Telefoon

Naamlijst voor den Telefoondienst, Januari 1915

758 blz., deGroot Ontwerpers- Uitgevers 1995, ƒ29,90

Het recenseren van telefoonboeken is geen alledaagse bezigheid, zeker niet wanneer het exemplaren van tachtig jaar oud betreft. Maar nu is er een aanleiding, want deGroot Ontwerpers-Uitgevers heeft een facsimile-editie van het telefoonboek van 1915 uitgebracht.

De telefoon zelf is al veel ouder. Reeds één jaar na het belangrijke patent van Bell uit 1876 werd de telefoon in Nederland geïntroduceerd. Aanvankelijk kon alleen worden getelefoneerd op de rijkstelegraafkantoren. De Nieuwe Rotterdamsche Courant beschikte in 1878 als eerste over een particuliere aansluiting. In de jaren tachtig werden diverse lokale telefoonnetten aangelegd met een aansluiting op het rijkstelegraafnet. Rond de eeuwwisseling telde Nederland circa 19.000 aansluitingen; in 1915 was dat opgelopen tot 85.000. Ze pasten nog allemaal in één telefoonboek, dat even dik was als de huidige exemplaren, maar een stuk kleiner.

Waar telefoons nu vrij evenwichtig over de bevolking zijn gespreid, was dat destijds geenszins het geval. Amsterdam, Den Haag en Rotterdam waren samen goed voor ongeveer de helft van alle telefoons in het land. Amsterdam en Rotterdam hadden al vijfcijferige nummers. Daarnaast bleven overigens nummers van vier, drie en twee cijfers bestaan, in Amsterdam voorafgegaan door een N (Noord) of een Z (Zuid). Buiten de drie grote steden hadden de abonnees ook nog ééncijferige nummers. Netnummers waren er niet, en automatisch kiezen was er ook nog niet bij. De beller moest het nummer opgeven aan de telefonist, die dan kon doorverbinden. In veel kleinere plaatsen was behalve op het telegraafkantoor helemaal geen telefoon.

Wie hadden er zoal telefoon in 1915? Dat waren niet, zoals men wellicht zou denken, de notabelen. Vooral winkeliers, ambachtslieden, handelaars en fabrieken hadden een aansluiting. Doorgaans stonden de abonnees met hun beroep vermeld. Het telefoonboek laat zich dan ook lezen als een staalkaart van ambachtelijk Nederland in het begin van deze eeuw: het wemelt van de aardappelhandelaren, stalhouderijen, vleeschhouwers, smederijen en 'koloniaalwaren en comestibles'. Ook beroepen die we vandaag de dag niet een-twee-drie meer kunnen thuisbrengen, zoals practizijn en zoutzieder, waren toen nog levend.

Stoom speelde een belangrijke rol in de samenleving. Het aantal stoomzuivelfabrieken is nauwelijks te tellen. Maar ook onwaarschijnlijker combinaties komen voor, zoals een stoomschaatsenfabriek te Akkrum. 'Stoom' voor de naam van een fabriek vormde een aanbeveling, een teken van moderniteit.

Veel instellingen moesten het nog zonder telefoon stellen. De politie had in veel gemeenten nog geen aansluiting, kerken evenmin, net als de meeste universiteiten; die in Utrecht was bereikbaar, maar in Leiden of Amsterdam beschikten alleen enkele afzonderlijke laboratoria over een aansluiting. Artsen hadden hier en daar al wel telefoon.

Tegenwoordig heeft ongeveer een op de zeven Nederlanders een geheim nummer. Aanvankelijk waren dat wellicht beroemdheden die niet gestoord wilden worden door Jan en alleman, nu is een geheim nummer vooral populair onder langdurig werklozen (die verschoond willen blijven van telefonisch informerende instanties). In 1915 zat men nog niet zo met die privacy. De koningin-moeder stond gewoon in het telefoonboek, nummer 68 in Baarn, of H558 in Den Haag. Ook Anton en Gerard Philips stonden vermeld, in respectievelijk Huize De Laak en Huize Vijverhof in Eindhoven.

Volgens de uitgever is zijn facsimile-druk een waardevolle bron van informatie voor stamboom-vorsers. Die hebben dan heel wat puzzelwerk voor de boeg, want de abonnees zijn net als tegenwoordig geordend op plaatsnaam. Wie niet weet in welke plaats hij zoeken moet, moet het hele boek doorbladeren. En wie dacht dat hij wist waar hij zoeken moet, dient er rekening mee te houden dat in 1915 plaatsen als Kats, Kekerdom, Kiel- Windeweer, Lepelstraat, Murmerwoude, Neuzen en Puiflijk nog een zelfstandige vermelding hadden.