In volle vlucht (1)

Een paar stukken van de dag en van de nacht was ik in de lucht. Terug op de grond zijn die vluchten meteen weer vergeten. Daar boven verkeert men in een bewustzijnsvernauwing, een samenballing van plaats en een uitrekking van tijd: als een draad wordt men door de tijdruimte getrokken. Ik kan dit niet helemaal uitleggen, wie wel eens vliegt moet maar begrijpen wat ik bedoel. Het heeft uiteraard te maken met boven de aarde zweven, niet los en vrij, maar opgevouwen in een foedraal waar men de slaap deelt met een vreemdeling aan weerszijden achter de ellebogen. Tussendoor is het steeds maar slepen en wachten, verder gaan, weer sjouwen en weer in de rij staan en doorgaan. Een luchtreiziger, dat is, zou je denken, iemand die aan de aardbodem ontstegen is, die van de lucht leeft, die waait waar hij wil, die bovenaards reist.

Wat wil je later worden? - Luchtreiziger.

Maar het gaat daarboven anders toe. Toch zou het verstandig zijn die luchtreizen op te vatten als een voorbode van het hiernamaals, waar het immers van alles op aarde het dichtst bij komt, ruimtereizen uitgezonderd, maar dat zijn dan ook regelrechte hemelvaarten, op proef weliswaar, en met recht van terugkeer.

Maar dan valt allereerst iets op waar in de eschatologische literatuur tot nog toe weinig aandacht aan is besteed, maar dat toch heel plausibel is: het is in het bovenaardse uitermate krap bemeten. Een beetje becijferde theoloog had dit kunnen verwachten, gezien het aantal zielen dat daar blijvend moet worden opgeslagen.

Ook het kabinepersoneel kan wat mij betreft op voor de eeuwigheid: dienstbaar, begripvol doch streng, zoals moeders in kinderrijke gezinnen, en net als de licht overwerkte engelenschare die we straks mogen verwachten.

De scheiding tussen hemel en hel ligt dan ongeveer tussen Royal class en toeristenklasse, met business class als louteringsberg. Omdat de eerste-klasse passagiers voorin zitten en het eerst mogen instappen, moeten de gewone passagiers hen passeren op weg naar hun beklemde zitplaatsen. De uitverkorenen zijn blootgesteld aan de blikken van het aanschuifelend gemeen. Niet dat er gestaard of zelfs maar echt gekeken wordt, er doen zich rapid eye movements voor, een bliksemsnel ogenrollen. Hoe kan ik dit licht genoeg beschrijven? Het is niet zo dat de passagiers van de toeristenklasse door het middenpad trekken met gebalde vuist, 'krapte' roepend, terwijl de luxe-reizigers elkaar geamuseerd aanstoten. Nee, het gaat om de allerkleinste expressie van de allerkleinste emotie, met een energiequantum dat het bewustzijn van de betrokkenen nauwelijks raakt. Dit is alleen te verwoorden in de bewegingsleer van de elementaire deeltjes: een mu-pathon afgunst botst daar met een pi-pathon hoogmoed, in een triljoenste seconde vormt zich een klassenhaat-kern die vervolgens uiteenvalt in twee elementaire emoties, een linksdraaiend deeltje schaamte en een rechtszwenkend partikel ressentiment die slechts waarneembare sporen achterlaten op een uiterst gevoelige monitor.

Het is en blijft een kleine slag voor het zelfgevoel dat andere mensen voorgetrokken worden; het zelfgevoel wil dat niet weten, weigert het op te merken of verzint verzachtende omstandigheden. En omgekeerd blijft het riskant zo openlijk gezien te worden als de bevoordeelde partij door een optocht van achtergestelden. Niets van die wrijving is zichtbaar, nauwelijks iets is merkbaar, behalve onaffe zinnetjes die als uiteenvallende kernen even oplichten op het scherm van de hersenen: 'ook niet veel extra voor drie keer zo duur', 'kijk dat verwende wicht nou toch', 'als je zoveel reist moet je wel business'.

De elementaire-affectpsychologie geldt ook voor de territoriumstrijd die in de toeristenkabine woedt. De passagiers zijn daar in rijtjes van drie of vier naast elkaar gezet, twee buren delen telkens een armleuning. Dat is vragen om moeilijkheden en toch komt het daar zelden of nooit toe, althans niet zichtbaar. Die leuning is van begin af aan voor de sterkste. Maar gaandeweg, als de reis al een eindweg op gang is, begint een puntig elleboogje zich te weren, het boort wat om zich heen, zoekt een minimaal oppervlak om quasi-argeloos de arm te steunen, gebruikt dat meteen als bruggehoofd en begint heel lichtjes, maar bepaald niet liefelijk te wrikken. Op de hypersensitieve affectmonitoren is nu een sterk verhevigde activiteit waarneembaar, sporen lichten op van 'doodklap', 'beuken', en ook 'weg, engerd' of 'nou ik eens', maar met het blote oog is hiervan niets te bespeuren; twee uitgestreken gezichten, de een in krant, de ander in uitzicht verdiept. En dan, een minieme verschuiving: de ene partij vouwt de arm achter het hoofd, de ander neemt de gehele leuning in beslag. Geen woord is gesproken, geen blik gewisseld, maar op het affectscherm flitsen de pathonen dooreen: 'ziezo, hebbes', en 'krijg ik nog wel, pak ik terug'.

Ik moet bekennen dat ook ik opkom voor mijn halve leuning, of mijn hele voor de helft van de tijd. Ik doe dat als bescheiden en redelijk mens uit principe, omwille van de verdelende rechtvaardigheid. De brutalen hebben de halve wereld al, nu niet ook nog mijn hele armsteun. Beleefd doch beslist plant ik van tijd tot tijd mijn onderarm strategisch dwars op de leuning en begin kalm te drukken, klaar voor de por en als het moet vechtensbereid.

Wat vreemd toch dat mijn buren maar niet willen begrijpen dat het mij niet om dat armzalige leuninkje te doen is, maar enkel om de gerechtigheid.