Helende handen

A.N. Wilsons verhandeling over de toekomst van het Huis van Windsor is veruit het beste boek dat ik de afgelopen jaren over de crisis in de Britse koninklijke familie heb gelezen (The Rise and Fall of the House of Windsor, Sinclair-Stevenson 1993; in hetzelfde jaar ook in het Nederlands uitgebracht door Prometheus). Het is een verfrissend onsentimenteel, intelligent betoog over de wereldvreemdheid van de Britse koningin en haar omgeving, de hypocrisie van het Britse establishment en de deerniswekkende verkniptheid van prins Charles, de vermoedelijke opvolger van de troon.

Alles wat prinses Diana afgelopen maandagavond in het Panorama-interview met de BBC over haar miserabele positie in die omgeving heeft gezegd, staat in vrijwel dezelfde woorden al in dat bijna drie jaar geleden verschenen boek. Hoewel Wilson zich in zijn veelzijdige oeuvre nog niet eerder met het Britse koninklijk huis had beziggehouden en zich als journalist altijd verre had gehouden van de meute royalty-watchers, bleek hij nauwkeurig op de hoogte te zijn van de interne verhoudingen in 'het paleis' (verzamelnaam voor de diverse, door crisis besmette Britse paleizen). Wilson had het nodige ontleend aan Andrew Mortons geruchtmakende boek Diana: Her True Story uit 1992 (waarvan hij onmiddellijk de authentieke bron kon thuisbrengen), maar zijn negatieve oordeel over de prins van Wales steunde op eigen waarnemingen die hij in de loop der jaren kennelijk aan gene zijde van de paleishekken had verzameld.

Wilson behoorde tot de eerste publicisten die zich niet geringschattend uitlieten over de 'helende handen' van de prinses, maar haar zonder ironie bestempelden als een moderne heilige. Wilson onderkende in haar vermogen om zieken en eenzamen te troosten (door Charles schamper afgedaan als haar 'Moeder Teresa-nummer') en in haar meer dan incidentele aandacht voor AIDS-patiënten ongewone mentale eigenschappen. Volgens Wilson verklaarde die belangstelling haar immense populariteit bij het volk maar maakte haar ook tot vijand van de gevestigde koninklijke orde. De Engelsen hebben, aldus Wilson, altijd de Kroon vereerd, zonder erg geïnteresseerd te zijn in de koningin, “om de eenvoudige reden dat zij niet echt interessant is”. Maar sinds Diana de koninklijke santenkraam heeft overgenomen en nog de enige 'royal' is in wie de Engelsen werkelijk belang stellen, is die institutionele verering “in dezelfde mate verminderd waarmee de afkeer van de familie voor Diana is toegenomen”. De rest van de familie weet zich, volgens Wilson, geen raad met Diana's populariteit en met de effecten van haar neus voor publiciteit, maar weet ook niet wat er te koop is in de wereld die de prinses zich tot werkterrein heeft gekozen. De radicale bisschop van Norwich, met wie ze een aantal telefoongesprekken voerde, geloofde zijn oren niet toen Diana hem de eerste keer >>> EINDE KOLOM upon mysterieus toevertrouwde dat ze een bijzondere antenne had voor het leed van mensen in nood. “Ik begrijp het lijden van de mensen en hun pijn - more than you will ever know”.

Omdat Wilson een auteur is met een zekere hang naar het satirische, die in zijn stukken in The Observer, The New Statesman en Times Literary Supplement nogal eens de draak steekt met de opgeblazenheid van de hogere klasse, is het des te opmerkelijker dat zijn waardering voor Diana's onvermoeibare ziekenbezoek gespeend is van een raillerende ondertoon. Wilson is overtuigd van haar oprechte betrokkenheid bij de zieke mensheid (waarom zou ze anders haar beide zonen naar het ziekbed van terminale AIDS-patiënten meeslepen?), maar hij ziet haar werk ook als een vervulling van het Lourdes Verlangen van het lichtgelovige volk. Nadat Diana had verklaard dat zij ook een neus voor de pijn van de wereld had (“It's not only AIDS, it's anyone who suffers, I can smell them a mile away”), schreef hij: “Sinds Queen Anne de zieken door handoplegging genas, heeft een koninklijk personage nooit meer zulke dingen gezegd”. Diana stond volgens Wilson in een koninklijke traditie, die al uit de zeventiende eeuw bekend is. Charles II (wiens scrofulose door handoplegging was genezen) herstelde bij zijn Restauratie in 1660 het oude gebruik van het aanraken der zieken, dat steunde op het geloof dat koningen krachtens hun goddelijke uitverkiezing begiftigd waren met bijzondere genezende gaven. James II, William en Mary, en Anne, beschikten allemaal over zulke gaven, maar bij de komst van de Hannovers op de Engelse troon bleek die kracht niet langer te werken. Van dat moment af geraakte het 'touching the sick for the King's Evil' in onbruik.

Drie jaar geleden (toen zijn boek uitkwam) was Wilson er al van overtuigd dat prinses Diana de machtsstrijd in de familie gewonnen had: in de eerste plaats door haar communicatieve kwaliteiten, die haar plaats in de Britse volksziel hadden verankerd, maar ook door haar vastbeslotenheid de troefkaart die zij in handen had uit te spelen. In de publieke discussie over de Britse monarchie draait alles om de vraag wie de volgende drager van de kroon is. Wordt het Charles, dan komt het volgens Wilson nooit meer goed met de gekwelde Windsors, wordt het zijn zoon William, dan kan de storm nog gaan liggen. De speculaties concentreren zich op die laatste optie sinds de prinses de ongeschiktheid van haar man voor het koningschap ter sprake heeft gebracht, “knowing the character”. Maar dat was uitgerekend haar enige beoordelingsfout in het vraaggesprek met de BBC. De kwaliteiten van de troonopvolger doen voor het opvolgingsrecht immers niet ter zake. De erfopvolging vraagt niet naar geschiktheid, maar naar beschikbaarheid. De Engelse geschiedenis heeft genoeg figuren op de troon gekend die er volgens het criterium van geschiktheid nooit hadden mogen komen. Maar ze moesten wel op grond van hun geboorterecht.