Twintig jaar vertwijfeling

JOHN JANSEN VAN GALEN: Kapotte plantage. Suriname, een Hollandse erfenis

288 blz., Balans 1995, ƒ35,-Onder het beperkte aantal de

Nederlandse publicisten die Suriname voor ons verbeelden, neemt John Jansen van Galen een prominente plaats in. Sinds zijn eerste bezoek, in 1970, verbleef hij er regelmatig. Zijn reportages voor HP, Het Parool en de VPRO-radio ademden een aangename sfeer van afstandelijke betrokkenheid en getuigden van kennis van de Surinaamse samenleving en politiek, als ook van de bemoeienissen van vertwijfelde Nederlandse politici. Kapotte plantage. Suriname, een Hollandse erfenis is een neerslag van vijfentwintig jaar denken en schrijven over Suriname, aangevuld met de resultaten van archiefonderzoek dat Jansen van Galen liet verrichten naar het Nederlandse dekolonisatiebeleid. Kapotte Plantage werd een lezenswaardig boek over zowel het ontstaan en succes - het bereiken van de onafhankelijkheid van het Surinaamse nationalisme - als de triest stemmende geschiedenis sindsdien.

Toen Jansen van Galen in december 1970 in Suriname arriveerde, was de conclusie gauw getrokken: “Dit was geen onafhankelijk land. Dat voelde je meteen.” In 1977, weer op weg van het vliegveld Zanderije naar Paramaribo, werd zijn ironische observatie “dit was een onafhankelijk land. Dat zag je meteen” geïllustreerd met de slogans die hij langs de weg las, retorische stijlmiddelen van de jonge staat: 'Wij bouwen een natie', 'Gezond land, gezonde mensen'. En natuurlijk het alom aanwezige credo 'Wan Pipel': één volk dat over de etnische scheidslijn heen zou reiken. De werkelijkheid zoals die in het boek wordt opgetekend, is anders. “Er was geld maar geen geloof, hoop of liefde.” Vandaar de exodus, de verwording van de jonge republiek, de sfeer van desillusie die de auteur steeds weer observeert. Moest het zo lopen? Ook Jansen van Galen had anders verwacht. Zoals hij niet zonder zelfspot beschrijft ging zijn hart uit naar de (Creoolse) nationalisten van het eerste uur, die Suriname eindelijk van de Nederlandse bevoogding wilden verlossen. Zowel in Nederland als in Suriname konden zij daarbij rekenen op de aanmoediging van een generatie radicale Hollanders; Jansen van Galen was één van hen.

Vertwijfeling Kapotte Plantage is te lezen als een relaas van het stuklopen van een ideaal. In zekere zin staat 'alles' erin; het falen en de corrumpering van de Surinaamse politiek, het vaak tweeslachtige Nederlandse beleid, de uittocht en de demoralisering. Jansen van Galen beschrijft dit alles eerder dan dat hij de vraag stelt of het ook anders had kunnen lopen. Er klinkt in zijn zinnen veel op alle betrokken partijen - of beter op hun politici. De Surinaamse leiders probeerden niet werkelijk de etnische tegenstellingen te overbruggen en een beleid te voeren dat uitsteeg boven de belangen van hun achterban of zelfs van henzelf. Hun fixatie op Nederland, gecombineerd met sluw onderhandelen, leverde weliswaar de befaamde gouden handdruk op, maar getuigde tevens van hun onwil en onvermogen om een andere kant op te kijken. Nederlandse beleidsmakers op hun beurt lieten zich te gemakkelijk chanteren als het om het afbetalen van de koloniale schuld ging, en leerden nooit Suriname los te laten.

Of het werkelijk beter had gekund en of de overhaaste dekolonisatie tot een reële scheiding had kunnen leiden, blijft echter een onbeantwoorde vraag. Evenmin maakt Jansen van Galen duidelijk wat volgens hem nu te gebeuren staat. Hij beschrijft het recente streven naar een 'Gemenebest-relatie' dat onder Surinamers aan beide kanten van de Oceaan populair is met enige sympathie, maar trekt tegelijk de politieke haalbaarheid en de menselijkheid ervan in twijfel. Doormodderen op dezelfde weg van de afgelopen decennia is ook geen optie. Maar wat dan wel? Een bredere internationale oriëntatie, in de eerste plaats binnen de Cariben, wordt vaak als een deel van de oplossing aangehaald en ook Jansen van Galen suggereert dit. Maar dat ook die oplossing in de huidige omstandigheden ontoereikend is, verheelt hij niet.

Kapotte Plantage mondt niet uit in een suggestie van oplossingen, en bevestigt daarmee de vertwijfeling waarmee in feite alle betrokkenen nog steeds worstelen. Paramaribo hangt dezer dagen vol met affiches 'Twintig jaar onafhankelijkheid', 'Eenheid en stabiliteit'. Als karakteristiek voor de afgelopen twintig jaar een gotspe en een vrome wens voor de toekomst. Dat Jansen van Galen niet aangeeft hoe die wens is te verwezenlijken, maar valt hem niet aan te rekenen.

Wat mij wel enigszins stoort, is de presentatie van het boek. De verantwoording over de gebruikte bronnen is summier en maakt niet duidelijk of dit boek werkelijk nieuw is of grotendeels bestaat uit oudere stukken. In feite lijkt het perspectief gaandeweg te verschuiven. Zo is het autobiografische element aanvankelijk betrekkelijk sterk - van Jansen van Galens studententijd tot een incidenteel bordeelbezoek - terwijl dit allengs op de achtergrond raakt, evenals zijn kennelijke liefde voor het land. Daarnaast verhult de indeling in 140 doorlopende hoofdstukjes dat er toch wel flinke gaten vallen in het betoog. De eerste 60 vormen een verzameling rake schetsen van Suriname en de wortels van het Surinaamse nationalisme. Dan volgen zo'n 35 stukken over de hectische jaren 1974 en 1975: de etnische spanningen en de soms hilarisch beschreven onderhandelingen over de boedelscheiding. De periode 1975-1989 wordt in n vijftien hoofdstukjes zeer kort beschreven, terwijl de meest recente periode weer uitvoerig aan bod komt, in 25 stukjes: dan blijkt Jansen van Galen weer enkele malen ter plekke te zijn geweest.

Niettemin is Kapotte Plantage intelligente literatuur voor wie zich in de nog immer onvoltooide dekolonisatie van Suriname interesseert. Jammer dat de uitgever koos voor een bladspiegel en een letterdichtheid die de potentiële lezer ten onrechte van lezing zou kunnen afschrikken.