Stroom Surinaamse immigranten veroorzaakte paniek in bestuurlijk Nederland; Rijksgenoten op de stoep

Het is nu twintig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Begin jaren zeventig voorzagen diverse Nederlandse politici een vloedgolf aan immigranten. De burgemeester van Amsterdam riep om een 'nationaal plan', het kabinet besprak een wettelijke toelatingsregeling - ook al hadden de Surinamers een Nederlands paspoort. De Surinaamse pers verweet Nederland het jonge land met 'royale opvang voor onze weglopers' te willen ruïneren. Een reconstructie.

In de zomer van 1974 liet een zeer ongeruste Amsterdamse burgemeester Yvo Samkalden voor de AVRO-televisie weten dat de “25.000 à 30.000 Surinamers” in zijn stad een groot probleem vormden. “De situatie is zorgwekkend, omdat de spanningen tussen bevolkingsgroepen toenemen,” waarschuwde hij. Het VVD-gemeenteraadslid Huub Jacobse zei na een bezoek aan Suriname tegen deze krant dat binnen niet al te lange tijd “honderdduizend rijksgenoten” in Amsterdam zouden zijn. In Rotterdam had men het over drieduizend 'Kruiskade-Surinamers', van wie er bijna tweeëneenhalf duizend aan heroïne verslaafd zouden zijn. Volgens Samkalden was er een “nationaal plan” nodig om rampzalige toestanden te voorkomen.

De Amsterdamse burgemeester leek bevangen door paniek. Een rijksambtenaar herinnert zich een gesprek met Samkalden in de Industriële Club op de Dam: “Plotseling wees hij naar buiten op de Damslapers. Volgens hem moest 'die rotzooi' de stad uit. Hij was volstrekt emotioneel, als hij eraan dacht dat niet-Amsterdammers de stad overnamen. Zijn houding had iets provinciaals.”

Samkalden was niet de enige die grote moeite had met de komst van duizenden gekleurde Nederlanders die per 'Bijlmerexpres' werden aangevoerd. Ook in het progressieve kabinet-Den Uyl blijken zich pittige discussies te hebben afgespeeld over de stroom migranten uit Suriname.

In de jaren vijftig en zestig waren gekleurde Surinamers in Nederland nog een bezienswaardigheid. In het Amsterdamse café Casablanca maakten musici als Kid Dynamite furore. En Humphrey Mijnals werd bejubeld als de eerste Surinaamse voetballer in het Nederlands elftal. Maar met de toename van de stroom Surinamers sloeg die houding halverwege de jaren zeventig in rap tempo om. In bars en dancings werden rijksgenoten, aanvankelijk nog beschouwd als een attractie, steeds vaker geweigerd.

Vanaf 1970 was het aantal Surinaamse immigranten snel gegroeid. In 1971 waren het er volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek bijna 9.500, twee jaar later ruim 11.000 en in 1974 bijna 18.000. Uit de landelijke politiek klonken verontruste geluiden. Willem Drees jr. van DS70, een afsplitsing van de PvdA, verlangde een plan om alle 'economisch niet nuttige' Surinamers terug te sturen naar hun land. Minister van justitie Dries van Agt opperde in 1972 de gedachte de grondwet zodanig te wijzigen dat rijksgenoten, ondanks hun Nederlandse paspoort, op Schiphol konden worden tegengehouden.

Toelatingsregeling

Voor het kabinet-Biesheuvel, waarvan Van Agt deel uitmaakte, was de onrust reden in 1972 een interdepartementale commissie op te dragen de mogelijkheden voor een toelatingsregeling te onderzoeken. Het rapport van de commissie, naar haar voorzitter mr. M.R. Mok aangeduid als de 'commissie-Mok', werd wegens de politieke gevoeligheid nooit gepubliceerd.

De interdepartementale commissie heeft zijn opdracht zeer serieus genomen. Zo blijkt uit het vertrouwelijke 'Rapport van de werkgroep toelating Rijksgenoten' dat zelfs een compleet voorontwerp van wet is opgesteld, die het mogelijk moest maken de toegang van Surinamers (en Antillianen) tot Nederland sterk te beperken.

Daarvoor was wel enige juridische acrobatiek nodig. Aanvankelijk overheerste in de commissie de gedachte dat een toelatingsbeperking zich tegen de grondwet verzette, omdat rijksgenoten immers allen in bezit waren van een Nederlands paspoort. Maar onder politieke druk vanuit het kabinet zag de commissie toch mogelijkheden een naar haar mening juridisch sluitende regeling te ontwerpen. Suriname en de Nederlandse Antillen kenden ook toelatingsregelingen. Maar deze lagen politiek veel minder gevoelig, omdat voor Suriname en de Antillen het argument kon worden gehanteerd dat hun kleinschalige samenleving toch enige 'bescherming' behoefde.

Volgens de voorgestelde regeling mochten Surinamers (en Antillianen) maximaal zes maanden per jaar vrij in Nederland verblijven, op voorwaarde dat er geen financiële consequenties voor de Nederlandse overheid waren. Voor een langer verblijf was een 'machtiging' vereist. De criteria voor het verlenen van zo'n machtiging waren tamelijk vaag. De betrokkene zou “de nodige informatie” moeten overleggen, waaruit zou blijken dat aan de materiële voorwaarden voor “integratie” in de Nederlandse samenleving werd voldaan.

Een van de leden van commissie-Mok noemde tijdens een vergadersessie het gebruik van de term 'integratie' nogal “huichelachtig”, omdat uit het voorstel toch wel bleek dat het om een toelatingsregeling ging. De commissie wilde zonodig een rookgordijn leggen, omdat zij begreep dat haar voorstel in Nederland, in de rijksdelen en ook internationaal verzet zou oproepen.

Zo diende de uitvoering van de regeling in handen komen van de minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken, ook al viel zoiets volgens het rapport “enigszins buiten de normale taakstelling” van deze bewindsman. De minister van justitie mocht er niet mee worden belast, want dan het er volgens de commissie op lijken dat “de toelating van rijksgenoten in het verlengde van het vreemdelingenbeleid lag”.

Volgens de commissie moest de reeds in gang gezette grondwetswijziging, waarin de onbeperkte toelating van alle Nederlanders tot Nederland was vastgelegd, worden teruggedraaid. En bij de ratificatie van het vierde protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens diende een voorbehoud te worden gemaakt: om de persoonlijke bewegingsvrijheid van Nederlanders binnen het Koninkrijk te kunnen beperken, moest Nederland de grondgebieden van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen als drie afzonderlijke gebieden aanmerken.

“We maakten ons destijds minder zorgen over het gelijkheidsbeginsel,” zegt een voormalig lid van de commissie-Mok, die ook ruim twintig jaar na dato niet bij name wil worden genoemd. “Nu staat dat beginsel in artikel 1 van de grondwet. Ik zou aan een minister nu nooit meer een dergelijk advies als in het rapport-Mok geven.”

Huidskleur

Het kabinet-Den Uyl, dat eind 1973 het rapport-Mok voor het eerst besprak, was om principiële redenen niet voor een wettelijke toelatingsregeling. Althans een meerderheid van het kabinet dacht er zo over. Uit de notulen van de kabinetszittingen valt op te maken dat er forse onderlinge meningsverschillen waren. Ondanks de snelle afwijzing van het voorstel-Mok werd, onder druk van de groeiende immigratie, in 1974 dan ook geregeld over de kwestie gedebatteerd.

De ministers Dries Van Agt (justitie) en Hans Gruijters (volkshuisvesting) waren de felste pleitbezorgers voor een wettelijke toelatingsregeling. In het kabinetsberaad van 2 en 3 september 1974 was op verzoek van PPR-minister Harrie van Doorn (cultuur, recreatie en maatschappelijk werk), de meest betrokken bewindsman, de immigratiekwestie opnieuw hoog op de agenda geplaatst. De urgentie was alleen maar toegenomen sinds de Surinaamse premier Henck Arron in zijn regeringsverklaring op 15 februari 1974 had aangekondigd dat de onafhankelijkheid van Suriname uiterlijk eind 1975 moest zijn gerealiseerd.

Van Agt meende dat Nederland de “grote stroom” Surinamers niet zou kunnen verwerken, wijzend op de toenemende signalen van racisme en de geringe bereidheid van gemeenten woningen ter beschikking te stellen. Van Agt concludeerde dat een toelatingsregeling “juridisch mogelijk was en ethisch niet bezwaarlijk”, omdat de Surinamers in Nederland in een situatie zouden terechtkomen waarin zij zich moeilijk konden aanpassen. Hij erkende dat, gezien de open grenzen met de Benelux, de controles in Nederland zelf zouden moeten plaatsvinden door politie en andere overheidsdiensten, waarbij als criterium onvermijdelijk de huidskleur zou worden gehanteerd. Dat was volgens Van Agt een “onaangename ontwikkeling”, maar nam de noodzaak van een toelatingsregeling niet weg. Van Agt laat desgevraagd weten dat de kwestie in zijn geheugen zozeer is vervaagd, dat hij er weinig zinvols meer over kan zeggen.

De KVP-bewindsman kreeg de meest steun van Gruijters (D66). Twintig jaar later zegt Gruijters, nu burgemeester van Lelystad: “Samen met mijn staatssecretarissen Van Dam en Schaefer heb ik, vanuit onze verantwoordelijkheid voor de volkshuisvesting, in een brief onze bezwaren uiteengezet tegen de komst van mensen die zich moeilijk zouden kunnen aanpassen. Bij mij speelde en speelt nog steeds een rol wat ik in de Verenigde Staten in de steden heb gezien, waar zich een onderklasse heeft ontwikkeld. Met Van Agt heb ik toen voorgesteld een soort landsverordening door te voeren om de immigratie te regelen, maar daarvoor was geen steun.” Gruijters had in het kabinet ook eens gesuggereerd dat Nederland zich op grond van het Koninkrijksstatuut “eenzijdig onafhankelijk” zou verklaren. Surinamers konden dan gemakkelijk buiten de deur worden gehouden (beraad 10 mei 1974).

Onheilspellend

De ongerustheid in het kabinet was algemeen. De progressieve minister Irene Vorrink (volksgezondheid) voelde zich “aangesproken door het betoog van Van Agt”, maar koos niet voor zijn oplossing (notulen 2 en 3 september). Minister Jos van Kemenade (onderwijs) onderstreepte dat men zich geen illusies moest maken over de “sociale ramp” die zich zou voordoen “tengevolge van concentratie van Surinamers in Nederland”. Hij zei uit contacten met Amsterdam te hebben gemerkt dat daar een “omslag naar racistisch handelen” had plaatsgevonden “van mensen waar men het nooit van had verwacht”. De voormalige PvdA-bewindsman kan zich de uitspraak ruim twintig jaar later niet meer herinneren, maar denkt dat hij haar heeft ontleend aan gesprekken met de Amsterdamse onderwijswereld.

Premier Joop den Uyl, gesteund door minister Jan Pronk van ontwikkelingssamenwerking, probeerde de sombere stemming te doorbreken door te wijzen op de integratie van de 300.000 Indische Nederlanders in de Nederlandse samenleving. Den Uyl had eerder dat jaar in het kabinet, tijdens het beraad van 15 februari 1974, overigens gesproken van de “bijzonder onheilspellende kanten” van de migratie van Surinamers voor zowel Nederland als Suriname en het “noodlot” dat bezig was zich te voltrekken. De premier had zich dan weliswaar tegen het voorstel van de commissie-Mok gekeerd, toch pleitte hij voor “afremmende maatregelen” bijvoorbeeld door van Surinamers te eisen dat zij in eigen levensonderhoud konden voorzien. Tijdens het kabinetsberaad van 2 en 3 september 1974 had Den Uyl nog de opmerkelijke suggestie gedaan dat de onafhankelijkheid van Suriname zou kunnen worden versneld om zo de immigratiestroom in te dammen, maar later kwam hij daar nooit meer op terug.

Den Uyl vestigde zijn hoop ook op de Surinaamse regering die de remigratie van Surinamers kon bevorderen. Eind mei loofde hij in het kabinet de “moedige wijze” waarop premier Arron zijn landgenoten er in het Amsterdamse Marcanti op wees dat zij niet in Nederland, maar in Suriname thuishoren. Maar dat was wat ze in Suriname 'podiumtaal' noemen. Medewerking van Paramaribo aan remigratie zou een illusie blijken.

De vrijwel volledig door creolen gedomineerde Surinaamse regering zei het nooit hardop, maar zij zag hindoestaanse tegenstanders van de onafhankelijkheid gaarne naar Nederland gaan. En het deel van de creolen dat in de regering geen vertrouwen meer had, kon ook maar beter naar de andere kant van de Atlantische Oceaan vertrekken.

Ontwikkelingshulp

Suriname slaagde er bovendien in de migratiekwestie uit te spelen in de onderhandelingen met Nederland over de invulling van het lopende programma voor de ontwikkelingshulp, het zogenoemde Vijfjarenplan. Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking)Kan regel niet uitvullen verweet in de kabinetszitting van 21 november 1974 zijn collega's die aan het migratie-overleg deelnamen “zich in verwarring te hebben laten brengen door het Surinaamse optreden” waardoor zij te veel toezeggingen deden op het gebied van de ontwikkelingshulp. Minister Gruijters leek nog de beste samenvatting te geven door de onderhandelingen op dit punt als een “schijnvertoning” te bestempelen.

Nederland wilde ontwikkelingsprojecten meer richten op het verbeteren van de sociaal-economische situatie in Suriname om op die manier de remigratie te bevorderen, maar dat leidde al snel tot conflicten met de Surinaamse regering. Toen minister De Gaay Fortman (Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken) een projectenlijst wilde afkeuren, onder meer omdat er slechts enkele ten goede zouden komen aan de hindoestaanse bevolkingsgroep, schreef premier Arron onmiddellijk een boze brief aan Den Uyl. Hij meende dat Nederland zich op ontoelaatbare wijze inliet met Surinaamse aangelegenheden. Den Uyl liet zich afbluffen en beperkte zich tot de opmerking dat het “niet verstandig” was “op deze toon” met elkaar te praten.

Intussen moesten de Surinaamse immigranten worden opgevangen. Het kabinet liet zich vooral leiden door de situatie in Amsterdam. Of de Amsterdamse cijfers over aantallen Surinamers werkelijk klopten is zeer de vraag. Op het moment dat burgemeester Samkalden via de AVRO-televisie sprak over 25.000 à 30.000 Surinamers in de hoofdstad, publiceerde het gemeentelijke statistiekbureau getallen waaruit bleek dat het er 16.386 waren. Bewuste overdrijving van de burgemeester? De alarmerende geluiden uit Amsterdam misten in elk geval hun effect niet.

“Ik belde persoonlijk met Den Uyl en vertelde hem dat er in de stad geen enkele opvang was,” herinnert toenmalig wethouder Louis Kuijpers van huisvesting zich. “Ik werd door hem uitgenodigd onmiddellijk in de lunchpauze van het kabinetsberaad naar het Catshuis te komen. Eigenlijk kon dat niet op zo'n manier, maar het gaf aan hoe het kabinet naar de situatie keek.”

Over de financiën hoefde de Amsterdamse wethouder zich geen enkele zorg te maken. Kuijpers: “Minister Van Doorn zei dat we alle kosten konden declareren. In de Bijlmerflat Gliphoeve stonden honderden flats leeg. Daar gingen veel Surinamers van Schiphol rechtstreeks naar toe. Met tien mensen zaten ze in een vierkamerflat. We hebben daar jarenlang allerlei voorzieningen moeten treffen. De rekeningen gingen allemaal naar Den Haag. En de regering heeft die miljoenen altijd keurig betaald.”

Maar het kabinet besefte dat er meer opvangmaatregelen nodig waren. In 1975 bereikte de migratiestroom met bijna 40.000 Surinamers zijn hoogtepunt. Minister Westerterp had van het kabinet opdracht gekregen de KLM ertoe te bewegen geen extra vluchten in te zetten, maar dat had geen enkel effect. In Surinaamse kranten verschenen steeds meer advertenties waarin mensen hun huis en bezittingen te koop aanboden. De migratie leidde in de Surinaamse pers overigens tot scherpe commentaren aan het adres van Nederland. Het dagblad de Vrije Stem schreef twee maanden voor de onafhankelijkheid: “Het is beslist niet uit sociale bewogenheid dat de Nederlandse regering de royale opvang voor onze weglopers organiseert, maar om ons land te ruïneren, zodat Nederlanders zich op de borst kunnen slaan en zeggen: 'We hebben het toch altijd gezegd: zonder Nederland is Suriname verloren'.” Het leek een illustratie van de haat-liefdeverhouding die een deel van de maatschappelijke bovenlaag in kolonies pleegt te hebben met het moederland.

Spreidingsgedachte

Eind 1974 was in Den Haag het 'Centraal Bureau Uitvoering Vestigingsbeleid Rijksgenoten' opgericht. Het was vooral aan de onconventionele aanpak van directeur Jan Breddels, die in het ministerie van CRM werd geparachuteerd, te danken dat het bureau binnen luttele weken op volle toeren draaide. “Ik was directeur van de emigratiecentrale in Den Haag en had kunnen zien hoe landen als Canada en Australië het deden met de opvang van Nederlandse migranten.”

De bedoeling was dat de Surinaamse immigranten zoveel mogelijk over het hele land zouden worden gespreid, waarbij de eerste opvang moest plaatsvinden in gecontracteerde pensions en hotels. Dit zogenoemde 'spreidingsbeleid' is volgens Breddels slechts ten dele gelukt.

Tijdens een vergadering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten stuitte de spreidingsgedachte op tegenstand. Toch viel volgens Breddels in de praktijk het verzet in de provincie nog wel mee. Breddels herinnert zich eigenlijk maar één vervelend incident, op het eiland Tholen. “De plaatselijke predikant sprak in de zaal waar met de lokale bevolking over de opvang werd gepraat. Hij zei dat ze eerst de Spaanse furie hadden gehad, de gesel Gods, daarna de watersnood en nu de Surinamers. Hij kreeg een proces, waarna hij zijn woorden terugnam.

“Ik kreeg mensen mee door overal te gaan praten,” zegt Breddels. “Dat had ik in de landen van de Nederlandse immigranten gezien. En toen in Leeuwarden het Oranjehotel dicht ging en voor de opvang van Surinamers vrij kwam, heb ik de ontslagen bedrijfsleider in dienst genomen. Zo heb ik er zeker zo'n veertig mensen van buiten de ambtenarij bij gehaald. Die waren bereid zich rot te werken. Dat ging prima.” Het Centraal Bureau in Den Haag kon een beroep doen op de vijfprocentsregeling die eerder voor Indische Nederlanders had gegolden, dat wil zeggen dat vijf procent van de nieuwe woningwetwoningen voor de Surinaamse rijksgenoten kon worden opgeeist. Breddels: “Dat was een beetje handelen. Die woningen waren bijvoorbeeld pas over twee jaar klaar. Als je dan recht had op vijftig, dan zei je: geef me er nu dertig dan laat ik de rest zitten.”

Het spreidingsbeleid ondervond negatieve gevolgen van de gebeurtenissen in Amsterdam, waar zich een concentratie van creoolse Surinamers ontwikkelde. Gemeentes in de provincie waren bevreesd voor 'Amsterdamse toestanden'. Breddels: “In Amsterdam waren jaren eerder die Surinaamse stichtingen van de grond getild door goed opgeleide creolen, die met een eerdere immigratiegolf naar Nederland waren gekomen. Ze eisten geld voor ontmoetingscentra en crèches. En dat kregen ze ook. Die organisaties haalden andere creolen naar de Bijlmer, waar al die flats leegstonden. Je kon ze natuurlijk niet dwingen. Die mensen hadden een groepsgevoel. Werk was er niet en de mensen waren ongeschoold.”

Jan Breddels meent dat de problemen met de Surinaamse immigranten destijds zijn overtrokken en te veel aandacht hebben gekregen. Hij vindt dat Surinamers beter dan welke minderheidsgroep ook, in de Nederlandse samenleving zijn geïntegreerd. “Ik denk dat de problemen die wij toen verwachtten met de bevolking uit Suriname, ons ervan heeft weerhouden eens goed te kijken naar de problemen met de tweede generatie Marokkanen.”