Camdessus: 'De mens heeft de markteconomie in zijn genen'

Enkele jaren na de introductie van de markteconomie is Vietnam al de derde rijstexporteur ter wereld. Voor Michel Camdessus, de Franse managing director van het Internationale Monetaire Fonds (IMF), is dat een bewijs dat 'de markteconomie de mens in zijn genen zit'. Bevordering van financiële stabiliteit en van economische groei is het 'beroepsmatige evangelie' van de praktizerend katholiek Camdessus. Een gesprek in drie bedrijven.

Al na ruim een kwartier staat IMF-topman Michel Cam dessus op. Een medewerker maakt hem duidelijk dat een long distance call op hem wacht. Het spijt hem echt, maar het gesprek op het Parijse IMF-kantoor moet wat hem betreft afgelopen zijn. “Het is elke dag ergens crisis”, zegt de managing director verontschuldigend. Veel tijd heeft hij dus niet meer. Het IMF heeft in zestig landen een economisch programma lopen. En de managing director wil alle dossiers kennen, van Rusland, de Nederlandse Antillen en Vietnam tot Oeganda.

Vanuit het IMF-hoofdkwartier in Washington is Camdessus op doorreis in Parijs. Dezelfde middag moet hij zich haasten om het vliegtuig te halen naar Zürich, waar hij een lezing geeft, en daarna moet hij weer door naar Oslo. Maar Camdessus is flexibel en vriendelijk. In de krappe Peugeot naar het vliegveld Charles de Gaulle zit de welbespraakte Fransman op zijn praatstoel, met zijn diplomatenkoffertje op schoot en daarbovenop twee bandrecorders. Het derde bedrijf van het vraaggesprek vindt plaats in de vertrekhal.

Michel Camdessus is begaan met het lot van mensen. Als praktiserend katholiek en als hoofd van de Bretton Woodsinstelling wil hij de levensomstandigheden van velen verbeteren. “Ik ben bevoorrecht dat ik in mijn beroep een bijdrage kan leveren om de ellende in de wereld een beetje te verlichten.”

Op de vraag of hij een 'missie' heeft en wat dan zijn 'evangelie' is, pakt Camdessus een verfrommeld, met geel viltstift bewerkt papiertje uit zijn borstzak. Het is een kopie van artikel 1 van de IMF-statuten. “Dit heb ik altijd bij me”, zegt hij en hij begint artikel één voor te lezen, waarin staat dat het IMF tot taak heeft financiële stabiliteit en economische groei in de wereld te bevorderen. “Op dit vodje staat alles waarvoor ik betaald word om te doen. Dit is mijn beroepsmatige evangelie. Daarnaast speelt het evangelie in mijn privé-leven als christen een belangrijke rol.”

Het IMF, zegt Camdessus, beschikt over een unieke deskundigheid wat betreft het macro-economische beleid van landen. Dank zij de informatie die wordt verzameld bij het jaarlijkse toezicht op alle lidstaten, groot en klein, is het IMF in staat om “landen te vertellen wat goed en verkeerd is, welk beleid werkt of niet”. Het Fonds bestaat vijftig jaar en na de val van het Sovjet-communisme zijn vrijwel alle landen van de wereld (met uitzondering van Cuba en Noord-Korea) lid.

Kritici beweren dat IMF-programma's de armsten in een land het hardst raken.

“Er zijn zoveel misverstanden over wat het resultaat van onze programma's is. Ik probeer dat voortdurend uit te leggen. Als ik een land bezoek, ga ik altijd naar mensen van wie ik weet dat ze gekant zijn tegen wat we doen. Vaak academici, of vakbondsleiders en leden van de oppositie. Voor mij is absoluut helder dat géén aanpassing en géén inspanning om de inflatie te verlagen de armen het hardst raakt. Inflatie is een belasting van de armen.”

Bent U tevreden over de voortgang van het IMF-programma in Rusland?

“Ja. Rusland heeft een heel ambitieus programma, dat op maandelijkse basis wordt gecontroleerd (gebruikelijk is IMF-toezicht per kwartaal; red.) Tot nu toe gaat het goed. De inflatie is nog wat hoger dan we hadden gehoopt, maar de Russen - en niet het IMF - hebben de hyperinflatie verslagen. We onderhandelen nu over een programma voor drie jaar waardoor Rusland in staat zal zijn om een echte markteconomie te ontwikkelen.”

Bent U bang dat de komende verkiezingen zullen leiden tot versoepeling van het monetaire beleid?

“Dit risico is universeel. Je hebt in democratieën met verkiezingen te maken en dat vormt een test voor de vastbeslotenheid van politici. Het risico van populisme is altijd aanwezig, in Rusland niet meer dan in andere landen. De Russische parlementsverkiezingen vinden over enkele weken plaats en tot nu toe houden de regering en de centrale bank vast aan hun beleid.”

Zit de markteconomie wel in de genen van de Russen?

“Het is waar dat Rusland vòòr de tijd van het communisme geen ervaring had met een markteconomie. Maar de mens heeft de markeconomie, de wetten van vraag en aanbod, in zijn genen. Kijk naar de boeren in de afgelegen delen van de wereld. Die weten precies wat een markteconomie is. Neem als voorbeeld Vietnam. In de jaren tachtig maakte Vietnam een hongersnood mee, omdat onder het socialistische regime de prijzen door de regering werden vastgesteld en de handel in handen was van staatsorganen. De boeren produceerden niet. Tweeëneenhalf jaar na de introductie van een markteconomie is Vietnam de derde rijstexporteur ter wereld. U ziet hoe de genen van de Vietnamese boeren een kans hebben gekregen zich te uiten. In Rusland heb je hetzelfde. Daar bestaat een bloeiende ondergrondse economie.”

De introductie van de markteconomie in Rusland is gepaard gegaan met schaamteloze verrijking door enkelingen. Ondermijnt dat niet de moraal van de mensen?

“U heeft gelijk. Maar vergeet niet dat de markteconomie op veel plaatsen in de wereld ontstaan is in chaotische omstandigheden. Als je een economie liberaliseert en de staat terugdringt, dan profiteren de gewiekste mensen het eerst van de nieuwe situatie. Partijbureaucraten zijn daarin niet zo handig als beroepsoplichters. Ik denk dat dit een tijdelijk verschijnsel is. Wij leggen in onze aanbevelingen grote nadruk op de bevordering van behoorlijk bestuur. We proberen de regeringen ervan te overtuigen dat ze instituties moeten opbouwen en corruptie moeten bestrijden.”

Een ander omvangrijk IMF-programma vindt plaats in Mexico. Hoe beoordeelt u daar de situatie na de peso-crisis van begin dit jaar?

“We hebben succes gehad door Mexico ervan te overtuigen dat het een heel hard programma moest uitvoeren en door te voorkomen dat de crisis zich zou uitbreiden naar andere landen. Het programma in Mexico loopt goed. Alle criteria worden gehaald, ruim binnen de gestelde tijd. We hebben zelden zo'n snelle omslag gezien in de betalingsbalans, de handelsbalans, de begroting en het monetaire beleid. Bovendien hebben de vakbonden in oktober ingestemd met een sociaal akkoord en daarmee ondersteunen ze het programma.

Toch leek onlangs een nieuwe crisis de kop op te steken.

“De inspanningen zijn zo enorm en de sociale pijn is zo groot, dat de markten gevoelig zijn voor het ongeduld in de Mexicaanse samenleving. De druk om het programma te versoepelen en de groei aan te zwengelen is groot. De markten zien die verleiding. Nu de banken hun boeken voor het eind van het jaar moeten opmaken, geven ze er de voorkeur aan geen grote posities in te nemen in een land waar politieke onrust een risico vormt.”

In Mexico was sprake van een grote toestroom van buitenlands kapitaal, dat vervolgens weer uit het land verdween. Is het standpunt van het IMF over de voordelen van vrije kapitaalmarkten hierdoor veranderd?

“Nee, maar we leren van onze ervaringen.”

Zijn IMF-programma's dan een kwestie van 'trial and error'?

“En van successen, als ik deze kleine correctie mag toevoegen.”

Terug naar het kapitaalverkeer. Wat moeten ontwikkelingslanden die daarmee te maken krijgen, doen?

“Laten we eerst vaststellen dat we jarenlang gevochten hebben tegen kapitaaluitvoer, tegen kapitaalvlucht. Dank zij een succesvol beleid is nu sprake van een kapitaalinstroom. Daarbij doen zich situaties voor dat de instroom van kapitaal zo groot is, dat dit kan leiden tot inflatie en tot instabiliteit. We zeggen tegen landen dat ze daarmee heel voorzichtig moeten omgaan en dat ze nooit buitenlands kapitaal moeten beschouwen als een vervanging van binnenlandse besparingen. Als de kapitaalinstroom te groot wordt, moet een land geen administratieve beperkende maatregelen nemen, maar macro-economische stappen nemen, zoals een groter overschot op de begroting, een versnelde privatisering van staatsbedrijven, vermindering van de buitenlandse schuld of de wisselkoers laten oplopen. Dan kun je er mee leven. Chili, maar ook andere landen, tonen dat aan.”

Het belangrijkste internationale monetaire onderwerp is de komende jaren de monetaire eenwordig in de Europese Unie. Ziet U de EMU als een politiek of als een economisch project?

“Dat onderscheid kun je niet maken. Zelfs als het uitsluitend een economische constructie zou zijn, is het buitengewoon waardevol omdat het bijdraagt aan grotere stabiliteit in de wereld. Voor Europa heeft de EMU natuurlijk ook een bredere politieke dimensie. De lidstaten geven een grote mate van soevereniteit op, daarom moet het een onderdeel zijn van een bredere aanpak. Ik begrijp de bezwaren in sommige landen. Misschien komt dat omdat de monetaire deskundigen hun werk goed hebben gedaan en degenen die belast zijn met de politieke en diplomatieke aspecten tot nu toe minder succes hebben geboekt. De monetaire en de politieke samenwerking moeten zonder twijfel samengaan, maar ik geloof dat het een vergissing zou zijn om op grond van de teleurstellingen over de politieke vorderingen ook de vooruitgang naar de monetaire unie te vertragen.”

In sommige landen bestaat veel verzet tegen de monetaire unie.

“Jazeker. De beste manier om deze moeilijkheden te overwinnen is om vast te houden aan het Verdrag en dat volledig uit tevoeren. In de Unie moet een klimaat ontstaan van vertrouwen in de uitvoerbaarheid van het project. Dat zeg ik ook steeds tegen mijn landgenoten.”

Wat vindt U van de Duitse aarzelingen? En van het recente voorstel van de Duitse minister van financiën Waigel om normen te stellen voor het begrotingstekort ná de invoering van de gemeenschappelijke munt?

“Dat kan ik heel goed begrijpen, om historische redenen. De Duitsers hebben een enorme inspanning verricht na de oorlog om de harde D-mark te creëren. De D-mark is het symbool voor de wederopbouw van het land. De Duitsers hebben dus alle redenen de D-mark niet op te offeren als ze er niet volstrekt zeker van zijn dat wat daarvoor in de plaats komt, een even harde munt is. Of zelfs harder, doordat het de munt zal zijn van een groep landen. Minister Waigel zegt: 'Maastricht is goed, maar we moeten verder kijken'. Daarin heeft hij volkomen gelijk.”

Het begrotingstekort van de deelnemende landen moet dus verder omlaag dan de norm van drie procent die in het Verdrag van Maastricht staat.

“Drie procent is niet goed als gemiddeld tekort. Als je enige speelruimte wilt hebben voor perioden van tegenvallende economische conjunctuur, moet je een gezonde basis hebben en zo dicht mogelijk tegen een evenwichtige begroting zitten in tijden van economische expansie. Daarmee heeft Waigel een goed punt. Ik wil U eraan herinneren dat de toenmalige Franse minister van financiën Bérégovoy iets dergelijks al heeft voorgesteld op de Europese top in Maastricht. Dat was toen waarschijnlijk te vroeg. We moeten in de Europese Unie streven naar een verlaging van het begrotingstekort tot ver onder die mythische drempel van drie procent.

“Ook met het oog op wat elders in de wereld gebeurt. We gaan naar een wereld waarin de Verenigde Staten in het begin van de volgende eeuw een tekort van nul procent zullen hebben. De uitvoerende en wetgevende macht ruzien nog over de invulling, maar de markten geloven dat ze dat zullen bereiken. Dat zie je aan de daling van de lange rente. Verder doet Japan nu alles om de economische activiteit weer te stimuleren, maar straks zullen ze een enorme inspanning leveren om hun tekort terug te brengen in verband met de vergrijzing van de bevolking vanaf het begin van de volgende eeuw. Europa kan domweg niet alleen doorgaan met een gemiddeld overheidstekort van zes procent op het moment dat de partners van Europa in de wereld hun begrotingsdiscipline zoveel verbeteren.”

Als in de drie grote economische blokken geen sprake meer is van overheidstekorten, wat betekent dat voor de wereldeconomie?

“Het betekent dat je in tijden van economische groei moet streven naar vermindering van de overmatige schuldopbouw, de erfenis van de jaren tachtig. Daarna zullen de overheden in deze drie economische regio's hopelijk de flexibiliteit hebben om de overheidsfinanciën goed te managen en om economische groei en monetaire stabiliteit in de wereld te bevorderen. Uw vraag is natuurlijk: zal het tot deflatoire effecten leiden...”

... en waar de besparingen van de rijke landen, die nu verdwijnen in de financiering van hun eigen overheidstekorten, naar toe moeten.

“Ik geloof dat een vermindering van de financieringsbehoefte van overheden en lagere overheidsschulden in de grote industrielanden zullen leiden tot een daling van de reële rente (de rente verminderd met de inflatie - red.). Dat bevordert de economische groei. De wereld heeft dringend behoefte aan een lagere reële rente.

“Wat betreft de vraag waar de besparingen van de industrielanden naar toe gaan, we bevinden ons in een wereldwijde economie. De besparingen zullen vloeien naar landen die markthervormingen hebben uitgevoerd en die goede mogelijkheden bieden om te investeren. Hier doen zich reusachtige mogelijkheden voor in ontwikkelingslanden en in landen die de overgang van plan- naar markteconomie maken. Ze moeten hun hele infrastructuur opnieuw opbouwen, verouderde industrieën moderniseren. Er zal absoluut geen sprake zijn van een tekort aan projecten om in te investeren.”

vraag

Nog even terug naar de EMU. Wat vindt U van de recente ommezwaai in het Franse beleid, is dat geloofwaardig?

“Het is welkom en het is geloofwaardig. De Frans-Nederlandse filosoof Descartes heeft eens gezegd dat gezond verstand het meest verbreide goed ter wereld is. De Fransen hebben daarvan ook een dosis gekregen. Ze weten dat er geen alternatief bestaat voor de inspanningen die ze nu verrichten. Als Frankrijk zijn kansen wil behouden voor het begin van de volgende eeuw, als het wil vasthouden aan groei en lagere werkloosheid, dan moet het nu alles doen wat het Verdrag van Maastricht vereist. De ontwikkelingen in Frankrijk verlopen nooit gladjes, je hebt een crisis nodig om het land te dwingen zijn beleid te veranderen. Zoals we dat ook in 1982-1983 hebben gehad. Ik herinner me dat nog goed. Maar als U ziet wat Nederland heeft gedaan, wat Groot-Brittannië heeft gedaan om te voldoen aan de criteria van Maastricht, dan valt het wel mee wat Frankrijk moet doen. Dat is veel minder en ik ben er van overtuigd dat het zal gebeuren.”

Frankrijk heeft om historische redenen moeite met een markteconomie, de bemoeienis van de staat is groot.

“Ja, natuurlijk, het sociaal Colbertisme (Colbert, minister van financiën onder koning Lodewijk XIV, grondlegger van het Franse mercantilisme; red.) is diep geworteld in Frankrijk. Maar ik geloof dat de Franse regering een heel eind gevorderd is met privatisering, deregulering en grotere flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Dat begint positieve effecten te sorteren en kan het begin zijn van een 'deugdzame cirkel' van groei.”

U heeft begin dit jaar de peso-crisis in Mexico de eerste crisis van de 21-ste eeuw genoemd. Waar voorziet U nieuwe crises?

“Als U een antwoord op deze vraag verwacht, dan twijfelt U aan mijn professionaliteit. En dat zou buitengewoon betreurenswaardig zijn.”

Japan misschien? In Japan speelt zich een bankencrisis af...

“Jazeker.”

We hebben het IMF nooit over de bankencrisis in Japan gehoord. Dat lijkt een grote omissie.

“Maar Japan heeft ons wel gehoord. Gelooft U me. We hebben deze problemen met Japan al ten minste drie jaar geleden ter sprake gebracht. De belangrijke ontwikkeling van dit jaar is dat de Japanse regering de omvang van de problemen erkent en begonnen is maatregelen te nemen.”

Betekent dit dat het Fonds over gevoelige onderwerpen niet naar buiten kan treden en daardoor door buitenstaanders bekritiseerd wordt dat het niets doet?

“Dat klopt. Het is een dilemma waarop geen eensluidend antwoord mogelijk is en dat we naar omstandigheden zo goed mogelijk proberen op te lossen. We zijn er wel aan gewend dat we beschuldigd worden en dat we de rol van zondebok vervullen. De wereld heeft kennelijk een zondebok nodig, maar ik vind het niet prettig. Want de angst die daaruit voortvloeit betekent dat landen met problemen maar al te vaak te laat naar ons toekomen.”

Wat vindt U van de Amerikaanse houding ten aanzien van multilaterale instellingen nu de terugdringing van het Amerikaanse begrotingstekort leidt tot drastische bezuinigingen?

“Ik ben daar zeer bezorgd over. Niet alleen de VS, ook andere landen nemen dit standpunt in, onder de onjuiste veronderstelling dat terugdringing van het begrotingstekort ook bereikt kan worden door te bezuinigen op ontwikkelingshulp. De rijke landen moeten begrijpen dat er geen betere investering in hun eigen toekomst bestaat dan ontwikkelingslanden bij te staan met een gezond beleid. Op dit moment doen de grootste problemen zich voor bij IDA (de afdeling van de Wereldbank die zachte leningen verstrekt aan de armste landen; red.). Dat is buitengewoon betreurenswaardig. Wat het IMF betreft weet ik dat we straks problemen zullen krijgen om ESAF (het IMF-programma van zachte leningen voor de armste landen; red.) van een duurzame financiering te voorzien. Ik ben bereid om hiervoor een deel van het goud van het IMF te verkopen, mits de donorlanden ten minste de helft van het benodigde bedrag voor hun rekening nemen.”

Vroeger was het IMF uitsluitend een monetaire instelling, zoals destijds bedoeld in Bretton Woods. Nu beweegt het zich steeds meer op het terrein van een ontwikkelingsorganisatie, daarmee overlapt het IMF activiteiten van de Wereldbank. Industrielanden nemen u dat nogal kwalijk, zij hechten aan het IMF als monetaire instelling.

“Nee, nee, nee. We hebben de ESAF als zachte faciliteit voor de armste landen, maar dat betekent niet dat we een ontwikkelingsinstelling zijn. We proberen ons werk in de armste landen te doen zonder de pijn en de financiële lasten van die landen te vergroten. We zijn een monetaire institutie en daarmee proberen we het fundament te leggen voor ontwikkeling. Gelooft U me, dat is al een enorme taak.”

Camdessus staat op van de bank in de vertrekhal van Charles de Gaulle, zijn vliegtuig naar Zürich staat op vertrekken. “Hartelijk bedankt dat u zo flexibel bent geweest me te willen vergezellen naar het vliegveld.” Bij de grenscontrole blijkt Camdessus niet met een diplomatiek paspoort te reizen. “Dan kijken ze meteen wie je precies bent,” lacht hij. De IMF-topman verdwijnt uit het zicht, zijn tas op wieltjes achter zich aan trekkend.

----

Michel Camdessus, de directeur van het Internationale Monetaire Fonds, brengt volgende week een bezoek aan Nederland. De voormalige Franse thesaurier-generaal en president van de Banque de France staat sinds begin 1987 aan het hoofd van de Bretton-Woodsinstelling met haar hoofdkwartier in Washington.

De 62-jarige Camdessus, die bezig is aan zijn tweede ambtstermijn van vijf jaar, staat bekend als kundig, hard werkend, communicatief, innemend en keihard als het moet. In de schaarse gevallen dat hij zijn zin niet krijgt, neemt hij zijn verlies. Zoals vorig jaar, tijdens de jaarvergadering van het IMF in Madrid, waar Camdessus een hartstochtelijk pleidooi hield voor uitbreiding van de IMF-deviezen, de speciale trekkingsrechten. Dat werd toen geblokkeerd door een botsing tussen de rijke industrielanden en de grote ontwikkelingslanden.

Begin dit jaar kreeg Camdessus bittere kritiek te verwerken van de Europese lidstaten die van mening waren dat hij te veel had toegegeven aan druk van de Amerikaanse regering om Mexico financieel te redden. Camdessus schoof toen alle IMF-regels terzijde en verstrekte de grootste lening (17,8 miljard dollar) uit de geschiedenis van het Fonds.

Het was aan Camdessus' onvermoeibare bereidheid tot uitleg (en zijn grote kennis van het Spaans) te danken dat de vijandige houding van de Latijns-Amerikaanse landen tegenover het IMF eind jaren tachtig verdween en de publieke opinie zich minder negatief opstelde ten aanzien van IMF-programma's.

Vanaf het moment dat zich de omwentelingen in Oost-Europa en later de Sovjet-Unie voordeden, heeft Camdessus er voor gezorgd dat het IMF een centrale rol speelt bij de opstelling en financiering van de economische hervormingsprogramma's en het verlenen van technische bijstand.