Rust op zondag

C.B. POSTHUMUS MEYJES: Een dag van staken. Zuinig zijn op de zondag

103 blz., Het Boekencentrum 1995, ƒ17,50

Onder tranen toonde de moeder haar kind aan de bisschop. Het was mismaakt. De vrouw sprak ook haar meest geheime gedachte uit: het kind was op een zondag verwekt, dáárdoor kwam het. De bisschop Gregorius van Tours trok zijn conclusies: “Neemt U in acht, mannen, laat deze dag onbevlekt zijn ter ere van God.” Het verhaal speelt zich af in de zesde eeuw, een tijd waarin de kerkelijke en wereldlijke overheden de bepalingen voor de zondagsrust aanscherpten. Tweehonderd jaar later zou de zondagse kerkgang verheven worden tot een plicht voor iedereen.

Afgezien van de vermaning tot seksuele onthouding zal voor menige middeleeuwer het verbod tot werken op de dag des Heren een verademing hebben betekend in hun leven van halve of hele horigheid. Al veel eerder, in 538, had de Kerk trouwens bepaald dat echte slaven niet op zondag mochten werken.

Het verhaal van Gregorius van Tours is, met vele andere geschiedenissen, opgenomen in Een dag van staken, een beschouwing over ontstaan en functie van de zondagsheiliging door C.B. Posthumus Meyjes. Duidelijk wordt dat de vrije zondag in christelijk Europa altijd twee kanten heeft gehad. Enerzijds was er de onaangename neiging tot het opleggen van een uitgesproken zondagse levensstijl met daarin weinig ruimte voor plezier. Anderzijds waren er de massa's die door de opgelegde zondagsrust beschermd werden tegen een bestaan van permanente arbeid.

Op die onaangename kant van de zondagsheiliging, de bemoeienis met andermans persoonlijk leven, gaat dit boek niet uitgebreid in. Veel meer aandacht is er voor het andere aspect, de sociale kant van de rustdag. De formulering ervan in de wetgeving van Mozes noemt Posthumus Meyjes ronduit revolutionair. De God van Mozes is een 'grandseigneur', zegt hij, die iedereen, heer en knecht, de rust gunt die hij zelf ook in acht nam na het scheppingswerk. “Voor één dag wordt de klasseloze maatschappij gesticht.”

Vierdag

De christenen kozen later de zondag, de 'opstandingsdag' van Jezus als 'vierdag'. Aanvankelijk onderhielden joodse christenen daarnaast ook de sabbat. In 321 kwam Constantijn de Grote tenslotte met een verbod op alle werk op zondag. Daarmee was dan binnen vrijwel de gehele christelijke wereld de rust van de joodse sabbatsviering verplaatst naar de zondag. Het is dan ook geen kleinigheid dat nu, na zeventienhonderd jaar zondagsrust, in Nederland gemorreld wordt aan de wet op de zondagse winkelsluiting. De schrijver van Een dag van staken is theoloog. Hij baseert zijn boek op zijn dissertatie uit 1993. Die wetenschappelijke achtergrond werkt in het algemeen verhelderend, ook voor niet-kerkelijke lezers. Jammer is dat Posthumus Meyjes de vervanging van de zaterdagse sabbat door de zondagse rustdag ook theologisch wil funderen. Hij zoekt naar de goddelijke inspiratie voor deze verschuiving, en op dat punt dwalen de gedachten van de niet-gelovige lezer toch wel af.

Gelukkig biedt het boek een inzichtelijke behandeling van de Nederlandse zondagswetten. De eerste stamt uit 1815, de tweede uit 1953 (de auteur noemt deze 'ruimhartig' en 'liberaliserend'). Het is deze laatste die momenteel, zo niet naar de letter dan toch naar de geest, in het geding is bij de aanvaarding van de nieuwe winkeltijdenwet. Bovendien wordt het betoog afgesloten met een weergave van hedendaagse opvattingen binnen en buiten kerkelijke kring en met een heel aardige inventarisatie van de politieke standpunten. Ook binnen de paarse coalitie, blijkt hier, wordt nog steeds het pleidooi gehoord voor de zondag als vrije dag ten behoeve van zoveel mogelijk mensen. Prominente vertolkers van deze visie zijn de D66'er Glastra van Loon, de VVD'er Luteijn, en binnen de PvdA Ruud Vreeman en Wim Kok.

Als bijdrage aan de landelijke discussie zou Een dag van staken minder eenzijdig zijn als de schrijver er blijk van had gegeven wat meer weet te hebben van de herinnering die de krampachtige handhaving van de zondagsheiliging bij zo velen heeft achtergelaten: een erfenis van ergernis om kerkelijke bemoeizucht. Ook is de betoogtrant soms zo christelijk dat hij voor niet-gelovigen bijna niet te volgen is.

Dat het boek toch veel waarde heeft, zit hem in het accent dat Posthumus Meyjes geeft aan het historische, sociale fundament van de vrije zondag. Veel te veel wordt in de huidige discussie de zondagsopenstelling van winkels immers beschouwd als een overwinning op de laatste resten calvinistisch Nederland. In de euforie over die vermeende overwinning worden de sociale consequenties met name voor het lagere personeel doorgaans gebagatelliseerd. Bij de overgang naar een 24-uurs economie zullen juist winkelbedienden en laagbetaalden in de dienstensector 's zondags niet meer beschikbaar zijn voor hun partners en vrienden, voor de opvoeding van hun kinderen en voor contact met familie. Als werken op zondag aanvaard wordt als gewoon, en ook de onregelmatigheidstoeslagen verdwenen zijn uit de cao's, blijft er voor hen niets anders over dan verlies.

Posthumus Meyjes laat zien hoe meer dan drieduizend jaar geleden, en in economieën die heel wat armer waren dan onze huidige, toch een gezamenlijke rustdag geïntroduceerd kon worden, als een instrument voor het ervaren van de fundamentele gelijkheid van mensen. Eenmaal in de zeven dagen was er die dag waarop de ene mens de andere niet behoefde te dienen. Posthumus Meyjes weet die revolutionaire betekenis ook aan te wijzen in de geschiedenis van de millennia die volgden, en vindt de sporen ervan zelfs terug in de argumentatie van hedendaagse politici.

Zo biedt dit boek inzicht in de historische plaats in onze beschaving van een gemeenschappelijke rustdag, die als residu van een drieduizend jaar oude onderstroom van sociale egaliteit plots een nieuwe betekenis krijgt. 'Laten we zuinig zijn op de zondag', zegt de schrijver. Als lezer ben je geneigd het met hem eens te zijn.