De bond met vreemde grond

Breyten Breytenbach: Landschappen van onze tijd, vermaakt aan een beminde. Vert. Adriaan van Dis. Uitg. Meulenhoff/Van Gennep, 83 blz. ƒ 34,90.

Onlangs ontving de schilder-schrijver Breyten Breytenbach in de Verweyhal in Haarlem voor zijn dubbeltalent de Jacobus van Looyprijs. Bij die gelegenheid werd ook een overzichtstentoonstelling van zijn schilderijen geopend. Tussen de surrealistische doeken vol dieren en maskers, hingen als spandoeken in de ruimte gedichten die door Breytenbach op rijstpapier geschreven waren. Gevraagd naar het verband tussen schrijven en schilderen, zei Breytenbach dat hij het schrijven van proza ervaart als een moeizaam, langdurig intellectueel proces, maar dat hij dicht zoals hij schildert, associatief en intuïtief, spelend met beelden en klanken.

Een goede gelegenheid tot (hernieuwde) kennismaking met Breytenbachs gedichten biedt de onlangs verschenen bundel Landschappen van onze tijd, vermaakt aan een beminde. Veel van Breytenbachs in het Afrikaans geschreven poëzie is in Nederland onvertaald uitgegeven, met soms als enige tegemoetkoming aan de lezer een verklarende woordenlijst. Dit keer heeft zijn uitgever echter gekozen voor de weldaad van een tweetalige uitgave.

De landschappen die in deze bundel worden opgeroepen verwijzen, volgens vertaler Adriaan Van Dis in de verantwoording, naar oorden waar Breytenbach dikwijls verblijft - Spanje, Gorée (Senegal) en Zuid-Afrika. Deze landschappen zijn, om met Breytenbach te spreken, echter ook 'geestschappen', waarop hij zijn levensdrift projecteert en zijn ervaringen met vergankelijkheid en dood.

De bundel opent met een serie beschrijvingen van een herfstig Spaans heuvelgebied die, hoewel matter en ingehoudener, doen denken aan vroegere lofzangen van de dichter op de natuur van zijn geboorteland. Ze spreken van een voorzichtig hoopvol heden en een vredige voorbereiding op de toekomst, van de pogingen van de balling Breytenbach om 'nu het herfst is' een 'tweede keer, hachelijker want definitief', 'de bond met vreemde grond' aan te gaan. Deze verzen lijken net zoals die over Gorée (Eiland 1 en 2) ter plekke geschreven onder impuls van waarneming en stemming. De verwijzingen naar Zuid-Afrika worden daarentegen gepresenteerd als gefilterd door het geheugen. Het zijn angstige 'nachtgedachten' zoals de Herinneringen van de haas: 'Wat me bijblijft is het dreunen/ van militaire vrachtwagens (-)/ de klap van geweerkolven in je lendenen/ dan de doffere klap van lichamen/ in de laadbak bibberend gehurkt/ als hazen gespitst op onzichtbaarheid/ open ogen betrapt in de spies licht'.

In Breytenbachs Landschappen zijn beeldvondsten, klanksymboliek en taalexperimenten tot een hecht geheel verweven. De bundel is een lange variatie op het thema van de vergankelijkheid, maar dank zij Breytenbachs creativiteit ook een overwinning op diezelfde vergankelijkheid. 'Een pyrrusoverwinning natuurlijk', zei hij zelf daar eens relativerend over. 'Het is of je in de lucht spuugt en hoopt dat het niet in je eigen gezicht valt'.