Eend

Uit zijn oren groeide meer haar dan er op zijn hoofd zat. Hij droeg een zonnebril en op zijn witte blouse, in de buurt van zijn navel, zat een grote koffievlek.

Toen ik uit zijn taxi wilde stappen had Theodore Lopatin zich omgedraaid en gezegd: “Luister, ik heb een ongebruikelijk verzoek.”

Hij had me aangekeken met zijn kleine bruine oogjes en op een gebruikte enveloppe schreef hij de naam en het adres van een cafetaria. “Morgenavond half negen,” zei Theodore.

In de tien minuten die we samen hadden doorgebracht had Theodore Lopatin me verteld dat hij Vietnam-veteraan was zonder ooit in Vietnam te zijn geweest. “Mensen van vierhonderd pond konden ze in Vietnam niet gebruiken,” zei hij. Daarna had hij bijna een halve minuut hartelijk gelachen.

Nu zat ik tegenover hem in een uitgestorven cafetaria en hij lachte weer. Dit keer vlogen er kleine stukjes meloen uit zijn mond die op mijn trui en op mijn armen terechtkwamen. Hij was fruitsalade aan het eten.

“Vindt u dit niet zonde?” vroeg ik om op een beleefde manier een einde te maken aan deze douche van eten. En met een lepel viste ik een fijngemalen druifje uit mijn glas water. Theodore Lopatin was goedlachs. Even tilde hij zijn zonnebril op om beter naar het druifje te kunnen kijken. Toen schudde hij zijn hoofd en zei alleen maar: “Het is menselijk.”

“Wat is uw ongebruikelijk verzoek?,” vroeg ik.

“Eerst eten,” zei hij. Nu pas in het felle licht van het cafetaria zag ik dat de huid rondom zijn mond schurftig was. Toen hij klaar was met eten veegde hij met een servet zijn hele gezicht schoon en zei: “En nu goed luisteren.”

Het was weer gaan regenen. De eigenaar van de tent stond hoofdschuddend naar buiten te kijken.

“Zesentwintig jaar geleden,” zei Theodore, “stapte op een avond een man met een diplomatenkoffertje in mijn taxi. Een mooie man. Een man met veel geld. Dat zag je meteen. Ik was niet mooi en ik had niet veel geld, dan let je op dat soort dingen. Ik was net begonnen, ik deed toen nog nachtdienst. De man ging naast me zitten en hij zei: 'Chauffeur, ik heb een ongebruikelijk verzoek.'

“Ik begon te lachen.”

Theodore deed na hoe hij toen gelachen had, maar ditmaal kwam er geen eten uit zijn mond, alleen water.

“ 'Laat maar horen, dat verzoek', zei ik. 'Chauffeur', zei die man, 'je moet me tot zeven uur in de ochtend rondrijden.'

Ik schudde mijn hoofd en opende het portier. 'Daar verlies ik op', zei ik. 'Chauffeur', zei die man, 'ik ga niet meer uit deze taxi voor het morgenochtend zeven uur is.'

'Goed', zei ik, 'ik reken vijftig dollar per uur.' En ik dacht dat zal hem wel afschrikken. Maar uit zijn binnenzak haalde hij vijf briefjes van honderd, legde die voor me neer, en vroeg: 'Dekt dit de kosten?'

Ik startte de auto.

'Chauffeur, hoe heet je', vroeg de man.

'Theodore', zei ik, 'en u?'

'Mijn naam doet er even niet toe', zei hij, 'wat voor sterrenbeeld ben je Theodore?'

'Oh God', dacht ik, 'een psychopaat'.

Maar ik zei: 'Weegschaal.'

'Heel goed', zei hij, 'Theodore, ik wil dat je me de komende vier nachten ophaalt op de plek waar je me vandaag hebt opgepikt en me tot zeven uur rondrijdt. Voor iedere nacht krijg je vijfhonderd dollar.'

Ik stak een sigaret op. Ik rookte toen nog erg veel.

'U bent gek', zei ik en ik dacht aan mijn vrouw van wie ik op het punt stond te scheiden en aan sigaretten, want ze waren bijna op.

'Theodore', zei de man, 'ik wil een weddenschap met je afsluiten.' '' De eigenaar van het cafetaria kwam naar ons toe gelopen. Hij veegde de stukjes fruit die Lopatin had uitgespuugd met een doekje op de grond.

“Als het 's ochtends licht werd,” zei Theodore, “haalde hij een backgammonspel uit zijn koffer en op de parkeerplaats van een benzinestation moest ik dan backgammon spelen. Hij was niet erg goed. Een keer vroeg hij of ik even wilde stoppen, hij moest plassen. Toen hij terugkwam had hij een eend gekocht. 'Vanavond eten we eend, Theodore', zei hij. Ik zei: 'Mijn hele bekleding wordt vet, man.'

Hij opende zijn diplomatenkoffertje en hij legde die eend in zijn koffertje. Toen hebben we samen eend gegeten. Het hele koffertje droop van het eendevet. Ik dacht nog, ik had wel raad geweten met zo'n prachtig koffertje.

Hij krabde over zijn wang. Er lieten schilfertjes los die op de blauwe tafel vielen. Net roos, maar dan iets groter.

“Een paar maanden later,” zei Lopatin, “kwam ik zijn foto tegen in de krant. Misschien had ik wat meer tegen hem moeten zeggen, of had ik hem een keer moeten laten winnen met backgammon. Maar ja, het is menselijk. Ik knipte zijn foto uit. Ik was inmiddels gescheiden, en ik weet niet waarom maar ik deed zijn foto in mijn portemonnaie waar vroeger die van mijn vrouw had gezeten. De bitch.

Uit zijn broekzak haalde hij zijn portemonnaie tevoorschijn en hield de foto onder mijn neus. Een vergeelde foto uit de krant. Er was niet veel op te zien. “Het blijft de hele nacht regenen Lopatin,” zei de eigenaar.

Hij stond weer voor het raam.

“Hij heeft mijn leven veranderd, de klootzak,” zei Theodore en hij keek naar het stukje krant in zijn portemonnaie. Hij begon weer te lachen. Als hij lachte werd zijn hoofd rood en rond als een voetbal. Alleen zijn oogjes bleven bruin.

“Ik vertel dit verhaal iedereen die mijn taxi binnenstapt, of ze willen of niet,” zei hij triomfantelijk.

Maar toen begonnen zijn oogjes te glimmen. Hij drukte zijn dikke wijsvinger tegen mijn borst en zei: “Maar met jou...” Hij verslikte zich en begon te hoesten. “Maar met jou,” herhaalde hij, “wil ik een weddenschap afsluiten.”