De nazi's gepaaid

JOHANNES HOUWINK TEN CATE: 'De Mannen van de Daad' en Duitsland, 1919-1939. Het Hollandse zakenleven en de vooroorlogse buitenlandse politiek

326 blz., geïll., Sdu 1995, ƒ45,-

'De Mannen van de Daad' en Duitsland, 1919-1939, waarop Johannes Houwink ten Cate, onderzoeker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, afgelopen maandag in Utrecht promoveerde, is een studie van de Nederlandse buitenlandse politiek tegenover Duitsland en de invloed daarop van een aantal machtige Nederlandse zakenlieden. Daarbij denkt de auteur niet alleen aan echte tycoons zoals Karel van Aalst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), F.H. Fentener van Vlissingen van de Steenkolen Handelsvereeniging (SHV), Ernst Heldring van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij (KNSM) en de reder A.G. Kröller - vergelijkbare empire builders als Philips of Plesman komen niet ter sprake -, maar ook aan Colijn, die zijn fortuin bij de Koninklijke Petroleum Maatschappij (Shell) maakte, de president van de Nederlandsche Bank G. Vissering en de excentrieke Duitse bankier Fritz Mannheimer.

Uit de vaak vermakelijke biografische schetsen die de auteur van zijn hoofdrolspelers geeft, blijkt dat zij veel gemeen hadden: een snelle carrière die hen op jonge leeftijd al op de hoogste posten bracht, een groot gevoel van eigenwaarde en geloof in de toekomst, maatschappelijke betrokkenheid en de overtuiging dat zij een wat versufte, bange, vormelijke generatie aflosten. Aan de hand van een gedetailleerde beschrijving van de belangrijkste Duits-Nederlandse kwesties uit de jaren twintig schetst Houwink ten Cate hun macht in de buitenlandse politiek.

Nederland bevond zich na de Eerste Wereldoorlog in een lastig parket. Het werd zwaar geschaad door het verlangen van de Geallieerden Duitsland geheel uit te knijpen, maar beschikte als neutrale mogendheid over weinig mogelijkheden daarin verandering te brengen. Zonder herleving van de Duitse economie bezaten de Nederlandse reders geen achterland meer, de Nederlandse kolenhandelaars geen aanvoer, de Nederlandse boeren geen afzet. Geen wonder dat voormannen van economisch Nederland probeerden de verslagen en vernederde reus Duitsland zo snel mogelijk weer overeind te krijgen. Bankpresident Vissering organiseerde een internationale conferentie over het economisch herstel van Midden-Europa, Van Aalst nam het initiatief tot het zogenoemde Tredefina-verdrag, dat krediet voor Duitsland ruilde voor kolen (en een gegarandeerde winst voor kolenmagnaat Fentener van Vlissingen). Oogluikend werd toegestaan dat via Nederland Duitse produkten werden verhandeld die het daglicht niet konden verdragen, zoals wapentuig, terwijl de Amsterdamse haute finance haar kluisdeuren opende voor het Duitse vluchtkapitaal.

Campagne

In de praktijk, zo meent Houwink ten Cate, werd het beleid betreffende deze aangelegenheden bepaald door drie verschillende elites: de partijleiders, de diplomatie en het zakenleven. De partijleiders waren als het er op aankwam het machtigst, maar lieten deze macht zelden gelden op het gebied van de buitenlandse betrekkingen. Zolang het kiezersvolk daarin weinig geïnteresseerd was, waren de politici dat ook niet. Buitenlandse Zaken werd beschouwd als een 'technisch' ministerie, de bijbehorende bewindsman als een politiek weinig ter zake doend persoon.

Juist wegens de betrekkelijke onverschilligheid van de werkelijke machthebbers voor Buitenlandse Zaken kon dit ministerie het domein blijven van de traditioneel in de diplomatie oververtegenwoordigde protestants-liberale aristocratie. De personificatie bij uitstek van deze elite is in Houwink ten Cate's visie H.A. van Karnebeek, minister van buitenlandse zaken van 1918 tot 1927. Zijn ingetogenheid, vormelijkheid en voorzichtigheid symboliseren het oude Nederland dat door de assertieve 'Mannen van de Daad' aan de kant geschoven werd. In de strijd tussen de minister en de zakenlui die volgens Houwink ten Cate de diepere achtergrond vormde van het Nederlandse Duitsland-beleid, deelde Van Karnebeek de eerste klap uit. Direct na de Eerste Wereldoorlog ontmantelde hij de Nederlandsche Overzee Trustmaatschappij, de door Van Aalst geleide, uiterst machtige organisatie waarvan de taak er tijdens de Eerste Wereldoorlog uit bestond om, zoals een tijdgenoot het uitdrukte, 'zoveel mogelijk te importeren zonder herrie met de Engelsen te krijgen'.

Van Aalst en de zijnen sloegen in 1925 terug met een harde campagne tegen het door Karnebeek ondertekende verdrag met België. Deze overeenkomst voorzag onder andere in een kanaal tussen Antwerpen en de Rijndelta, een vooruitzicht dat Amsterdamse en Rotterdamse havenbaronnen in het geheel niet aanlokte. Het verdrag sneuvelde in 1927 in de Eerste Kamer, Van Karnebeek trad af. Het was, schrijft Houwink ten Cate, “de laatste overwinning” van 'de Mannen van de Daad'.

Maar niet van hen alleen. Het verzet tegen het Belgische verdrag kwam ook uit waterstaatkundige en ultra-nationalistische kringen (noodlottig verenigd in ir. A.A. Mussert, die als secretaris van de campagne de smaak van de politiek te pakken kreeg), werd ferm aangewakkerd door het wijdverbreide anti-Belgische sentiment onder de bevolking en liep dwars door de partijen heen. Zelfs minister-president De Geer merkte privé op dat hij weinig in het verdrag zag.

Neutraliteitspolitiek

Omdat Houwink ten Cate het optreden van de 'Mannen van de Daad' meer beschrijft dan analyseert, blijft hun precieze invloed in deze en andere kwesties schimmig. Ook wordt niet geheel duidelijk in hoeverre zij nu een groep vormden. Zij trokken zelden een gemeenschappelijke lijn, deden allereerst wat hun uitkwam en voelden, zo geeft Houwink ten Cate expliciet aan, geen onderlinge solidariteit. Van Aalst beschouwde niet alleen de 'ouderwetse' Van Karnebeek als zijn vijand, maar ook zijn 'bentgenoot' Vissering. Ook handelden zij niet automatisch uit zakelijk eigenbelang. Ernst Heldring bijvoorbeeld was in de jaren dertig principieel tegen devaluatie, terwijl een goedkopere gulden zijn zakenimperium uit het slop had kunnen halen. Het blijft dan ook de vraag in hoeverre het zinvol is de 'Mannen van de Daad' als aparte machtsfactor, ja zelfs als 'pressiegroep' op te voeren.

Dat bezwaar knelt in het bijzonder in de tweede helft van het boek, dat de jaren dertig behandelt. De rol van de grote zakenlui was na de beurskrach uitgespeeld, maar wordt in Houwink ten Cate's verhaal overgenomen door Colijn. Die was zowel politicus als 'Man van de Daad', zegt de auteur. Omdat nergens scherp wordt gedefinieerd wie de Mannen van de Daad precies waren is die formule moeilijk te weerspreken, maar overtuigend is ze niet. Colijn kende het Nederland zakenleven natuurlijk goed uit zijn tijd bij de 'Koninklijke', maar hij was toch allereerst partijleider en staatsman. Het door de kooplieden eensgezind bestreden Belgische verdrag had hij gesteund. Zijn harnekkige verdediging van de gouden standaard was goed voor spaarders, maar slecht voor exporteurs. Nergens blijkt dat Colijn zich in verdachte mate liet leiden door zakenbelangen. De doorwrochte hoofdstukken die Houwink ten Cate wijdt aan Colijns Duitsland-politiek zeggen dan ook weinig over het vraagstuk waar het allemaal om begonnen is, de invloed van het zakenleven op de buitenlandse betrekkingen.

Interessant zijn ze ondertussen wel. De auteur werpt zich op als enthousiast pleitbezorger van Colijn, die sinds de oorlog door enkele toonaangevende historici, L. de Jong bijvoorbeeld, is verguisd om zijn aanpak van de crisis en zijn als laf en naïef gekarakteriseerde neutraliteitspolitiek. Colijn, zegt Houwink ten Cate, werd geconfronteerd met onoplosbare problemen. De Nederlandse economie vereiste een sterk, de Nederlandse veiligheid een zwak Duitsland. De neutraliteitspolitiek was in zoverre onzinnig, dat iedereen een Duitse aanval kon zien aankomen, maar bood tevens de enige kans, hoe minuscuul klein ook, om die te voorkomen. Het Nederlandse geschipper tegenover nazi-Duitsland mag achteraf geen verheffend tafereel zijn, een serieus alternatief was er niet. Het Duitsland dat Nederland nodig heeft, rijk èn vreedzaam, ontstond pas na de oorlog. Daarmee beëindigt Houwink ten Cate zijn boek op een strijdbare noot, maar wel ver verwijderd van zijn uitgangspunt.