Kijken naar het eigen kijken; Onlogische contrasten op tentoonstelling over het Whitney Museum

Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum werd door het Amerikaanse Whitney Museum of American Art gevraagd een tentoonstelling samen te stellen met werken uit zijn collectie. Fuchs combineerde de kunstwerken op een associatieve manier, zoals hij dat ook doet in zijn tentoonstellingenreeks Coupletten in het Stedelijk. “Het is een platvloerse manier van omgaan met schilderijen die zelf helemaal niet platvoers zijn - meer niet.”

Het Amerikaanse Perspectief, hoogtepunten uit de collectie van het Whitney Museum of American Art. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Tot 28 januari. Dag. 11-17 u. Catalogus, 127 blz. ƒ 32,50.

Het zo'n mooi idee: een uitwisseling van kunstwerken tussen het Whitney Museum of American Art in New York en het Stedelijk Museum in Amsterdam, opdat het Amerikaanse publiek de visie van een Europese museumdirecteur op de Amerikaanse kunst geboden krijgt, terwijl wij in Nederland kennis zouden kunnen maken met de collectie van het Whitney. Voor de tentoonstelling in New York koos Fuchs ongeveer honderd werken uit de Whitney-verzameling, die hij aanvulde met twaalf werken uit het Stedelijk. Deze expositie, de afgelopen zomer, was de eerste van een drieluik in het Whitney getiteld 'Views from Abroad'. Na Fuchs zullen Nicholas Serota, directeur van de Tate Gallery in Londen, en Jean-Christophe Ammann, directeur van het Museum für Moderne Kunst in Frankfurt, hun keuze uit de collectie van het Whitney doen. Voor de huidige tentoonstelling Het Amerikaanse Perspectief in het Stedelijk, leende Fuchs 120 schilderijen en een aantal beelden van het Whitney, die hij combineerde met 100 werken uit het Stedelijk. De opzet is 'om parallellen en verschillen te laten zien tussen de Amerikaanse en Europese kunst'.

Helaas is de expositie in het Stedelijk dermate chaotisch, dat het voor de bezoeker onmogelijk is om zicht te krijgen op dergelijke parallellen en verschillen. En wat erger is, het Nederlandse publiek is hiermee ook de unieke kans ontnomen om een beeld te krijgen van de collectie van het Whitney.

Het Whitney Museum is in 1930 gesticht door de welgestelde Gertrud Vanderbilt Whitney - zelf schilderes - die vond dat de Amerikaanse kunst te weinig aandacht kreeg. Het Whitney verzamelt en exposeert kunst van eigen bodem van 1900 tot heden. De collectie omvat zo'n 11.000 werken, van kunstenaars die in Europa en zelfs in Amerika vrijwel onbekend zijn, tot wereldberoemde schilders als Jackson Pollock en Mark Rothko. Alle disciplines zijn erin vertegenwoordigd, met uitzondering van toegepaste kunst, industriële vormgeving en architectuur.

Fuchs is zich dit keer, meer nog dan bij de eerdere Couplet-tentoonstellingen, volledig te buiten gegaan met het door elkaar hutselen van kunstwerken van de meest uiteenlopende soort. De enige rustpunten op de expositie zijn twee zaaltjes met in totaal twintig schilderijen van Edward Hopper (die overigens in het Stedelijk onder het directoraat van Edy de Wilde een overzichtstentoonstelling had) en een groepje landschappen van Marsden Hartley. Verder is er per kunstenaar één, hooguit twee werken te zien, die op ondoorgrondelijke wijze zijn gecombineerd met andere.

Spraakverwarring

'Deze vermenging is dialoog', zei Fuchs bij de voorbezichtiging. Dialoog? Deze vermenging is veeleer een Babylonische spraakverwarring. Daarbij weigert Fuchs de rol van tolk of gespreksleider op zich te nemen, zodat de kijker zelf maar moet vaststellen waar de dialoog tussen de kunstwerken over zou kunnen gaan. En voor zover de kijker ergens al een gespreksthema meent te ontwaren, wat dus berust op een volstrekt subjectief hineininterpretieren, dan blijkt dat thema in een volgende zaal alweer afgesloten te zijn.

Zo lijkt een ensemble van schilderijen van onder anderen Edgar Fernhout, Hartley, Georgia O'Keeffe en Agnes Martin (overigens de enige twee vrouwen op de hele tentoonstelling) gecombineerd te zijn op kleur. Wel een erg oppervlakkige overeenkomst, die met de betekenis van de kunstwerken weinig te maken heeft. Maar deze schilderijen met hun de zachte, onopdringerige tinten blauw, groen en lila beconcurreren elkaar tenminste niet, zoals elders op de expositie wél vaak het geval is. Hartley schilderde een heuvel (Mountain Number 21, 1929) waaruit zijn bewondering voor Cézanne spreekt, O'Keeffe creëerde met enkele sierlijke arabesken een lyrisch, romantisch landschap van waterige verten (It was blue and green, 1960), en met enige goede wil zou men de vlakjescompositie van Fernhout uit 1959 ook als een analyse van een landschap, als een abstracte impressie van lucht en water, kunnen interpreteren. Maar het prachtige rasterschilderij van Martin, waarin de geometrische lijnen als een ijl membraan op het vlak liggen, heeft met dit alles weer niets te maken; hier is alle ruimte en iedere verwijzing naar de werkelijkheid juist uitgebannen.

Soms lijkt een combinatie te berusten op een overeenkomst in motief. Zo hangt Naakt # 1 (1994) van Karel Appel naast Naakte vrouw voor tuin (1956) van Picasso. Beide vrouwen zijn naakt, en even wulps en rondborstig - een reeks die tot in het oneindige met voorbeelden is aan te vullen. Maar verduidelijkt de combinatie iets over deze schilderijen? Nee. Het is een platvloerse manier van omgaan met schilderijen die van zichzelf helemaal niet platvoers zijn - meer niet.

Soms lijkt het te juist gaan om een contrast, in plaats van een overeenkomst, tussen kunstwerken. Het meest provocerende voorbeeld in deze categorie is de combinatie van Clyfford Still met John McLaughlin. Still was een vooraanstaande abstract expressionist. Zijn werk wordt ook wel aangeduid als gesture painting: zuiver abstracte schilderkunst die een groot deel van haar zeggingskracht ontleent aan de expressiviteit, de heftigheid, van de penseelstreek. Het werk uit het Whitney is een imposant doek van ruim drie meter breed en ruim twee meter hoog; een dramatisch, weids schilderij waarin de duisternis van het donkere vlak uiteengereten wordt door gele en oranje vuurtongen. Pal ernaast hangt een treurig mislukte poging tot een abstractgeometrische compositie in de trant van De Stijl van de hand McLaughlin. Ik kan me nog enigszins voorstellen dat Fuchs misschien twee uiterste polen in de abstracte Amerikaanse schilderkunst van de jaren vijftig wilde laten zien. Maar wat doet daarnaast dan de bloedeloze studie van bomen van Milton Avery, en dáárnaast weer een mooi doek van Asger Jorn, en aan de wand ter linkerzijde twee De Koonings? Deze schilderijen hebben elkaar niets te zeggen.

Verfslierten

Het resultaat van dit alles is, in de woorden van de criticus van de New York Times in reactie op Fuchs' tentoonstelling in het Whitney, 'een brij'. 'Many juxtapositions are willfully odd and seem ad hoc', schrijft Michael Kimmelman. En al deze onlogische contrasten brengen met zich mee dat het onmogelijk is zich rustig op een werk te concentreren. Staand voor het schilderij Gamma Mu van Morris Louis, met zijn kleurige verfslierten die in een langzame ritmische beweging naar beneden kruipen, wordt de beschouwer voortdurend afgeleid door de flikkering van het fosforiserend groene werk van de Franse popkunstenaar Martial Raysse ernaast.

De bedoeling van zijn expositiemethode is, aldus Fuchs, om 'de beschouwer te confronteren met zijn eigen kijken'. En ook de directeur van het Whitney, David Ross, zei op de persbijeenkomst: 'Art is about looking.' Gaat kunst over kijken? Gaat muziek over luisteren, en literatuur over lezen? Natuurlijk niet. Lezen, luisteren en kijken zijn de voorwaarden om contact te krijgen met het kunstwerk, en het kunstwerk gaat vervolgens over iets anders. Ik ga niet naar het museum om geconfronteerd te worden 'met mijn eigen kijken'. Ik wil graag kunstwerken zien, en dat lukt met de dialoogmethode van Fuchs niet omdat hij zich levensgroot tussen het kunstwerk en de beschouwer heeft geposteerd. Want in plaats dat de bezoeker zich kan bezighouden met een schilderij of bijvoorbeeld met de vraag welke intenties de kunstenaar zou hebben gehad bij het vervaardigen van dit schilderij of van zijn oeuvre, wordt de bezoeker gedwongen onafgebroken zijn hersenen te pijnigen over de vraag welke bedoelingen Fuchs nu toch had met deze gewild vreemde contrasten en oppervlakkige parallellen.

'Mijn tentoonstelling is niet meer dan een aantal vergelijken dat me inviel', schrijft Fuchs in de catalogus. Inderdaad, zo is het precies. Een aantal losse vergelijkingen dat hem toevalligerwijs inviel. Vandaar dat hij in het Stedelijk ook weer andere combinaties bedacht dan in het Whitney. Moeten we deze invalletjes serieus nemen?

Ik had heel graag willen zien hoe de Amerikaanse kunst 'radicaler is dan de Europese', en minder belast door de traditie, zoals Fuchs schrijft. Ik had heel graag een samenhangende selectie van kunst uit het Whitney gezien. Maar deze tentoonstelling verduidelijkt helemaal niets, noch over de Amerikaanse, noch over de Europese kunst, laat staan over hoe ze zich tot elkaar verhouden. Wat een gemiste kans.