Ontmaagding als misverstand

ALAIN BOUREAU: Le droit de cuissage. La fabrication d'un mythe XIIIe-XXe siècle

325 blz., Albin Michel 1995, ƒ54,60

Mozarts Nozze di Figaro is een luchthartige opera, een opera buffa, maar het libretto vertelt een verschrikkelijke geschiedenis. Het toonstuk voert de tobberige graaf Almaviva ten tonele, die het betreurt dat hij een oud feodaal recht heeft afgeschaft. Dit privilege vergunde hem bij iedere trouwpartij in zijn gebied de eerste huwelijksnacht door te brengen met de bruid. Almaviva is radeloos verslingerd aan het kamermeisje van zijn echtgenote, en als hij te horen krijgt dat het meisje gaat trouwen, is hij vastbesloten het prerogatief in ere te herstellen. De dorpsbewoners ruiken onraad en spoeden zich naar het hof. Ze brengen hun slotheer aan het verstand dat het voorrecht lang geleden ongedaan is gemaakt. Ter compensatie bieden zij hem aan een tributo, een schatting, te betalen. Almaviva ziet zich genoodzaakt af te zien van de ontmaagding. Hij zal andere wegen moeten zoeken om zijn vleselijke lusten te bevredigen.

De operatekst is geschreven door Lorenzo da Ponte. Deze mislukte priester en libertijn baseerde zich op Le mariage de Figaro, het befaamde toneelstuk van de Franse schrijver Pierre-Augustin Caron de Beaumarchais. Diens pennevrucht was overigens bedoeld als meer dan zo maar een ondeugende zedenkomedie. Beaumarchais ambieerde een man van de Verlichting te zijn en het adellijk privilege van de ontmaagding was voor hem een geschikte kapstok om feodale misbruiken in het algemeen te hekelen. Zijn toneelstuk laat zich kortom als een politieke satire lezen.

Beaumarchais was niet de enige die zich wierp op dit thema, zoals blijkt uit het onlangs verschenen Le droit de cuissage. La fabrication d'un mythe XIIIe-XXe siècle van Alain Boureau. Deze in Frankrijk bijzonder populaire historicus heeft in zijn oorspronkelijke en interessante boek talloze vermeldingen van het ontmaagdingsprivilege verzameld en getracht functie en betekenis ervan te ontrafelen tegen de achtergrond van hun sociale en politieke context.

Het recht op ontmaagding blijkt een geliefd thema in de Franse toneelcultuur van de achttiende eeuw. Zo publiceerde Voltaire in 1763 Le Droit du Seigneur, waarin het privilege eenvoudig wordt aangeduid als het 'recht van de heer'. Tezelfdertijd werd de uitdrukking 'droit de cuissage' geïntroduceerd, waar in vroeger tijden wellustiger en aanschouwelijker Latijnse omschrijvingen werden gebruikt, zoals ius cunni of cullagium, een woord dat ongetwijfeld de gedachte aan 'cul' (kont) opriep. De preutsheid van de negentiende eeuw bracht de uitdrukking ius primae noctis, 'het recht op de eerste nacht'.

Seksuele begeerten

Die term onderstreepte wellicht ook de groeiende wetenschappelijke belangstelling in deze tijd voor het verschijnsel. Zo bracht Freud het recht op de eerste nacht in verband met zijn theorie over seksualiteit in de kindertijd. Zijn fascinatie werd gewekt toen hij in een etnologische studie las dat de ontmaagding van de bruid bij sommige primitieve volken door de vader of een dorpshoofd werd uitgevoerd. Het recht van de heer zou hier herinneren aan de seksuele begeerten van het jonge meisje, wier libido zich volgens Freud aanvankelijk op de vaderfiguur richt.

Het recht van de heer heeft ook in onze streken bestaan, althans volgens de Zuidnederlandse jezuïeten Henskens en Papenbroeck. Deze zeventiende-eeuwse bollandisten vulden hun leven met de kritische uitgave van heiligenlevens. Bij de editie van een document uit de twaalfde eeuw stuitten zij op een edelman die zijn onderdanen vrijstelling gaf van betaling van een zeker bathinodium. In hun commentaar schreven de jezuïeten: “Bathi-nodium, hieronder verstaan we een oud recht dat wij in onze taal bed-nood noemen. Het gaf heersers permissie om de eerste huwelijksnacht met de bruid te slapen. De herinnering aan dit recht bestaat nog steeds in sommige dorpen. Men zegt dat de boeren tegen een geldelijke vergoeding dit recht kunnen afkopen.” Bathinodium is kortom de Nederlandse variant op de afkoopsom die als tributo in het libretto van Da Ponte voorkomt.

Toch dienen al deze aanwijzingen met voorzichtigheid bekeken te worden. Belangrijk is de vaststelling dat zowel uit het commentaar van de jezuïeten-bollandisten als uit de Figaro van Beaumarchais en Mozart duidelijk blijkt dat de edellieden in de alledaagse werkelijkheid van de zeventiende en achttiende eeuw niet langer gebruik maakten van hun recht de bruiden in hun gebied te defloreren. Boureau gaat zelfs verder dan die constatering. Als er iets duidelijk wordt uit zijn boek dan is het dat het 'recht van de heer' een hardnekkige mythe is. Ontmaskering van het privilege is evenwel niet Boureaus oogmerk geweest. Zoals de afgelopen decennia mediëvisten hebben laten zien dat onbetrouwbaar geachte genres zoals heiligenlevens of exempelen van grote betekenis kunnen zijn voor geschiedkundig onderzoek, toont Boureau aan dat ook een mythe als historische bron bruikbaar is. Zijn conclusie is dat het concept van 'recht van de heer' om uiteenlopende sociale en politieke doeleinden in stand werd gehouden.

Zo weerspiegelt de mythe van het ontmaagdingsprivilege de opvattingen, geesteshouding en mentaliteit van groepen mensen in bepaalde periodes. Illustratief is daarbij, betoogt Boureau, de middeleeuwse oorsprong van het 'recht van de heer', toen het ook aan geestelijken werd toegeschreven. Voor het eerst blijkt dit in een anonieme verzameling fabels, in 1462 gepubliceerd onder de titel Cent Nouvelles Nouvelles. In een van deze vertellingen is sprake van franciscanen die in een Catalaanse stad een klooster hebben gesticht. De broeders zijn observanten die de leken een strenge moraal voorhouden. Dat neemt niet weg dat ze zelf een ruim geweten hebben. De franciscanen laten de vrouwen van de stad geloven dat zij hen vanwege het huwelijkse sacrament een seksuele tegenprestatie verschuldigd zijn, telkens als ze met hun echtgenoten de liefde hebben bedreven. Oude vrouwen kunnen gerust volstaan met de schenking van een kledingstuk. Als deze boevenstreken ter ore komen van de mannen in de stad, reppen die zich naar het klooster. De kerk wordt in brand gestoken en de broeders komen om in de vlammen.

Deze satire moet volgens Boureau worden gezien in het licht van toenemende bemoeienis van de kerk met het privé-leven van de gelovigen. Vooral de observanten gingen door voor stijfkoppige geloofsverkondigers. Zij propageerden onder meer het kerkelijk voorschrift dat een echtpaar zich de eerste drie dagen na het huwelijk moest onthouden van seks. Door de broeders af te schilderen als schaamteloze schuinsmarcheerders gaf de schrijver van de fabel lucht aan de groeiend weerzin tegen de kerkelijke bemoeizucht.

In de zestiende en zeventiende eeuw waren het vooral Franse koninklijke juristen die de mythe tot een onbetwistbaar adellijk recht hebben uitgebouwd. Door te spreken van het 'recht van de heer' konden zij de aristocratie in discrediet brengen en de publieke opinie mobiliseren om het centrale staatsgezag ten koste van de lokale adelsheerschappij verder uit te breiden. Zo verscheen het privilege tenslotte als feodaal misbruik op luchtiger toon in de toneelstukken van de achttiende eeuw. Voor de edellieden waren intussen de laatste dagen geteld. Als het doek valt na de laatste acte van Nozze di Figaro, wrikt graaf Almaviva zich even boetvaardig als veelbetekenend in de armen van zijn eerzame gade.