Indonesië op de achtergrond

M.D. BOGAARTS: Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945, Deel II: De periode van het kabinet-Beel, 3 juli 1946-7 augustus 1948, Band D: Nederlands-Indië

XXXV en 1438 blz., geïll., Gerard Noodt Instituut 1995, ƒ175,- (twee boekdelen)

De historische kennis van de dekolonisatie van Indonesië na de Tweede Wereldoorlog ligt voor het grijpen. Er zijn al 19 dikke boekdelen verschenen, waarin een selectie van archiefstukken wordt gepresenteerd. Gisteren is er een tweetal boekdelen van opieuw ruim 1400 bladzijden bijgekomen; een studie over de politiek van het kabinet-Beel in dat conflict. De auteur, dr. Melchior Bogaarts, is verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Katholieke Universiteit te Nijmegen en heeft nu in totaal bijna 3500 pagina's gewijd aan een coalitie, die slechts twee jaar heeft geregeerd. Het Centrum staat inmiddels bekend om de uitvoerigheid, waarmee het zijn taak - de geschiedschrijving van de naoorlogse kabinetten - pleegt te realiseren.

Het kabinet onder leiding van dr. Louis Beel was een coalitie van bewindslieden van de Katholieke Volks Partij en van de Partij van de Arbeid plus enkele partijloze vakministers. Het nam de Indonesische erfenis van Schermerhorn in 1946 over. Het keurde twee keer een diplomatiek akkoord met de Republiek Indonesië goed; de befaamde overeenkomst van Linggadjati (eind 1946) en de onder Amerikaanse leiding op een Amerikaans oorlogsschip, Renville bereikte overeenstemming begin 1948. Daartussen ligt het militaire optreden tegen Indonesië, dat in Bogaarts' boek de eerste 'politiële actie' heet en dat in juli en augustus 1947 niet alleen voor krijgsgeroffel zorgde maar ook voor een kabinetscrisis in Den Haag en koningin Wilhelmina voor de zoveelste keer in haar bijna 50-jarige regering in staat bracht van ongrondwettige toorn over haar besluiteloze ministers.

Bogaarts moest, zoals hij het zelf zegt, in zijn toch vooral parlementaire geschiedenis per debat “de redeneringen van alle fracties” weergeven, “geordend en op onderwerp geselecteerd, waar nodig van nadere verklaringen voorzien”. Hij doet dat niet alleen trouwhartig maar schrijft ook wijdlopig, zodat de geïnteresseerde lezer spoedig begraven is in de subparagrafen en details. Men mag zich - met alle respect voor Bogaarts' kennis van zaken - afvragen wat de zin is van zo'n geschiedschrijving, die weliswaar de pretentie heeft van meer te zijn dan een kroniek, maar door een volledigheidsdrang het doel van een historische beeldvorming en een - vooral keurige - analyse na slechts langdurige leesinspanning laat bereiken. Ironie is in dit boek een heel schaars goed.

Goed te spreken is de auteur over de hoofdpersoon Beel; beter zelfs nog dan in de recente biografie van dr. Lambert Giebels. Beel heeft in Bogaarts' ogen zelfs het niveau van staatsmanschap bereikt, toen hij na de eerste politionele actie tot het inzicht kwam, dat op korte termijn militair geweld geen oplossing bood. Hij maakte de weg vrij voor een nieuwe onderhandelingsronde onder toezicht van de Amerikanen en binnenshuis zorgde hij ervoor op enige afstand van zijn fractievoorzitter Romme te blijven in de constructie van de toekomstige Unie met Indonesië; geen bestel voor principes maar een nader in te vullen constructie. Aan het einde van het boek kan men meemaken, dat de minister-president weer de militaire interventie achter de hand houdt. Hij zou daartoe bevelen in een nieuwe rol, die van Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon maar dat valt buiten het kader van Bogaarts' boek.

Epidemie Deze militante stemming maakte de toepassing van het Amerikaanse akkoord onmogelijk. Bogaarts schrijft dat gedeeltelijk toe aan het persoonlijk optreden van de diplomaat jhr. H.F.L.K. van Vredenburch, de vice-voorzitter van de Nederlandse delegatie tijdens de onderhandelingen op de Renville, en nadien een hoge bestuurder. Hij was even intelligent als arrogant en heeft de besprekingen met Indonesië over de toepassing van het 'Renville-akkoord' meer kwaad dan goed gedaan. Onder zijn leiding groeide de stemming om er een tweede keer op los te slaan. Net als in de fase van de toepassing van het Lingga djati-akkoord misten de Nederlandse politici het vermogen om na de overeenkomst op de Renville het moment te grijpen voor een diplomatieke oplossing. In plaats daarvan veroorzaakten ze een epidemie van kleine deelstaten, die allemaal een obstakel zouden moeten zijn tegen de Republiek en haar eenheids-ambities.

Koningin Wilhelmina toonde zich in de cruciale weken tijdens en na de eerste politionele actie een voorstandster van de harde lijn. Na de succesvolle afloop ervan liet zij zich door haar gouverneur-generaal en legercommandant overtuigen, dat het Nederlandse leger moest doorstoten naar de Republikeinse hoofdstad Djokjakarta, tegen de wereldopinie in. Ze bleek zelfs bereid een kabinetscrisis te riskeren en riep haar minister-president Beel op door te zetten tegen het standpunt van de PvdA-ministers in, dat aan de oorspronkelijke beperkte doelstellingen van een toch al moeilijk te verteren militaire interventie moest worden vastgehouden. Drees gaf aan dat PvdA-verzet een bekwame leiding en vestigde zijn meesterschap in de bestuurlijke strategie.

Wilhelmina was in augustus 1947 weer eens vol ontstemming over de besluiteloosheid van haar regering en noemde het “een gemis aan vertrouwen in de besluitkracht van het kabinet op een moment, waarop het behoud van het Koninkrijk op het spel stond”. Ze werd met enige verbale moeite door Beel binnen de perken van de grondwet gehouden, ook al was hij het in de zaak van het doorstoten naar Djokjakarta met haar eens. Uiteindelijk zwichtte het kabinet voor de wereldopinie, in casu de resoluties van de Veiligheidsraad; de zienswijze van Drees werd uiteindelijk overgenomen. Men kan zich voorstellen - maar Bogaarts zegt het niet met zoveel woorden - dat deze constitutionele botsing tussen staatshoofd en ministers Wilhelmina er mede toe heeft gebracht een jaar later afstand te doen van de troon.

Deze geschiedschrijving over het kabinet-Beel zal alleen al door haar omvang en detaillering toch in de eerste plaats gebruikt worden als naslagwerk. De uitvoerige registers zijn daartoe een hulpmiddel. Het brandpunt van de historische belangstelling is vanzelfsprekend de Nederlandse politiek; Indonesië blijft er op de achtergrond. Dat lijkt allemaal onvermijdelijk in een kabinetsgeschiedenis en het is ook verdienstelijk uitgevoerd, maar het is ook hopeloos ouderwets.