Heraldiek

HUBERT DE VRIES: Wapens van de Nederlanden. De historische ontwikkeling van de heraldische symbolen van Nederland, België, hun provincies en Luxemburg

222 blz., geïll., Jan Mets 1995, ƒ59,90

Aan het ridderlijk levensgevoel van de twaalfde eeuw dankt het Westen veel van zijn opvattingen over eer en liefde, en ook zijn blazoenen. De distinctieven die op gevels, zegels, schilderijen en meubilair staan afgebeeld gaan terug op de beschilderde wapenrusting waarmee de adel zich in die dagen van de andere standen onderscheidde. De heraldiek heeft zich in de loop der eeuwen wel ontwikkeld onder druk van politiek en mode, maar de oervormen uit de romaanse verbeelding van eertijds, waaronder de leeuw en de adelaar, behoren nog altijd tot dat geheimzinnig erfgoed. De schrijver van Wapens van de Nederlanden besteedt een hoofdstuk aan de christelijke symboliek van de leeuw, en speculeert ook elders over verborgen betekenissen in de voorstellingen. Maar die bescheiden pogingen brengen al zoveel tegenstrijdigs aan het licht dat hij meestal snel terugkeert naar de lagere regionen, die overigens interessant genoeg zijn.

Het zijn de wapens van de politieke lichamen waarvan De Vries ontstaan en ontwikkeling beschrijft; de geslachtswapens, die zich in een veel grotere belangstelling verheugen, treden in dit boek alleen op voorzover zij bijdroegen aan de openbare tekenen. Op een heel illustratieve manier - het boek is van vele mooie plaatjes voorzien - laat het werk van De Vries zich ook lezen als de moeizame ontworsteling van het publieke belang aan dynastieke verwikkelingen. De Nederlanden waarover de titel spreekt manifesteren zich voor het eerst in de vijftiende eeuw dankzij het plak- en scheurwerk dat de Bourgondische hertog Philips de Goede met Vlaanderen, Friesland en Holland verrichtte. De schilden en zegels van feodale heerlijkheden, of het nu steden of graafschappen waren, moesten zich toen een eerste overheidsbemoeienis laten welgevallen.

De hoofdstukken die aan de verschillende landsdelen gewijd zijn, onderzoeken het lot van de stoere leeuwen en adelaars ter plekke die achtereenvolgens door de Duitse keizers, Bourgondiërs, Spaanse koningen, Staten-Generaal, Franse bezetters en Oranje-monarchen getemd, en op hun nummer gezet werden. Want de complicaties tussen de instituties in de samenleving weerspiegelden zich in de onderverdeling van het wapenschild in 'kwartieren', in de toevoeging van mini-schildjes en andere kunstgrepen die afbreuk deden aan de feodale eenvoud.

De aardigste ogenblikken in deze beeldhistorie zijn te danken aan het uit de pas lopen van de emblemen, als bijvoorbeeld de Oostenrijkse Habsburgers hun lang vervlogen rechten op de Spaanse troon onverdroten vorm blijven geven in hun wapens, of als de toch zo protestantse Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën zachtmoedig instemmen met de handhaving van het Mariabeeldje in het wapen van Drenthe. Met enige spijt beschouwt de lezer een zestiende-eeuwse Nederlandse leeuw die zich dapper weert binnen een gevlochten omheining, een veel sprekender zinnebeeld van onze toestand dan de latere versies. Het boek is niet geheel vrij van jargon, maar de bevreemding die een term soms oproept staat het lezen niet in de weg. Grotere verbazing wekt de herhaalde bewering dat de Hohenstauffer Frederik II in 1245 ten val werd gebracht. Een paapse wensdroom, maar geen geschiedenis.