Ook onder EU-bestuur kunnen moslims en Kroaten niet vreedzaam samenleven; De papieren vrede van Mostar

Deze week werd in Dayton de vrede tussen de Serviërs en de Moslim-Kroatische federatie uitgeroepen. Maar of er van de gesloten verdragen iets terecht zal komen is nog zeer de vraag. Twee jaar geleden tekenden de Kroaten en moslims van Bosnië een federatie-akkoord, na een oorlog van een jaar. Daarbij kwamen ze overeen, onder toezicht van de Europese Unie de Bosnische stad Mostar weer op te bouwen tot een plaats waar moslims en Kroaten vreedzaam kunnen samenleven. Bijna twee jaar later blijkt die vrede nog steeds slechts een papieren vrede te zijn. Nog altijd zijn de moslims opgesloten in een getto en gaan de etnische zuiveringen door. Het EU-bestuur in Mostar staat machteloos. Hoe een proeftuin voor Bosnische vrede op een fiasco uitdraait, en 'Mostar' de risico's van 'Dayton' illustreert.

“Ik heb tegen de Amerikaanse en Europese onderhandelaars in Ohio gezegd: u krijgt elk verdrag dat u wilt. Maar geen ervan zal worden uitgevoerd. Want de leidinggevenden hier op de Balkan zijn niet bereid hun eigen handtekening te respecteren. En waarom zou ik dan als burgemeester van Mostar aan moeten blijven?” Op het vliegveld van Split kom ik hem plotseling tegen. Een flapperende regenjas om zijn grote lichaam. Twee Duitse lijfwachten lopen achter hem aan, sinds er in september vorig jaar door Kroaten een aanslag op zijn leven werd gepleegd. Burgemeester Hans Koschnick maakt een diepe buiging voor de Kroatische vrouw die met haar kind en teveel tassen door de gate probeert te komen. Innemend, joviaal. “Ik draag uw tas, dan zult u zien dat u uw kind weer stil krijgt.”

Jarenlang was Hans Koschnick (63) de rechterhand van SPD-partijleider Willy Brandt. De zoon van socialistische arbeiders die door de nazi's werden vermoord, werd het symbool van het Duitse geweten. 'Nooit meer Auschwitz', was de leidraad van zijn leven. “Daarom kwam ik naar Mostar”, vertelt de ex-burgemeester van Bremen. Waar beter dan in deze verscheurde stad kon hij zich inzetten voor zijn waarden? Een door warlords en etnische zuiveraars beheerst Kroatisch deel op de westoever van de Neretva. Een vermorzeld en overbevolkt moslimgetto aan de oostkant van de rivier. Een stad die in de oorlog tussen moslims en Kroaten voor meer dan zestig procent werd verwoest. Volgens het vredesakkoord, dat in februari 1994 in Washington door alle partijen werd ondertekend, zou Mostar weer één stad moeten worden, met één politiek bestuur en één gezamenlijk moslim-Kroatisch politiekorps. De Europese Unie kreeg de opdracht de stad voor een periode van twee jaar te besturen. “En verdomd nog aan toe”, zegt Koschnick terwijl hij zich in de vliegtuigstoel laat zakken. “Met onze Westeuropese middelen financieren we pyromanen en etnische zuiveraars.” Na vijftien maanden EU-bestuur is er geen enkele vooruitgang geboekt in de eenwording van Mostar. Aan de Bosnische kant ligt het niet, zegt Koschnick. “Het zijn de Kroaten die consequent de verdragen saboteren die ze zelf hebben getekend. Zoiets kunnen we toch niet toestaan in Europa?” Hij sluit de veiligheidsriem over zijn buik. De piekende wenkbrauwen boven zijn bril geven hem het aanzien van een droevige uil. “De werkelijkheid op de Balkan”, zegt Koschnick, “is dat zowel de Serviërs als de Kroaten maar één ding willen: een etnisch gezuiverd stuk van Bosnië-Herzegovina. Europa moppert en protesteert. Maar uiteindelijk kijkt het toe, en slikt en knikt.” Daarom heeft hij begin november in Straatsburg tegen de ministers van buitenlandse zaken gezegd: verander het EU-mandaat voor Mostar maar. Geen gezamenlijk politiekorps meer. Geen bewegingsvrijheid tussen oost en west. Geen terugkeer van gedeporteerden naar hun oude huizen. Gooi de kern van het in maart 1994 getekende Mostar-akkoord maar overboord. “Maar dan krijgt u ook geen Hans Koschnick meer. Want hoe kan ik tegenover Nederlandse, Duitse of Franse werknemers verantwoorden dat met hun zwaarverdiende belastinggeld op de Balkan een nieuwe Berlijnse muur wordt opgetrokken?”

Papieren excuus

Een keurige binnenplaats in West-Mostar. Hoekige flats met schoon gewassen gordijntjes voor de ramen. Met de Italiaanse politieman Emanuele D'Agruma ben ik op weg naar een van de weinige moslim-families die nog in dit deel van de stad wonen. In plaats van de weeïge koollucht die anderhalf jaar geleden nog uit de huizen kwam, hangt nu in het trappenhuis de rijke geur van gebraden vlees. We komen langs een deur waarop een papier is gespijkerd. Een bevel van de 'Republiek Herceg Bosna', de Kroatische rebellenstaat in West-Bosnië die nooit is erkend. Na de ondertekening van het moslim-Kroatische vredesverdrag in 1994 had de Republiek officieel moeten worden opgeheven. Maar de nationalistsiche fantoomstaat is springlevend. Bij de Kroatische grens met Bosnië betalen internationale hulporganisaties er 'belasting' aan, anders kunnen ze met hun spullen rechtsomkeert maken. Overal in de stad hangen nu bevelen en waarschuwingen van deze non-existente staat. “Oh Madonna”, zegt de Italiaanse politieman terwijl hij met zijn hand over het papier gaat met de blauwe Herceg-Bosna stempels. “Alweer!” Hij controleert het opengebroken slot. Schrijft de achternaam op die naast de bel staat.

Hier wordt opnieuw een moslimfamilie uit zijn huis gejaagd, legt D'Agruma uit. De Italiaan is de baas van de pas opgerichte eenheid bij de Europese politie in Mostar, die zich met illegale huisuitzettingen bezig houdt. De Europese politieman vertelt hoe dat in zijn werk gaat. Meestal komen de uitzetters 's nachts. Gewapende mannen, “meestal van het Bosnisch-Kroatische leger HVO, ja. Hoewel de legerleiding ontkent dat deze dingen met haar medeweten gebeuren.” Maar de overtuigingskracht van een legeruniform met een geladen pistool is groot, zegt D'Agruma. De oorspronkelijke bewoners worden gesommeerd hun woning te verlaten, omdat het huis zou zijn toegewezen aan een Kroaat. Soms gaan de militairen er zelf wonen. Soms gebruiken ze het als speculatie-object. Soms ook worden ze door derden betaald om het karwei op te knappen. Sinds kort dienen nu 'huurcontracten' die zijn uitgegeven door de fantoom-republiek als papieren excuus om de mensen uit hun huizen in West-Mostar te jagen. Drie minuten de tijd krijgen de bewoners om hun leven bijeen te rapen voordat ze in hun pyjama de straat op worden gedreven. Maar soms, heel soms gebeurt het dat bewoners een ultimatum krijgen. We klimmen naar de derde verdieping. Niet bonzen of kloppen.

Maar geruststellend roepen. “Emanuele!” Een gedrongen vrouw in een groen trainingspak trekt de carabiniere naar binnen. Ze slaat haar armen om zijn middel, en klopt de roos van zijn modieuze jasje af. “God heeft je gezonden Emanuele”, zegt ze en begint koffie te malen en zelf gebakken brood en limonade te serveren. “Als een Italiaanse mamma”, zegt ze lachend. Met dankbare ogen kijkt ze D'Agruma aan, terwijl hij vertelt hoe hij haar een paar dagen geleden op zijn kantoor ontving. Ze was in paniek: “Het klassieke patroon: gewapende mannen in uniform sommeerden hen binnen twee uur hun woning te verlaten.” Onmiddellijk is hij met haar mee naar haar huis gegaan. Maar wat kon hij doen? “We hebben als Europese politie geen enkele bevoegdheid de daders te arresteren.” Het mandaat voor het Europees bestuur in Mostar geeft de 180 man sterke EU-politie slechts het recht de afzonderlijke Kroatische en Bosnische politiemachten te 'observeren'. D'Agruma kan dus niet meer doen dan bij zijn Kroatische collega's aandringen op actie. “Maar die werken niet altijd mee”, zegt hij droog, terwijl hij de vrouw op haar hand klopt. “Tutto aposto”, het komt wel goed, probeert hij nog het meest zichzelf gerust te stellen.

Rustig vertelt Emanuele hoe haar zus en haar moeder tijdens de oorlog door de Kroaten uit hun huis zijn gehaald. Haar zwager werd naar het Kroatische gevangenenkamp in de oude vliegtuigfabriek buiten de stad gebracht. Vier maanden heeft hij daar gezeten, terwijl haar zus over van de brug naar Oost-Mostar werd gedreven. Bij de deportatie verloor ze haar been. Maar tussen de duizenden moslims die op die nacht over de brug kwamen vond ze gelukkig haar moeder. Nu is het vrede. En nu is het haar beurt? D'Agruma slaat een arm om Emanueles schouder, terwijl hij met haar naar de deur loopt. “Geen namen. Alstublieft, noem geen namen”, smeekt de vrouw als we afscheid nemen. De handen die ze op de mijne legt zijn klam en koud. “Ik herhaal. Ze hebben niet op mijn man of mij geschoten”, zegt ze in een hulpeloze poging haar belagers te verdedigen. “Ze hebben ons niet mishandeld. Ik wil er nogmaals op wijzen dat we niet zijn geslagen.”

Mafiaclans

Op 23 juli 1994 trad het Europese bestuur van Mostar aan. Koschnick kreeg een budget van meer dan 200 miljoen Duitse Mark mee, een eigen Europees ambtenarenapparaat, en een politiemacht van 180 agenten uit twaalf verschillende Europese landen. De onmiddellijke terugkeer van alle verdreven moslims en Serviërs naar hun huizen had de hoogste prioriteit. Vijfhonderd gezinnen met geldige huur- of eigendomscontracten zijn sindsdien uit hun huizen in West-Mostar gezet. Geen enkele keer is het de EU-politie gelukt om uitzetting te voorkomen, laat staan terug te draaien. De EU is er niet in geslaagd om ook maar een begin te maken met de 'terugkeer naar hun huizen van alle gedeporteerde burgers van Mostar', zoals in het akkoord voor het EU-bestuur staat. Meer dan tienduizend moslims zijn tijdens de oorlog verdreven uit hun huizen in West-Mostar en over de brug naar Oost-Mostar gejaagd. Maar in de 15 maanden van het EU-bestuur zijn niet meer dan 15 bejaarde mannen en vrouwen teruggekeerd van oost naar west. Dat is dus een gemiddelde van één per maand. “En ze keerden niet terug naar hun eigen huizen: ze kregen slechts toestemming om bij familie in te trekken”, zegt Koschnick. Het bestuur van Oost-Mostar heeft wél de huizen van enkele Kroatisch families opgebouwd die door de oorlog waren verwoest. Deze Kroaten leven nu weer in Oost-Mostar. “Zonder problemen. Behalve met hun Kroatische medeburgers in west.”

Circuskoord

Hoe is het mogelijk, vraag ik D'Agruma, als we in zijn witte EU-auto terugrijden naar zijn kantoor. Waarom is de EU zo machteloos? De Italiaan haalt zijn schouders op. “We kunnen die huizen niet gaan openbreken en de Kroaten eruit halen”, zegt hij mat. “Dat staat het mandaat niet toe.”

Maar belangrijker is de zwakte van de Bosnisch-Kroatische rechtsstaat. In West-Mostar ligt het geweldsmonopolie niet bij de politie. Niet bij de EU-politie, maar ook niet bij de Kroatische. “Het zijn vaak mensen zonder enige fatsoenlijke politieopleiding, die met een uniform de straat op worden gestuurd en doodsbenauwd zijn voor iedereen die meer lijkt te betekenen dan zij.” Hoewel Mostar officieel 'gedemilitariseerd' is, zijn het de gewelddadige mafiaclans en de kongsies rond HVO-militairen die in de stad de wet voorschrijven. “En daar gaan zulke agentjes niet tegenin.” D'Agruma beschrijft het geval van een joodse vrouw. Na een jaar vluchtelingenkamp kwam ze terug naar haar woning in West-Mostar. Daar trof ze de moeder van een HVO-militair. D'Agruma kon aantonen dat deze vrouw een eigen woning elders bezat. Na lang onderhandelen met de Kroatische politie keerde de vrouw terug in haar eigen huis. Maar onmiddellijk werd ze er door de militair en zijn vrienden weer uit geslagen. Niet alleen de vrouw, maar ook D'Agruma en andere EU-politiemensen werden bedreigd. “We moesten opgeven.”

De volgende dag loop ik door de brede lanen van West-Mostar. De fantasieloze welstand van een Duitse voorstad. Er wordt geschilderd, getimmerd en gebezemd. Door de straten rijden grote Mercedessen en BMW's. Zonder nummerborden meestal, maar met stickers die vertellen dat ze uit Duitsland en Nederland komen. Ik nader de kartelrand van de frontlijn. Verlaten huizen, uitgebrande gebouwen. Plotseling is daar de rivier de Neretva. De kleur is van een onbeschrijflijk blauw-groen, diep ingeslepen in de rotsen. Daarachter verrijst de oude stad van Oost-Mostar. Kapotgebeukt en tot gruis geslagen. De minaretten staan als gebroken soepstengels tegen de hemel. Meer dan honderdduizend granaten zijn in tien maanden tijd op het getto afgevuurd. Drie bij drie kilometer is Oost-Mostar. Niet groter dan de Amsterdamse Jordaan. Toch lijkt het of het de Kroaten niet is gelukt de ziel eruit te bombarderen. Flarden van het twaalf-uur gebed drijven door de herfstlucht naar deze kant.

'Stop!'. Een houten barak. Een kluwen soldaten, en Kroatische agenten in nieuwe blauwe uniformen versperren de weg. Dit is checkpoint Charlie 10. Eén van de grensposten in de onzichtbare muur van Mostar. Vrouwen met lege boodschappentassen schuifelen het houten hokje binnen. Achter een tafel de Kroaten. Ze controleren de pasjes en de stempels. Slechts 250 mensen per dag krijgen toestemming om van oost een bezoek aan west te brengen. Geen mannen, alleen vrouwen en kinderen. En om vijf uur 's middags moeten ze terug naar het getto. “Ja, ik ben bang”, zegt de vrouw. “Dat is toch normaal?” Ze klemt haar handen om het hengsel van haar tas. Elke keer als ze de tocht naar het westen maakt draait er iets in haar maag. Terwijl ze vroeger toch zelf aan de westkant woonde. Op een nacht is ze met haar kinderen uit haar appartement verdreven. Haar man heeft ze nooit meer teruggezien. “Ook nu de oorlog voorbij is, is angst nog normaal”, zegt ze peinzend. Het liefst blijft ze nu veilig aan de oostkant.

Het aantal aanvragen voor een bezoek aan West-Mostar is vele malen groter dan de 250 vergunningen die de Kroaten per dag uitgeven. Vier dagen tot een week duurt het meestal voordat de toestemming komt. En toch gaat deze vrouw. Waar naartoe? De vrouw schudt haar hoofd. “Opbellen”, zegt ze tenslotte. Als je vanuit het postkantoor in West- Mostar naar Kroatië belt, geldt dat als een binnenlands gesprek, terwijl het vanuit Oost-Mostar gewoon buitenland is. Zo is alles in West-Mostar alsof het Kroatië is. Van de Kroatische munteenheid kuna, tot de vierkiezingsposters met het gezicht van de Kroatische president Tudjman die op alle muren hangen. Dit is er dus terecht gekomen van de 'politieke en economische eenheid van Mostar', die in de verdragen is vastgelegd.

Na een tijdje komt de vrouw weer uit het houten hok van de controle. “Eigenlijk ga ik mijn broer in west bezoeken”, fluistert ze snel, voordat ze met grote passen haar weg vervolgt. Haar broer is met een Kroatische getrouwd. De hele oorlog heeft hij in huis verstopt gezeten. “Stil”, bezweert ze met haar vingers op haar lippen. “Niemand weet dat hij daar nog leeft.” De vrouw trekt haar jas recht, en verdwijnt in de brede lanen van West-Mostar, terwijl ik de andere kant op loop. Ik passeer de politiecontrole van de moslims. Mannen in provisorische outfits van legerjasjes en gymschoenen wuiven dat het goed is.

Dan is daar de brug. Als een dun circuskoord hangt de ijzeren noodbrug tussen de resten van de Stari Most - letterlijk 'oude brug'. Eens was de oude Ottomaanse brug het symbool van de eenheid van Mostar. Nu zijn de stompen op de oevers het monument van wat in Bosnië urbicide wordt genoemd: de moord op de stad en de cultuur. Kinderen rennen over de stalen spijlen. Diep beneden de rivier. Oost-Mostar is ingeklemd tussen de kale berg recht voor me waar de 'Servische Republiek' in Bosnië begint, en het Kroatische westen achter me.

Moslim Scheisse

In de nauwe straten van Oost-Mostar heerst een gezellige drukte. De geur van houtvuren. Vrijwel geen auto's. Magere gezichten lachen de vreemdeling toe. Anders dan mijn hospita die ochtend had voorspeld: “In Oost-Mostar wemelt het van de muhajideen”, waarschuwde ze, terwijl haar man zijn beklag deed over het EU-bestuur. Slechts achthonderd mark kreeg hij voor het repareren van zijn stoep. “Moslim Scheisse”, testte hij zijn Duits.

“En overal op straat slachten ze geiten”, wist zijn vrouw. Voor hen kon Europa beter vandaag dan morgen uit Mostar vertrekken. Want de EU luistert volgens hen toch alleen naar de 'multi-etnische indoctrinatie van de moslims'. “Het kan maar beter weer oorlog worden”, vonden de hospita en haar man. “Zodat alle moslims weggaan, en Mostar bij Kroatië hoort.” Een paar oude mannen zitten te kaarten tussen de gekreukelde gebouwen. Even verderop de pas getimmerde 'rock-bar' van Oost-Mostar. Jongens met oorbelletjes en meisjes in fleurige leggings. Het is een bijzondere dag vandaag. Voor het eerst sinds het eind van de oorlog is er een rockgroep uit het buitenland gekomen. “Zis is esquize”, knikken de Parijse bandleden bij elk nieuw kopje koffie dat ze krijgen aangeboden. De jongeren uit Mostar vertellen hun over hun muziek en hun stad. “We zullen de muur afbreken met liefde”, zegt Admir. “Mostar is beauty-town”, zegt Sendi. “We zijn een echte Europese stad”, zegt Kermin. “Maar morgen gaan de Fransen weg. En dan is alles weer hetzelfde”, zegt Denis. Veel toekomst ziet hij hier niet voor zichzelf. Toch kan en wil hij de Kroaten niet haten. Boos is hij geweest. Woedend. Maar haten? “Dat is een gevoel dat je hoofd verpest.”

Zoals alle jongens van Oost-Mostar zit ook hij nog steeds in het leger. Hij vecht al sinds hij 18 was. Over zijn T-shirt hangt zijn soldatenplaatje. Aan hetzelfde kettinkje heeft hij groot het 'peace'-teken bevestigd. Denis heeft geschoten en gevochten in deze oorlog tussen buren. “Maar ik heb nooit gezien dat ik iemand vermoordde.” Langzaam lopen we naar zijn huis aan de rand van het getto. We springen over de gaten die voor de riolering worden gegraven. Een jonge vrouw staat hout te hakken. Een ander verkoopt twee appels. We klimmen door het trappenhuis omhoog. Met zijn vader en moeder en nog een familie deelt hij het gehavende en overbevolkte huis. Denis loopt door naar het balkon. Uitzicht over de rivier en de bergen. Onder ons een paar stukgeschoten loodsen. “Daar”, wijst Denis naar beneden. “Daar hebben we een van de zwaarste gevechten geleverd.” Met alleen hun geweren hebben ze de Kroaten uit de loodsen teruggedreven, tot aan de andere kant van de weg. “Mijn vader stond op het dak te kijken.” Hoe ze het gered hebben snapt hij nog niet. Een paar dagen later werd er weer gevochten. Zie je daar verderop dat houten huisje? Met drie vrienden van zijn eenheid was hij op die vlakte in een hinderlaag gelopen. Hij heeft nog geschoten. Maar zijn vrienden waren dood. Uren heeft hij naast hen gelegen. “Ik wachtte en wachtte. En toen heb ik niet meer gewacht. Toen ben ik gaan rennen.”

Kalasjnikov

“Ga jij die Kroaat halen, dan haal ik even een broodje”, roept marechaussee Roelof Voorintholt (28) tegen zijn collega. Het is avond. Op de brug moest ik afscheid nemen van Denis. Het viel hem steeds zwaarder, vertelde hij, zijn opsluiting in de drie bij drie kilometer van Oost-Mostar. Op het politiebureau van de EU bereidt Voorintholt zich nu met zijn collega Marc Goossens (31) voor op de nachtelijke patrouille over de boulevard die de demarcatielijn tussen west en oost vormt. “Compleet van de gekke”, vindt hij het hier. Dat verwachtte hij al, toen hij zeven weken geleden in Mostar aankwam. Opdracht van de EU-politie is het 'samensmelten' van de politie van west en oost tot één enkele politiemacht. Maar na vijftien maanden is daar nog niets van terecht gekomen. “Weken, maanden onderhandelen we. Eindelijk denk je een stap te hebben gezet. Maar bij de eerste beste poging tot overeenkomst wordt alles door de Kroaten weer opgeblazen”, had de hoofdcommissaris van de EU-politie in Mostar, de Nederlander Pieter Lambrechtse gezegd. Aan de Bosniërs ligt het niet. “Het zijn de Kroaten die zeggen: wij hebben de EU niet nodig om te bereiken wat we willen. Daarmee tevens bevestigend dat het verdrag een waardeloos vod papier is.” De Kroaten weigeren het gezag van Lambrechtse te accepteren. Ze weigeren het uniform van een verenigde Mostarpolitie te dragen. “Terwijl het model al getekend was en de maten genomen, loopt de Kroatische kant ineens in eigen spiksplinternieuwe Kroatische uniformen. Dat is uitermate frustrerend.”

Ook bij Voorintholt jeuken de handen wel eens. Neem nu de verkeerscontroles in West-Mostar. Er rijdt maar van alles zonder nummerbord rond. Gestolen auto's. En iedereen is gewapend. Maar de Kroatische politie treedt nauwelijks op. “Met onze Hollandse mentaliteit zou je zeggen: moet dit nou?” Maar ja het is oorlog, meent Voorintholt. Dan is de moraal toch anders. Zijn taak is alleen observeren. “En als je doel is de zaak te verenigen kun je niet als een dolle auto's in beslag gaan nemen.” Een eerste stap in de goede richting is nu gezet met het patrouilleren op de boulevard. Nee, niet door agenten van oost en west gezamenlijk. “Zover is het nog lang niet.” De EU patrouilleert nu met de Kroaten en met de EU Bosniërs afzonderlijk.

Even later komt agent Goossens terug. Zonder Kroaat. Over de mobilofoon knettert de informatie: een dronken man heeft bij checkpoint Charlie 10 met een kalasjnikov op de moslim-politie geschoten. Toen deze bescherming zochten bij de EU-agenten, schoot de man opnieuw en reed toen weg. Vervolgens begon hij schietsalvo's te lossen op Hotel Ero, waar het EU-bestuur zetelt. Uit 'veiligheidsoverwegingen' hebben de Kroaten de man toen laten lopen. Maar de Bosniërs eisen zijn arrestatie. En zolang er geen arrestatie is, doen ze niet mee aan de patrouille. “Niet helemaal achterlijk. Anders arresteren ze hem nooit”, meent Voorintholt. Toch is dat geen reden om niet met de Kroaten patrouille te rijden, vindt hij. “Laten we hen opvissen”, stelt hij voor, en schakelt zijn busje in de eerste versnelling. Bij Hotel Ero treffen we de dienstdoende ploeg. Een giechelende jongen, en een houten Klaas met een grote snor. Lusteloos hangen ze tegen een lantaarnpaal. Maar ze willen niet instappen. Nee, eerst moeten ze praten met hun baas. En de baas van de baas. Meer dan een uur gaat voorbij, omdat bazen niet zomaar te vinden zijn. Zonder bevel doen ze niets. Ze wachten en giechelen.

“Voor dit uniform hebben we gevochten, en dit doe ik nooit meer uit”, zegt de houten Klaas en grijpt met zijn hand naar het Kroatische wapen dat op zijn uniform is genaaid. Eindelijk is het bevel gekomen. Stapvoets rijden we over de donkere boulevard. De jonge Kroaat achterin stikt in zijn giechel. Maar de houten Klaas blijft streng. Nooit, maar dan ook nooit zullen de Kroaten een verenigd Mostar accepteren, zegt hij. Nooit een gezamenlijke politiemacht. “Nou, daar doe je het dus allemaal voor”, zegt Voorintholt terwijl hij opnieuw het busje keert.

Dronken utopist

De volgende middag opnieuw de brede straten van West-Mostar. Auto's rijden rustig voorbij. Dan is er plotseling die witte personenauto. Met hoge snelheid komt hij op mij af. Ik laat me in de berm vallen, en sta weer op. Maar de auto keert en rijdt opnieuw op me in. Achter het stuur een man in uniform. Geen nummerbord. Die middag zoek ik veiligheid in hotel Ero. Op de gouden stoeltjes heeft het Europese leven van Mostar plaats. Bij iedereen leeft hetzelfde gevoel: de spanning in Mostar wordt opgevoerd. Het Europese bestuur is niet alleen een eiland in de stad geworden, maar wordt nu ook rechtstreeks bedreigd. Een paar hulpverleners hebben vergaderd over de vraag of de voedselhulp aan de Kroaten moet worden voortgezet. Nee, luidt het antwoord. Ze hebben genoeg. Toch moet de distributie doorgaan, omdat de Kroaten anders de hulp naar de moslims afsnijden. Een tafeltje verder zitten de jongeren van een Duitse hulporganisatie. Twee dagen geleden hebben ze hun kantoor in west moeten sluiten. Het gevaar werd te groot. De militair die hen al maanden bedreigde kwam dit weekend niet alleen met een pistool op bezoek, maar ook met twee handgranaten. Nog een tafeltje verder citeert de perschef van de EU uit het laatste Kroatische radiobulletin. “De altijd dronken socialistische utopist Hans Koschnick beschuldigt de Kroaten van zijn éígen falen.” De EU-burgemeester van Mostar heeft volgens de Kroatische autoriteiten 'het brein van een kraai': “Anders had hij zich wel gerealiseerd dat zijn missie niet het scheppen van eenheid en broederschap is. Want als dat mogelijk was, dan was er in Joegoslavië geen oorlog uitgebroken.” “Dit is dus het niveau van de discussie”, zegt de perschef en schuift met een krachtig gebaar de papieren opzij.

In het vliegtuig, op weg naar Duitsland, zegt Koschnick: “Ik neem de bevolking een stuk serieuzer dan hun eigen leiders doen.” Na vijftien maanden maakt Koschnick de balans op. “Voor de wederopbouw van de stad heb ik in een jaar meer kunnen doen dan na de Tweede Wereldoorlog in drie jaar gebeurde. Maar van de politieke kant van mijn mandaat is niets terecht gekomen.” Belist noemt Koschnick Kroaten daarvoor verantwoordelijk: “Zij willen hier maar één ding: onderdeel worden van Kroatië. Ze willen in Mostar een Berlijnse muur. Ik zeg: of Europa zorgt nu, via druk op Zagreb dat de akkoorden die ze zelf hebben getekend worden uitgevoerd. Of ik ben hier weg. Ik ben hier niet om een getto te voederen.” “West-Mostar is het wilde westen. Wie een geweer heeft, die heeft gelijk. Dat kan toch niet voorkomen in Europa? Ik wil een politie die trouw is aan de wet. Maar de Kroaten willen mij die politie niet geven. Ik wil een stad waar vrijheid van beweging is. De laatste weken hebben de Kroaten toegelaten dat enkele, slechts enkele artsen met een speciaal pasje in beide delen van de stad mogen komen. Dat noemen ze dan 'vrijheid van wetenschap'. Ik zeg u: deze permanente inbreuk op de grondwet en de fundamentele mensenrechten kan ik niet accepteren.”

“De Kroaten geloven niet dat ik wegga. Die denken dat Europa me zal dwingen om aan te blijven. Ik zeg: niemand kan mij dwingen. Als degenen die mij mijn opdracht hebben gegeven er niet voor kunnen zorgen dat ik hem ook uit kan voeren, dan geef ik hem terug. En als dat gebeurt, heeft Europa definitief gefaald. Zeker nu de Amerikanen de rol van vredesengel voor zichzelf opeisen.