Slapen

Het grote voordeel van het ouder worden is dat je minder slaap nodig hebt. Als jonge jongen sliep ik minimaal tien uur per etmaal. Nog liever sliep ik twaalf of veertien uur achter elkaar. Mijn ouders hebben wel eens na zestien uur ongerust aan mijn bed gestaan. Zij dachten dat ik dood was, maar ik sliep. Slapen deed ik overal met hetzelfde gemak. Op een doorgezakt matras, in een te nauwe slaapzak of op een harde bank in een stationswachtkamer, geen ongerief was groot genoeg om mij uit mijn slaap te houden. Er is zelfs een periode geweest dat ik in staat was om staande te slapen. In de tijd dat ik nog zoveel sliep, werd ik altijd doodmoe wakker. De eerste uren van de waaktoestand waren een kwelling. In de strijd tegen de slaap sleepte ik mij voort. Het aankleden vergde een energie die ik nauwelijks op kon brengen. Volgens mijn moeder ben ik tweemaal van school gestuurd, omdat ik tijdens de lessen in slaap was gevallen. De ogen gesloten, het hoofd voorover op de armen, de mond half open en dan maar slapen: het genot om niet deel te nemen aan de wereld. Ook ben ik een keer door twee politieagenten thuisgebracht, omdat ik tijdens de lesuren op een bankje in het park lag te slapen. Schopenhauer heeft eens gezegd dat mensen jaloers zijn op honden en katten, omdat deze huisdieren zonder enig schuldgevoel plotseling neerploffen om te gaan slapen. Vooral bij honden kun je dat verschijnsel goed waarnemen. Het ene moment lopen ze nog vief door de kamer, maar het volgende moment begint het lichaam plotseling te waggelen en valt het als een zoutzak op de grond. “Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil”, schreef Cees Nooteboom in Rituelen.

Maar in de loop der jaren kwam er enige slijtage in mijn verlangen naar slaap. Eerst had ik nog maar acht uur nodig, daarna zes en tegenwoordig heb ik, als het moet, aan drie uur slaap al voldoende. In eerste instantie voel ik dat als een lichamelijke verandering, maar het is heel wel mogelijk dat ook mijn karakter er door veranderd is. Dat alles is gepaard gegaan met een paradoxaal fenomeen, waarvoor binnen bepaalde grenzen geldt: hoe minder slaap, hoe minder vermoeid. De vreselijke vermoeidheden van vroeger ken ik niet meer. Daarentegen kan ik nu al na drie uur slaap helder en geheel verkwikt opstaan. Trouwens, de ervaring heeft mij geleerd dat een beetje fysiek moe zijn helemaal niet zo slecht is voor de concentratie. Ben ik helemaal uitgerust, dan kost het mij moeite om in de stoel te blijven zitten. Het lichaam wil dan iets doen, het wil bewegen, dansen en springen. Het wil naar buiten toe, achter de vrouwen aan, reizen, trekken en avonturen beleven. Maar schrijven, schaken en lezen, dat wil het uitgeruste lichaam beslist niet. Vermoeidheid en luiheid zijn net als criminaliteit typische eigenschappen die horen bij de jeugd. Ten onrechte maakt men zich zorgen over de jeugdwerkloosheid. Laat die kinderen slapen. Zorg liever dat de ouderen aan het werk komen, want die hebben alleen maar tijd over. Er zit nog een voordeel aan die teruglopende behoefte aan slaap. In de tijd dat ik veel sliep, wist ik mij nauwelijks dromen te herinneren. Soms had ik het idee dat ik helemaal niet droomde en ik heb altijd enige jaloezie gevoeld ten opzichte van mensen die zeiden een druk droomleven te leiden. Ik ken zelfs iemand die een dromenboekje bijhoudt. Elke ochtend springt hij uit bed en schrijft hij nauwgezet op wat hij in zijn slaap heeft beleefd. Daar zitten de meest interessante verhalen tussen. Van sommige mensen heb je wel eens de indruk dat zij 's nachts veranderen in een romanfiguur. Zelf heb ik dat nooit zo gehad. Soms word ik wel eens wakker met de gedachte: let op, je bent nu wakker, probeer, voordat het te laat is, je te herinneren wat je hebt gedroomd. Meestal zijn het niet meer dan flarden: je had die bal, je wilde hem uitschieten, maar plotseling werd het voetbalveld honderden meters lang. Maar nu had ik laatst na een korte slaap een droom met een begin, een midden en een eind. Inhoudelijk was die droom nog niet zo bijzonder, maar ik heb besloten daar aan te gaan werken. Als ik heel oud ben, zal ik geen vermoeidheid meer kennen en bovendien zal ik in mijn slaap de hoofdpersoon zijn in de schitterendste verhalen.