De rode telefoon

Toen president Boris Jeltsin ziek werd nadat hij er al weken meer en meer had uitgezien alsof hij het zou worden, stelde de woordvoerder van het Kremlin de wereld gerust.

Hoe ziek ook, de president had altijd het koffertje met de rode knop bij zich. Je was het al bijna vergeten. Jeugdsentiment Koude Oorlog. In het koffertje met de rode knop zit een rode telefoon die direkte verbinding geeft met ook zo'n telefoon in het Witte Huis. Hebben de supermachten min of meer opzettelijk een zeer hoge sport van de escalatieladder bereikt, is het bijna onvermijdelijk dat het kernwapen zal worden gebruikt, dan is er nog altijd de rode telefoon om elkaar daarover zekerheid te verschaffen, of om van het laatste redmiddel af te zien. Dat zijn twee mogelijkheden. Dan is er nog de derde: het kan zijn dat door een misverstand, kortsluiting of wat dan ook opeens een kernraket onderweg is naar de bevriende hoofdstad. Dan dient de rode telefoon om te melden dat dit niet de bedoeling is. Precies vijf jaar na het einde van de Koude Oorlog klinkt dat alles absurd, maar zo was destijds de werkelijkheid, en vóór de installatie van de rode telefoon was het nog absurder. Toen was absurd heel gewoon.

Jaren had ik niet aan de rode knop en telefoon gedacht. Toch vond ik het een geruststelling te weten dat president Jeltsin dag en nacht, ziek of niet, het apparaat bij zich heeft. En daarover mijmerend schoot het me te binnen dat waarschijnlijk wel ieder mens ogenblikken kent waarop hij zelf zo'n telefoon zou willen hebben. Je krijgt ruzie, het loopt hoog op, denkt: dit wordt te gek en grijpt je rode telefoon die je altijd in je zak hebt. Of je doet iets, het projectiel is onachterhaalbaar onderweg en dan meld je dat het per ongeluk is afgegaan. Mensen die als kind op straat hebben gevoetbald, zullen dat verlammend ogenblik van het besef der onherroepelijkheid kennen. Daar gaat de bal, richting ruit van de buren of van je eigen huis. Je ziet de ballistische curve, het is alsof je naar een vertraagde film kijkt. Het projectiel raakt het glas, dit wijkt, traag valt de schervenregen terwijl de bal in het donker van een huiskamer verdwijnt. Pak dan je rode telefoon.

Het raadsel van het onachterhaalbaar onderweg zijn strekt zich uit tot alles, van de komeet die al lichtjaren lang op de aarde toe raast, tot de woorden die we in een toevallig gesprek met een toevallige partner wisselen. In het laatste geval is het alsof het woord materie is geworden: daar gaat het, en met onontkoombare zekerheid zal het binnen de fractie van een ogenblik het trommelvlies van de ander raken, als de bal de ruit, en dan doordringen tot het brein dat we als de huiskamer beschouwen. Je ziet een vrouw voor haar moeder aan, komt op het verkeerde feestje binnen en merkt dit pas na een hele poos nadat je een paar vertrouwelijkheden hebt prijsgegeven, of komt op het goede waarheen je toevallig bent meegenomen en roddelt over de gastheer die de gastheer blijkt te zijn. In de vooroorlogse Haagsche Post was daarvoor een rubriek: Wat doet A? en had je Amy Groskamp-Ten Have's Hoe hoort het eigenlijk?, een soort Vom Kriege van de omgangsvormen.

Dit alles ter inleiding van een merkwaardig geval dat ik onlangs hoorde. Het gaat over een verslaggeefster van de radio die zich specialiseert in avontuurlijke reportages. Ze had van een vrouw gehoord die ieder jaar met een kudde kamelen van Kairo naar Khartoem trok. Dat was haar liefhebberij. De journaliste zag er een interessant verhaal in en vroeg of ze mee mocht. Vanzelfsprekend, maar dan op voorwaarde dat ze zich goed zou voorbereiden, met woestijnkleren en het vooruitzicht op lange dagen en nachten van eenzaamheid. De verslaggeefster had al voor heter vuren gestaan en verzekerde dat ze niet van opgeven zou weten.

En dan is er nog iets, zei de kamelenhoedster. Hoe is het met je apparatuur? Het kan zijn dat we in een zandstorm terecht komen en dan waait alles vol.

Daar had de verslaggeefster nog niet aan gedacht. 'Wat raad je me aan?'

Het leek de kamelenhoedster het best om de 'nagra' (de naam voor het opname-apparaat) in een plastic zak te verpakken, ongeveer zoals winkeliers dat met hun kasregister doen, en voor de microfoon een dozijn sterke condooms mee te nemen.

De verslaggeefster vond het een goed idee, ging naar de drogist en zei: 'Meneer, mag ik een dozijn sterke condooms van u want ik moet met een kudde kamelen door de woestijn.'

Daar gingen haar woorden, over de toonbank, onherroepelijk naar het trommelvlies van de drogist. 'Ik zag de klanken door de lucht vliegen,' vertelde ze later. 'Verkeerd! Verkeerd! En niets meer aan te doen.'

Het effect van de inslag was onbeschrijfelijk. De drogist keek verwilderd, kreeg een kleur en ging op de stoep staan om haar na te kijken.

Jaren geleden heeft Jaap van Heerden een essay geschreven over de vraag waarom mensen zo vaak een toelichting geven bij hun daden: het waarom verklaren terwijl dat helemaal niet wordt gevraagd. Daaraan moest ik in de volgende fase denken. Ieder teveel aan woorden vergroot de kans dat je zo'n onherroepelijke lancering tot stand hebt gebracht.