Een boertige hemelbestormer; Bolland op zoek naar de Zuivere Rede

WILLEM OTTERSPEER: Bolland

633 blz., geïll., Bert Bakker 1995, ƒ75,-

Een jongen die geboren wordt in de goot en de meest besproken Nederlandse filosoof van zijn tijd wordt: zo iemand verdient bij voorbaat sympathie. Maar in het geval van Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland (1854-1922) komt die sympathie wel snel onder druk te staan. Bolland was niet alleen het type van de duistere filosoof uit de Teutoonse school, hij was ook een ruziezoeker, een dwingeland en een striemend bestrijder van het merendeel van de verlichte en emancipatoire bewegingen van zijn tijd. Bollands biograaf Willem Otterspeer, conservator van het Leidse universiteitsmuseum en schrijver van een boek over de geschiedenis van de Leidse universiteit, had het er merkbaar moeilijk mee. Het boek beweegt zich, niet altijd even gemakkelijk, tussen de tegenpolen van afkeer en fascinatie.

Voor beide zijn goede redenen. Bolland bracht het, als zoon van Groningse kermisklanten, met alleen een leraarsbevoegdheid voor de HBS op zak tot hoogleraar wijsbegeerte aan de eerbiedwaardige universiteit van Leiden. Hij schreef een niet aflatende stroom boeken, artikelen, schotschriften en polemieken over alle denkbare onderwerpen en betoverde studenten en toehoorders. De cultus rond zijn persoon ging verder dan die rond enige andere Nederlandse filosoof, met uitzondering van die van Spinoza. Van vrouwelijke zijde nam de belangstelling, ondanks Bollands anti-emancipatoire donderpreken, soms de vorm van ware dweepzucht aan. Tot ver na zijn dood hielden bewonderaars zijn gedachten levend in genootschappen en leeskringen. Ook nu zijn 'Bollandisten' nog geen geheel uitgestorven soort.

Als filosoof paste Bolland goed in het klimaat rond de eeuwwisseling, waarin het zoeken naar het hogere en diepere vaak nogal bizarre vormen aannam. Het was het hoogtij van de theosofie en het spiritisme: de new age van het fin de siècle. Mathieu Schoenmaekers preekte zijn 'christosophie' en introduceerde de term 'Beeldend denken' die door Piet Mondriaan en Theo van Doesburg gretig tot 'Nieuwe beelding' werd omgevormd. Even gretig las Mondriaan Bolland, die van zijn rivalen op zijn beurt maar bitter weinig weten wilde. Furieus keerde hij zich in woord en geschrifte tegen de theosofie, tegen de vrijmetselarij en alle andere obscurantismen die hem in werkelijkheid alleen maar concurrentie aandeden.

Polemiek

Erg veel duidelijker was zijn eigen filosofie van de Zuivere Rede niet. Maar ze klonk, met haar ingenieuze woordkunst en de onnavolgbare dialectiek die Bolland aan zijn grote inspirator Hegel ontleend had, ontegenzeglijk diepzinnig. En daarom lieten Mondriaan, Albert Verwey, Lodewijk van Deyssel, Berlage en Annie Verschoor zich er graag door bedwelmen. Net als een hele schare minder illustere bewonderaars, die steeds minder vaak uit studentenkringen en steeds talrijker van buiten de universiteit bij zijn lezingen toestroomden.

Waaraan dankte Bolland zijn succes? Aan zijn verschijning, suggereert Otterspeer. Hij moet een imposant redenaar geweest zijn, virtuoos de taal manipulerend wanneer hij dat voor zijn filosofische uiteenzettingen nodig had en vuur spuwend tegen echte of vermeende vijanden wanneer dat zo uitkwam. En vaak kwam dat zo uit. Bollands publieke bekendheid steunde voor een belangrijk deel op zijn nietsontziende polemiek tegen ieder die het waagde met hem van mening te verschillen, of dat nu de klemtoonregels van het Grieks, de natuurwetenschappelijke atoomleer of de schandkroniek van het katholicisme betrof.

Toch verklaart dat niet dat Bolland veel van zijn aanhang via zijn geschriften kon winnen. Hij bewandelde daarbij verrassend moderne wegen door zijn denkbeelden terwille van de eenvoudiger zielen samen te vatten in kernachtige spreuken die in tijdschriften verschenen en later werden gebundeld. Ze moeten door talloze devoten vele malen zijn nagepreveld.

Bovendien waren niet al zijn volgelingen bevlogenen of warhoofden. Ook mensen met een goed verstand kwamen langere of korte tijd in zijn ban. Wel keerden zij zich op den duur bijna allemaal van hem af, maar die breuk werd eerder veroorzaakt door Bollands extreme gevoeligheid voor tegenspraak dan door een radicale afwijzing van zijn denken - al draaide het daar van de weeromstuit tenslotte wel op uit. Hoe Bolland deze geesten heeft kunnen begoochelen wordt in Otterspeers biografie niet erg duidelijk, zoals ook nogal schimmig blijft hoe hij in 1896 - hij is op dat moment HBS-leraar in Indië - door de Leidse letterenfaculteit unaniem naar voren kon worden geschoven voor het hoogleraarsambt filosofie. Kennelijk had Bolland bij velen nogal wat krediet, maar Otterspeer kan niet uitleggen waarom, omdat hij hem als denker volstrekt niet en als mens maar nauwelijks serieus neemt. In het begin van zijn boek omschrijft hij Bollands leven als een 'schelmenroman', aan het slot ervan is de filosoof voor hem een toneelspeler geworden uit de oude, melodramatische doos, die geheel met zijn rol was vergroeid. Ongetwijfeld had Bolland een groot theatertalent, en vermoedelijk ook veel van een schelm in zich. Het pleit voor de man dat hij zijn eigen 'hegelarij' soms schaamteloos kon ironiseren. “Ik zelf ben verliefd op zinnen, waarin ik zoo kan spreken, dat ik denk 'ik zeg de zuivere waarheid' en toch, als vitters zeggen 'dus hebt u dat bedoeld', even eerlijk zeggen kan: 'Nee, dat heb ik nu eens níet bedoeld',” verklaarde hij ooit. Het pleit ook voor hem dat hij zijn hemelbestormende zinnen kon afwisselen met de meest boerse humor: “De oorspronkelijke evangelist had zich den Heer even weinig als vleescheter gedacht als hij zich dien bezig konde denken aan eene groote bah,” zo polemiseerde hij tegenover het kerkelijke christendom.

Maar al die potsen betekenen nog niet dat het Bolland in zijn woordenvloed niet om iets wezenlijks te doen was. Men kan zich moeilijk een gedrevene als Bolland voorstellen die niet werkelijk door een idee bewogen werd. Otterspeer vat de boeken van Bolland ontegenzeglijk met heldenmoed samen. Maar wat de man filosofisch dreef blijft daarin een dode letter. Niet omdat Otterspeer zelf te veel geporteerd is voor een 'aangenaam pragmatisme' - zoals hij het zelf noemt - om dit soort proza tot leven te wekken. In zijn weergave van het denken van Hegel is hij verrassend to the point. Maar omdat hij het in het geval van Bolland waarschijnlijk niet interessant en misschien niet eens relevant genoeg vond.

Rüdiger Safranski, die de biografieën van Schopenhauer en Heidegger schreef, liet zien hoe men een levensgeschiedenis kan schrijven zonder door dat leven geheel te worden opgeslokt, en toch duidelijk kan maken waardoor dat leven werd voortgestuwd. Naar Safranski's werk heeft ook Otterspeer zijn boek gemodelleerd, maar hij blijft bij dat voorbeeld ten achter omdat Safranski's mengsel van ernst en ironie bij hem geheel naar de ironie is doorgeslagen.

Otterspeer schrijft als een geamuseerde toeschouwer die het spektakel zorgvuldig op een afstand houdt met een op den duur nogal vermoeiende geestigheid. Hij zet Bolland met graagte op zijn plaats en relativeert zijn woorden doorlopend met sarcastische terzijdes. Dat gebeurt zo routinematig dat Bolland zich ook bestraft ziet over zaken waarin hij toevallig gelijk had. Zo waagde hij het ooit de grote natuurkundige Lorentz op de vingers te tikken omdat hij aan de hypothese van de ether bleef vasthouden. Otterspeer vindt dat maar ongehoord, maar zo schandalig was het niet. Die hypothese was al zo'n tien jaar eerder door het experiment van Michelson en Morley weerlegd.

Bolland kon lastig zijn, zoals zijn voormalige leerling K.J. Pen ondervond, die in Leiden wilde promoveren op een proefschrift waarin hij zijn oude leermeester hard kritiseerde. Bolland weigerde, en had daartoe als voorzitter van de faculteit het recht. Maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of Pens dissertatie werd alsnog ontvankelijk verklaard. “De wraak van de faculteit was zoet,” schrijft Otterspeer. Anderen zouden het eerder lafhartig noemen.

En dan is er Bollands antisemitisme. Een 'lakmoesproef' noemt Otterspeer het in zijn hoofdstuk over Eduard von Hartmann, Bollands eerste leermeester voordat hij Hegel ontdekte. Het was een lakmoesproef voor of tegen de liberale moderniteit die zich uitte in democratie en de emancipatiebewegingen van katholieken, vrouwen en joden. Bolland moest er niets van hebben en vooral de katholieken hebben dat aanvankelijk geweten. Maar berucht werd Bolland tenslotte met zijn rede 'De teekenen des tijds', die hij in 1921, een jaar voor zijn dood, ziek en vermoeid uitsprak. Het is allereerst een filippica tegen de democratie, maar herinnerd wordt de rede vooral vanwege de acht bladzijden waarin hij met dolle kop te keer gaat tegen 'het internationale Jodendom'. “In ons midden wonen duizenden van fatsoenlijke Joden,” schreef hij ogenschijnlijk verzoenend, maar “ze blijven vreemdheden in òns onjoodsch organisme, onverteerbaarheden en onverwerkbaarheden, die in het Europeesche samenlevingsgestel ziekelijkheid van gevoel en onwelzijn veroorzaken, tot verettering toe.” En voorts: Het “van nature verkeerde internationale Jodendom” is “eene geduchte macht gebleken tot ontwrichtende, ontbindende en ontredderende revolutioneering; te midden der anderen, in wier instellingen hij overal en altijd het vreemde ziet en bestrijdt, is de Jood wel verstandig vitter en afbreker, maar geen gemoedelijk en heil brengd opbouwer. Hij is geboren splijtzwam, spelbreker en vredeverstoorder, omwentelaar en anarchist.”

Was Bolland een antisemiet geworden? Ja, zegt Otterspeer, en dat verbaast de lezer niet, want zo'n honderd bladzijden eerder heeft de auteur een uitvoerig lofrede op Bollands geestelijk leiderschap al becommentarieerd met een: Führer, wir folgen. In zijn ironie maakt Otterspeer het zich nog wel eens makkelijk. Maar een echte antisemiet was Bolland volgens Otterspeer nu ook weer niet: hij zou in de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld aan de goede kant hebben gestaan. Bollands gewraakte woorden kwamen niet uit zijn eigen denken voort, maar waren 'een toevallige figuur' die samenhingen met zijn persoonlijk leven. Die figuur was Bollands enige, licht getikte zoon, die zich in mislukte pogingen tot literaire schepping inderdaad nogal onvriendelijk over het jodendom had uitgelaten.

Neerbuigendheid

Otterspeers verklaring is - zoals hij toegeeft - nogal speculatief en voor een man als Bolland, die zich aan de meningen van anderen alleen maar iets liet gelegen liggen om ze te bestrijden, op zijn minst opmerkelijk. Maar Otterspeer laat zich wel vaker tot dit soort speculaties verleiden. Wanneer Bolland zich in 1909 van zijn meest verlichte kant laat zien en zich keert tegen de anti-bordelenwet die prostitutie strafbaar stelt, ziet Otterspeer Bollands moeder aan de einder verschijnen. Het gerucht ging dat zij ooit met het oudste beroep ter wereld de kost voor haar kinderen verdiende en zou dat, aldus Bollands biograaf, niet de geheime reden zijn van zijn opmerkelijke ruimdenkendheid?

Het blijft een gezochte suggestie, die kenmerkend is voor Otterspeers neiging Bollands leven uit diens afkomst te verklaren. Uiteindelijk is Bolland voor hem altijd de autodidact gebleven die zich aan zijn behoeftige afkomst had ontworsteld en de wereld wel eens zou laten zien wat hij in zijn mars had. En dat deed Bolland: door hard te schreeuwen, over zoveel mogelijk onderwerpen en met zoveel mogelijk geleerde woorden. Het verleden moest vergeten worden; het werd hoogstens een keer opgehaald om de bijzondere verdienste van de grote man extra in het zonnetje te zetten.

Die afkomst bracht Bolland zijn biograaf nabij, schrijft Otterspeer, zelf opgegroeid in een dorp van boeren en schippers, “op het breukvlak van vrijgevochten ondernemerschap en rechtzinnig protestantisme”. Dat laatste is in het boek duidelijk voelbaar. Otterspeer ergert zich heftig aan de vervloekingen die Bolland over zijn vijanden uitstrooide, maar aan die tegen de roomsen toch iets minder.

Het toont zich ook in zijn ironische distantie tot de man, die af en toe het karakter van neerbuigendheid krijgt. Helemaal serieus zal men iemand nooit nemen, wanneer men in al zijn woorden de strategie van de sociale stijging leest. Niet toevallig beroept Otterspeer zich bij zijn uitgangspunten op sociologische theorieën uit de school van Pierre Bourdieu.

Maar daar keert de ironie zich tegen hem, want dat principe laat ook de biograaf niet buiten spel. Als heel Bollands leven één grote theatrale poging was om zich te verwijderen van zijn nederige afkomst, dan lijkt Otterspeer in zijn zorgvuldig gedistantieerde toonzetting die nuffigheid alleen maar te herhalen. Bolland mocht dichterbij komen, maar met zijn opzichtig stigma van parvenu toch liever niet te dichtbij.