herkenden. Hoofdpersonen in Basi and Company zijn de bewoners van een straat in Lagos. Sommigen van hen wonen in kamers vol ratten, en met dat armzalige leven zouden ze vroeger misschien genoegen hebben genomen. Nu niet meer: in hun straat verrijzen protserige huizen; op de markt zijn dure spullen te koop; Lagos is, dankzij de olievelden in de rivierdelta, veranderd in een luidruchtige boomtown waar iedereen zichzelf zo snel en zo gemakkelijk mogelijk tracht te verrijken.

To Be A Millionaire - to Think Like A Millionaire, zo luidt de favoriete slogan van Mr. B. Zijn trucs om medebewoners van de Adetola Street het geld uit de zakken te kloppen heeft Mr. B. afgekeken van de politici, maar bij hem mislukken die trucjes telkens omdat hìj geen macht heeft. En omdat hij niet zo slim is als hij wel denkt.

Toen ik The Singing Anthill las, een in 1991 verschenen verzameling volksverhalen, begreep ik naar welk literaire voorbeeld Mr. B. gemodelleerd is. Mr. B. lijkt sprekend op de held uit de verhalen waarnaar Ken Saro-Wiwa als kind zo ademloos luisterde, verhalen die hij in The Singing Anthill heeft gereconstrueerd. Mr. B. is... Kuru de Schildpad, een dier dat de andere dieren steeds te slim af wil zijn. Elk verhaal in The Singing Anthill eindigt met een wijze les, zoals: 'Een man moet niet arrogant zijn tegen zijn vrouwen of hen onhoffelijk behandelen.' Die les zou je ook kunnen trekken uit de verhalen in de bundel Adaku & Other Stories (1989).

Spits

Ken Saro-Wiwa beheerst veel verschillende stijlen. Sozaboy is gekruid met ironie, The Singing Anthill en Basi and Company met satire en Adaku met geheimzinnige melancholie. Zijn boeken zijn vitaal, speels en spits, maar ook verstild, triest en bitter.

Een van de verhalen in Adaku heet Dilemma en zo had het hele boek kunnen heten. De man uit het titelverhaal heeft een perfecte vrouw met wie hij al jaren strikt monogaam leeft. Door de mannen in het dorp die opsnijden over hun vele echtgenotes laat deze brave christen zich niet van de wijs brengen. Maar als hij voor het eerst sinds vijftien jaar alleen is, valt zijn oog op het kindermeisje. Ugo wordt verliefd op haar en zij op hem. Toch durft hij niet voor haar te kiezen. Arrogant, als een echte heer en meester, deelt hij haar op een dag mee dat hij zijn vrouw van het vliegveld gaat halen. Wanneer het echtpaar het huis binnenstapt is het meisje verdwenen. En Ugo wordt verteerd door schuld, niet omdat hij zijn vrouw heeft bedrogen, maar omdat hij te weinig respect heeft getoond voor het meisje Adaku.

Zo behoedzaam als de verhalen in Adaku geschreven zijn, zo polemisch zijn Saro-Wiwa's politieke geschriften. Het is eigenlijk een wonder dat de meeste daarvan gewoon in Nigeria, een door militairen geregeerd land, konden verschijnen. Handig was natuurlijk dat Ken Saro-Wiwa een eigen uitgeverij bezat. Een journalist uit Lagos merkte eens snerend over de activiteiten van Saros International Publishers op: And his publishing house should cease to publish only books from Saro-Wiwa's pen. Lest we catch Ken Saro-Wiwaphobia! Maar waar anders dan bij Saros International had een boek als Genocide in Nigeria (1992) moeten verschijnen? In opperste nood wendt Saro-Wiwa zich daarin tot de internationale gemeenschap. Een uitgeverij gerund door leden van een van de drie etnische meerderheidsgroepen in Nigeria zou het manuscript beslist hebben geweigerd.

Ken Saro-Wiwa behoorde tot de minderheidsgroep der Ogoni. De Joruba, de Hausa en de Ibo, de stammen die het in Nigeria voor het zeggen hebben, beschouwt hij als zijn vijanden, en zij op hun beurt mogen hem vermoedelijk ook niet zo erg. Hij beticht hen er bijvoorbeeld van de door olieëxport vergaarde rijkdommen oneerlijk te verdelen. Het meeste geld uit de staatskas vloeit volgens hem naar de deelstaten waar de Joruba, Hausa en Ibo wonen, terwijl de olieproducerende volkeren in de Nigerdelta schandelijk worden verwaarloosd. Vooral de Ogoni. Sterker nog, Saro-Wiwa is ervan overtuigd dat de Ogoni systematisch worden uitgemoord, zowel door de Joruba-Hausa-Ibo-regering als door de firma Shell.

De Ogoni zijn van oudsher een trots en beschaafd volk, betoogt de auteur van Genocide in Nigeria. Slavenhouders zouden met een grote boog om de Ogoni zijn heengelopen. De Ogoni respecteren vrouwen en vereren Moeder Natuur. Maar de Ogoni hebben de pech dat ze bovenop een olieveld zitten. Sinds er olie in Ogoni-land gevonden is, hebben de vijfhonderdduizend bewoners alleen maar ellende gekend. Door de aanwezigheid van olie zijn de bloedigste gevechten van de burgeroorlog op Ogoni-bodem uitgevochten. Voor de Ogoni, schrijft Saro-Wiwa in 1992, is het alsof ze nog steeds in een oorlogsgebied leven.

Shell

De taferelen die hij in Genocide in Nigeria schildert doen denken aan de hel à la Hieronymus Bosch. Aan de horizon enorme vuren, veroorzaakt door het affakkelen van gas, en overal stank, lawaai, lekkende pijpleidingen en met olie bedekte rivieren en landerijen. In Europa zou Shell er beslist niet zo'n puinhoop van hebben gemaakt, stelt Saro-Wiwa bitter. Maar Afrika telt niet mee, zo suggereert hij, daar wonen toch alleen maar domme negers. Hij beschuldigt Shell ervan dat de multinational de Ogoni van hun middelen van bestaan heeft beroofd omdat zij door de vervuiling van land en rivieren geen groente meer kunnen verbouwen en geen enkele vis meer vangen. Shell, en dat kunnen we niet alleen in Genocide in Nigeria lezen maar ook in talloze interviews, heeft nauwelijks voor compensatie van die verliezen gezorgd.

Inmiddels heeft Shell zich tijdelijk uit het stamland van de Ogoni teruggetrokken omdat personeelsleden van de firma door inheemsen werden bedreigd. Maar nog steeds regent het er vette drab, zoals recente filmopnamen laten zien. Shell geeft toe dat er milieuproblemen zijn in Nigeria, in een paginagrote advertentie die de afgelopen week in verschillende dagbladen is verschenen. Maar die problemen worden volgens het bedrijf niet alleen door de olie-industrie veroorzaakt, maar ook door de grote bevolkingsgroei, de intensieve landbouw, bodemerosie en ontbossing. “In Ogoniland (-) is meer dan 60 procent van de olievervuilingen veroorzaakt door sabotagedaden, die meestal vergezeld gingen van schadeclaims. Als aannemers probeerden om de vervuiling op te ruimen, werd hen met geweld de toegang tot het gebied ontzegd,” meldt Shell in de advertentie. Het bedrijf zegt met zijn partners 150 miljoen gulden aan milieuprojecten in Nigeria te besteden, en 30 miljoen aan hulp in de vorm van wegen, scholen, gezondheidscentra, etc.

Hoe ook het zij, het paradijs van Ken Saro-Wiwa's kinderjaren is verwoest. In het maanlicht verhalen vertellen over Kuru de Schildpad en zijn vrienden Luipaard, Leeuw en Antilope is er voor de Ogoni niet meer bij. Want de maan gaat schuil achter een troebele hemel die alleen verlicht wordt door immer brandende vuren. En bovendien: de kinderen kunnen zich niets meer voorstellen bij de woorden schildpad, luipaard, leeuw en antilope, omdat die diersoorten allang naar veiliger oorden zijn uitgeweken.