Dayton-akkoord noopt tot bezinning op buitenlands beleid; VS helpen falend Europa voor vierde maal uit moeras

Het begon allemaal in Kosovo. De Serviërs in dit toen nog autonome deel van de Joegoslavische republiek Servië voelden zich geïntimideerd door de Albanese meerderheid, die bovendien het apparaat van de plaatselijke communistische partij in handen had. De partijtop in Belgrado stuurde Slobodan Milosevic naar Kosovo om de etnische vuurtjes uit te trappen. Maar hij nam juist een vat benzine mee. Op de golven van het Groot-Servische sentiment liet hij zich vervolgens naar het presidentschap van de republiek Servië stuwen.

Economisch relatief krachtige republieken als Slovenië en Kroatië zagen de tekenen aan de wand. Zij hadden hun toekomst in het verenigd Europa geprojecteerd, niet in een door Serviërs gedomineerd Joegoslavië. Het harde politie-optreden tegen de Albanezen in Kosovo en de gewelddadige manipulaties van Milosevic werkten daarbij als katalysator. Niet de internationale bemoeienis maar de ontketende hyper-nationalistische krachten in het land zelf dreven de Joegoslavische republieken uiteen. De buitenwacht stond erbij en keek ernaar en wist, toen het al te laat was, niet beter te doen dan om een moratorium vragen in een onomkeerbare beweging. De uiteindelijke erkenning van Slovenië en Kroatië en ten slotte ook van Bosnië-Herzegovina en Macedonië als soevereine staten was niet meer dan het zich neerleggen bij het onvermijdelijke. Niet verschillend van de reactie op het uiteenvallen van Tsjechoslowakije. De boze tongen die anders beweerden waren niet meer dan dat: boze tongen.

In de voorafgaande jaren waren de scherpe kanten van de Koude Oorlog afgeslepen in het zogenoemde Helsinki-proces. De stabiliteit in het verdeelde Europa was gekocht met een formele bevriezing van de status quo. Deze garandeerde de Sovjet-Unie de suprematie in Oost-Europa, die zij in 1944/45 tegen een hoge prijs had verworven, en West-Europa de betrekkelijke veiligheid van erkende en per algemene Europese overeenkomst in beginsel onaantastbaar verklaarde grenzen.

De eerste en traumatische doorbreking van de naoorlogse toestand was de hereniging van Duitsland. Voormalige vijanden en slachtoffers van nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, Frankrijk en Polen wisten zich slechts met moeite bij de nieuwe situatie aan te passen. Niet alleen omdat het nieuwe Duitsland werd gewantrouwd, maar ook omdat niemand voorzag waartoe de beweging zou leiden die met de val van de Muur was ingezet en die de naoorlogse orde omverwierp. Met de spanningen die de Koude Oorlog van tijd tot tijd opriep was men vertrouwd geraakt, de nieuwe labiliteit veroorzaakte angstgevoelens. Nostalgie naar een overzichtelijk verleden maakte zich breed.

Korte tijd schenen de zaken in de hand te kunnen worden gehouden. Voortzetting van het Helsinki-proces leek de aangewezen weg. De Parijse top van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa van eind 1990 werd dan ook gezien als de bekroning van de over het algemeen vreedzame wijze waarop de ingrijpende veranderingen in Europa zich hadden voltrokken. Velen waren ervan overtuigd dat een systeem van collectieve veiligheid 'van Vancouver tot Vladivostok' Europa voortaan zou bewaren voor de verschrikkingen van hete en koude oorlogen. Maar met het begin van de Joegoslavische crisis van de zomer van 1991 werd Europa al weer uit deze schone droom wakker geschud.

Tegen de achtergrond van de gebeurtenissen van 1989 tot 1991 is het begrijpelijk dat de Europese regeringen reageerden zoals ze reageerden. Het Europa van de Twaalf had zich juist voorgenomen een Europese Unie op te richten teneinde het nieuwe Duitsland en het vrije Oost-Europa daarin te kunnen verankeren. In december 1991 zou op een conferentie van de Europese Raad van staats- en regeringsleiders in Maastricht daartoe worden besloten. Wat lag meer voor de hand dan in de Joegoslavische crisis met toepassing van de instrumenten van 'Helsinki' alvast een voorschot te nemen? Waarnemers en bemiddelaars stroomden toe. Conferenties werden opgezet en plannen gesmeed om het onvoorstelbare, het uiteenvallen van een gevestigde Europese staat, te voorkomen. Maar de crisis bleek een open val te zijn die achter het verenigde Europa dichtklapte toen het niet over de machtsmiddelen bleek te beschikken om de elkaar bestrijdende Joegoslavische partijen compromissen niet alleen beleefd voor te stellen, maar ook op te leggen.

Er moesten vier verschrikkelijke jaren verstrijken, jaren waarin het 'Nooit meer' een loze kreet bleek te zijn geweest, alvorens er zich een wending aankondigde. Die wending wordt nu onder bijzonder moeilijke omstandigheden volbracht onder Amerikaanse leiding. Voor de vierde maal deze eeuw zijn de Verenigde Staten bereid gevonden om Europa uit het moeras te helpen waarin het door zijn verdeeldheid en zijn onvermogen om de eigen zaken op vreedzame wijze te regelen steeds weer is geraakt.

De VS hebben lang afstand bewaard tot de Joegoslavische crisis. Met als argument dat hier geen vitale Amerikaanse belangen op het spel stonden, werd het aan de Verenigde Naties en aan Europa overgelaten om orde op zaken te stellen. Amerika was vermoeid geraakt van het leiderschap in de wereld en had zich daarbij diep in de schulden gewerkt. Het laatste Amerikaanse hoogstandje, het demasqué van Saddam Hussein, was deels met marken, yen en Arabische oliedollars gefinancierd. De Europeanen moesten nu maar eens zelf hun problemen oplossen. En monter als deze aanvankelijk waren, toonden zij zich maar al te bereid de vredesoperaties in Bosnië voor hun rekening te nemen. Slechts in de gevaarlijkste brandhaard, op het kruispunt van Servische, Bulgaarse, Turkse en Griekse belangensferen, Macedonië, werden ter afschrikking enkele honderden Amerikaanse militairen gelegerd.

Voorlopig vergt de uitvoering van het Dayton-akkoord, ook van Europa, alle aandacht en energie, en het zal nog lang onzeker blijven of hiermee de Joegoslavische crisis wezenlijk onder controle kan worden gebracht. Maar bezinning op wat de Joegoslavische ervaringen betekenen voor de voorgenomen Europese samenwerking in de buitenlandse politiek en het veiligheidsbeleid kan niet uitblijven. Er waren de goede bedoelingen en er zijn legio verontschuldigingen. Maar Europa heeft gefaald. Die harde werkelijkheid kan straks niet met diplomatieke formuleringen worden weggepoetst.