Edward O. Wilson (1929); Bromvliegenvanger

EDWARD O. WILSON: Naturalist

380 blz., geïll., Island Press 1995, ƒ55,-

De bekende Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson is de bedenker van de enige feilloos werkende methode om bromvliegen te vangen. “Beweeg je open hand langzaam in de richting van de vlieg, tot je zo'n twintig centimeter van z'n neus af bent. Denk erom, geen zijwaartse bewegingen maken, daar zijn ze erg gevoelig voor. Beweeg je hand dan snel op vijf centimeter hoogte tot boven de vlieg. Hij zal opvliegen en precies in het midden van je handpalm terecht komen.” Wilson heeft als schooljongen op deze manier wel eens twintig vliegen gevangen in een les van één uur - een persoonlijk record. Hij legde ze als trofeeën in een rij op de schoolbank voor de volgende leerling. Toen de leraar de vliegelijken vond, was die zo sportief om Wilson hiermee de volgende dag voor de klas te complimenteren.

De heroïsche vliegenvangst was het begin van een lange carrière in de natuurlijke historie, waarvan Wilson rekenschap aflegt in zijn recente autobiografie met de kernachtige titel Naturalist. Wetenschappelijke faam kreeg hij als hoogleraar aan de universiteit van Harvard toen hij in de jaren zestig - samen met de wiskundige Robert MacArthur - aan de hand van een reeks experimenten de baanbrekende 'evenwichts-theorie van de eiland-biogeografie' formuleerde. Deze theorie legt een kwantitatief verband tussen de biodiversiteit en de grootte van eilanden; bij een tienvoudig kleiner oppervlak bleek het aantal diersoorten ongeveer te halveren.

De grootste bekendheid buiten de Verenigde Staten kreeg Wilson in 1990 met het samenstellen van het monumentale naslagwerk The Ants. In deze bijna vier kilo zware, maar uiterst leesbare bijbel van de myrmecologie is alle kennis over mieren opgenomen die vijf jaar geleden waar ook ter wereld in rapporten, onderzoeksverslagen en tijdschrift-artikelen te vinden was. The Ants ontving de Amerikaanse Pulitzer-prijs in de categorie non-fictie.

Het slimmigheidje met de - kansloze - bromvliegen is in alle opzichten kenmerkend voor Wilson. Hij paart een grenzeloze interesse in het gedrag van dieren, vooral insekten, aan een niet van, zij het milde, ijdelheid gespeende ambitie. Ook het schrijven van een autobiografie, is Wilson goed afgegaan. Naturalist is zoals zijn andere werk. Geen wetenschappelijke verhandeling van een moderne prikkebeen, maar een toegankelijke, humoristische vertelling.

Oergevoel

De lastig te vertalen term 'naturalist' staat voor die typisch negentiende-eeuwse kruising van natuurwetenschapper en ontdekkingsreiziger, zoals Charles Darwin, Alfred Russel Wallace en Alexander von Humboldt dat waren. Wilson voelt zich aan hen verwant. Hij propageert het echte biologische 'veldwerk' van zijn voorbeelden en treedt ook letterlijk in hun voetsporen. Peuren in rotsspleten op Cuba en Nieuw-Caledonië, boomstronken omrollen in Nieuw-Guinea, en keien kantelen in Mexico en Australië, dat is zijn stiel. Altijd is hij op zoek naar ooit, of juist nog nooit beschreven mierensoorten. Uit dit boek blijkt dat Wilson zijn fascinatie voor de dierenwereld in het algemeen en insekten in het bijzonder niet goed kan verklaren. Dat hij ontvankelijk was voor wat doorgaans 'het wonder der natuur' heet, bleek toen hij tijdens een vakantie in zijn vroege jeugd een levensgrote kwal in zee zag en zich afvroeg of dit één dier was, of een hele kolonie van samenwerkende kleine beestjes. Ook een reusachtige rog, die pal onder de steiger doorzwom waarop Edward zat, maakte een soort oergevoel in hem wakker. “Zo ontstond de 'naturalist' in mij”, schrijft hij. “Als kind herken je misschien het archetype van een tijdloos, onkwetsbaar, ontoegankelijk en onuitputtelijk waterlandschap.”

De fascinatie is gebleven. Wilson schrijft met net zoveel enthousiasme over het vangen van kikkers, salamanders en vissen in het moeras achter het ouderlijk huis in Alabama, als over het zoeken - tientallen jaren later - naar de Nothomyrmecia, een primitief soort mier, tijdens een expeditie in het Australische achterland. “I've got the Notho-bloody-myrmecia!” klonk de inmiddels klassieke uitroep van een collega toen het diertje was gevonden.

Merkwaardigerwijs is Wilson niet erg geïnteresseerd in het individuele dier. “Hoe de vlieg te doden?” doceert Wilson schijnbaar onbewogen. “Knijp je hand dicht. Discreet, als je in een restaurant of een collegezaal bent.” Hij schiet als jongen moerasslangen met een katapult en hij kijkt als student met bewonderende huiver toe hoe een door hem gevangen reuzensalamander in een terrarium de ene na de andere rivierkreeft levend tussen zijn kaken kraakt. En hij is een verwoed visser. Dat wreekt zich wanneer Wilson op jonge leeftijd de giftige rugvin van een aangeslagen vis in zijn oog krijgt. Sindsdien moet hij een lens missen; des te knapper om twintig vliegen in een uur te vangen.

Wilsons belangstelling richt zich op de organisatie van animale samenlevingen als geheel. Met aan obsessie grenzende volharding heeft hij van tientallen mieren-volken de strakke hiërarchie van koningin, arbeidsters en soldaten bestudeerd, maar ook de parasieten die meerijden op de ruggen van de mieren en zich voeden met het kliervocht van hun gastheren.

Carrière

In de jaren zestig merkte Wilson dat zijn inventariserende aanpak begon achter te lopen bij de dan overheersende oriëntatie van de biologie. Terwijl Wilson nog probeerde te bewijzen dat een bepaald type grotmier van Trinidad ook gewoon in de buitenlucht in de Surinaamse jungle voorkwam, waren de meesten van zijn collega's inmiddels een meer wiskundige weg ingeslagen. Wilson begon zich, zo bekent hij, zorgen te maken over zijn carrière. Maar hij werd gered door het 'Florida Key experiment'. Samen met MacArthur bedacht Wilson een model waarin het dynamisch ecologisch evenwicht van een eiland en zijn flora en fauna uitgedrukt kan worden. De theoretische voorstelling van zaken probeerden de twee biologen in de praktijk te toetsen op de Krakatau. Deze vulkaan buiten de kust van Java ging in 1883 voor het grootste deel de lucht in. Slechts maagdelijke rots bleef achter. Een Nederlands veldstation deed eens in de zoveel tijd waarnemingen over de aanwezige vogelsoorten. Maar hoewel het kwantitatieve model van Wilson en MacArthur wel het totale aantal soorten vogels na zoveel tijd juist voorspelde, bleken nieuwkomers de inmiddels inheemse vogels niet in het verwachte tempo af te lossen.

De theorie moest verder worden uitgewerkt, maar meer Krakataus waren niet gemakkelijk te vinden, en biogeografische laboratoria ter grootte van een levenloze vulkaan waren niet op afroep beschikbaar. “Er was maar één manier om het probleem op te lossen: het systeem miniaturiseren,” concludeerde Wilson. De kleine eilandjes voor de kust van Florida brachten uitkomst. Door sommige van deze keys met een kort werkend insekticide te steriliseren, ontstonden mini-Krakataus met insekten als rekeneenheid. De dichte mangrove-begroeiing moest met de hand worden uitgeplozen op aanwezigheid van de teruggekeerde fauna. “Dit karwei vereiste de gecombineerde vaardigheden van insekten-systematicus, rietdekker en inspecteur van de keuringsdienst van waren”, luidt het droogjes in Naturalist. De experimenten resulteerden in een valide model; Wilsons naam was voorgoed gevestigd. De jaren zeventig begonnen minder voorspoedig. Wilsons analytische blik op de onderliggende machinaties van de biologie bracht hem in een lastig maatschappelijk parket. Zijn conclusie dat alle gedrag van dieren wordt bepaald door hun genen was bepaald niet populair. Op het niveau van insekten was een en ander misschien niet erg omstreden. Al eerder was vast komen te staan dat de taakverdeling in een mierenkolonie berust op een enkel grondprincipe: zoveel mogelijk van de eigen, individuele genen door te geven aan een volgende generatie. Wilson trok de vergelijking echter door naar andere diergroepen - en naar mensen. Hij betoogde dat psychologie, ethiek, religie en de geschiedenis in hetzelfde licht moeten worden bezien als het overlevingsprincipe van de mierenkolonie; de sociobiologie was voor hem de Moeder van alle Wetenschappen. Op de Universiteit van Harvard vond Wilson zijn vakgenoten Richard Lewontin en Stephen Jay Gould tegenover zich. Zijn controversiële ideeën kostten hem behalve een ongemakkelijke omgang met deze naaste collega's ook een nat pak toen een toehoorder van een wetenschappelijke conferentie een emmer water over hem uitstortte.

Cultuurveranderingen

In Naturalist nuanceert Wilson zijn toenmalige theorieën over de sociobiologie. Het blijkt dat hij inmiddels, schoorvoetend lijkt het haast, meer waarde toekent aan de vrije wil. “Het brein is het produkt van genetische evolutie”, schrijft hij. “Het bezit een keur aan vooroordelen die worden gevoed door zintuiglijke waarneming. Deze vooroordelen beïnvloeden in onbekende mate de cultuur. De genetische evolutie van de belangrijkste eigenschappen van het brein had echter plaats in een omgeving die in belangrijke mate door cultuur werd bepaald. Cultuurveranderingen moeten dus het brein hebben veranderd.”

De interactie tussen nature en nurture vat Wison samen met de uitdrukking 'co-evolutie van genen en cultuur'. Maar in feite blijft de kern van zijn sociobiologische gedachte recht overeind: “De Papoea en de Manhattan-mens zijn 50.000 jaar geleden uit elkaar gegaan, maar toch begrijpen ze elkaar om de simpele reden dat ze dezelfde genetische achtergrond hebben.”

Tegenwoordig oogst Wilson wereldwijde instemming met zijn strijd tegen de mondiale bedreiging van de biodiversiteit. “Het ergste wat kan gebeuren, en ook zal gebeuren,” waarschuwt hij, “is niet het opraken van de olie, een economische ineenstorting, een beperkte nucleaire oorlog of de machtsovername door een totalitair regime, maar het verlies aan genetische diversiteit door de voortschrijdende vernietiging van natuurlijke habitats. Deze stommiteit zullen onze nakomelingen ons waarschijnlijk nog het meest verwijten.”

Wilson adviseerde daarom het World Wildlife Fund for Nature om niet alleen diersoorten met een hoge aaibaarheidsfactor te beschermen, maar de gehele leefomgeving te redden uit de klauwen van industriële projectontwikkelaars, bosbouwers en grootvervuilers. Dit beleid wordt tegenwoordig door alle natuurbeschermingsorganisaties, ook Nederlandse, in praktijk gebracht. Het is ook Wilsons verdienste geweest dat de weigering van de Amerikaanse president Bush om in 1992 op de Milieutop in Rio de Janeiro de Convention on Biological Diversity te tekenen overal ter wereld kritiek losmaakte. Naturalist staat vol fotografische bewijsstukken van de internationale waardering voor Wilsons inspanningen: Wilson met Prins Philip van Groot-Brittannië, die hem een prijs van het Wereld Natuur Fonds overhandigt; met de keizer van Japan bij de uitreiking van de Internationale Prijs voor de Biologie en met de koning van Zweden bij het opspelden van de Crafoord Prijs van de Zweedse Academie van Wetenschappen. Edward Wilson is het beste jongetje van de klas. Nog steeds.