Passie en ontbinding in opera van Korngold

Voorstelling: Die tote Stadt van E.W. Korngold door de Vlaamse Opera o.l.v. Stefan Soltesz. Decor: Andreas Reinhardt; regie: Götz Friedrich. Gezien: 21/11 Kon. Vlaamse Opera Antwerpen. Herhalingen aldaar: 24, 26, 29/11; 2/1 (rechtstreeks op BRTN Radio 3); Gent: 9, 12, 14, 17, 20/12.

De componist Erich Wolfgang Korngold (1897-1957), aan wie in Antwerpen een soort festival is gewijd rond de uitvoering van zijn opera Die tote Stadt, wordt in theaters en concertzalen al jarenlang 'herontdekt'. Bovendien verschijnt zijn naam vaak op de tv in de aftiteling van Amerikaanse films, want vooral daarvoor werkte tenslotte de in Hollywood overleden Weense componist, die als 13-jarige door Gustav Mahler al 'een genie' werd genoemd.

Vanaf 1972 verscheen symfonisch werk en filmmuziek van Korngold op de plaat, in 1986 werden in Amsterdam uitvoeringen van zijn kamermuziek gegeven. In 1990 bracht de KRO Die tote Stadt in het Utrechtse Vredenburg. Eerder dit seizoen klonk zijn muziek bij het Residentie Orkest en zijn opera Das Wunder der Heliane ging een paar weken geleden in de Matinee op de Vrije Zaterdag.

Dat Die tote Stadt (1920) nu in Antwerpen en Gent gaat, is bijzonder passend: het verhaal, naar het boek Bruges-la-morte (1892) van de Gentse schrijver Georges Rodenbach, speelt in Brugge. Het Brugge uit het fin-de-siècle is niet alleen de economisch 'dode stad', maar ook de stad van de dood. Paul wijdt zich - treurend rond het Minnewater en thuis omringd door schilderijen en memorabilia - aan de nagedachtenis van zijn vrouw Marie, tot hij de danseres Marietta ontmoet. Hij herkent in haar Marie, valt in dromen ten prooi aan inbeeldingen, hallucinaties en visioenen, tot hij ontwaakt en Brugge verlaat.

Het verhaal, op de grens van psychologie, psychiatrie en grand guignol, herinnert aan het werk van Poe en Wilde (The picture of Dorian Gray) en is een ernstig geval van freudiaanse Traumdeutung. Korngolds direct aansprekende muziek voor Die tote Stadt is een al even complex mengsel: terwijl de tekst in het begin soms naar Blauwbaards burcht van Bartók lijkt te verwijzen, hoort men stijlcitaten van Strauss (Rosenkavalier en Arabella), later van Mahler, Zemlinsky (Eine florentinische Tragödie) en Puccini. Op zijn best lijkt Korngold soms vooruit te lopen op Bergs Wozzeck en Lulu, maar plots hoort men dan weer Franz Léhar.

Regisseur Götz Friedrich hanteert een zelfde stijlmix. Het minutieus uitgewerkte pitoreske decor lijkt ontworpen door Anton Pieck in de Eftelingtraditie: mèt echt Brugs dood water, waarin het lijk van Pauls vriend Frank wegdrijft. De lichte rioollucht, die altijd al hangt in de Antwerpse Koninklijke Vlaamse Opera, draagt nog bij aan die realistische sfeer van bederf, rotting en ontbinding. In de droomscènes verschijnen een Felliniaans visioen van een Venetiaanse harlekinade en een schimmige versie van de Brugse bloedprocessie met veel openbare zelfkastijding.

Stefan Soltesz laat het orkest gepassioneerd spelen. Maar veel meer dan visueel fraaie sombere beelden en overtuigend naturalistisch acteren levert de regie van de beroemde Götz Friedrich niet op. Ook in de casting van de rol van Paul lijkt sprake van een invulling van het begrip 'ontbinding': de stem van de tenor William Cochran, die drie jaar geleden in de Amsterdamse produktie van Samson et Dalila al ernstige slijtage vertoonde, blijkt inmiddels nog verder in verval geraakt. Naast hem is Cynthia Makris in haar dubbelrol van Marie/Marietta een ontluikende bloem, al zingt zij soms wel erg hard en genadeloos. David Pittman-Jennings, onlangs nog Mozes in Amsterdam, zingt hier de kleine rol van Frank. Ans van Dam heeft als de gedienstige Brigitta een bescheiden, maar opvallend sympathiek profiel.