'Alternatief voor auto niet tram en bus maar fiets'; Welleman eerste docent fietskunde aan TU Delft

A.G. Welleman, ambtenaar bij Verkeer en Waterstaat, is vorige week aan de TU Delft begonnen als eerste docent in de fietskunde. Over de fiets als ondergeschoven kindje.

DELFT, 24 NOV. Hij is die dag op de fiets naar zijn werk gegaan. Zoals het een docent in de fietskunde betaamt. Een half uur trappen, van Delft naar het ministerie in Den Haag. “Wind mee of geluk bij de stoplichten, dat kan een paar minuten schelen. Maar de aankomsttijd is betrouwbaar. En je hebt na die tien kilometer een lekkere frisse kop.” Verkeerskundige A.G. Welleman lacht om zijn eigen woorden. Toch neemt hij ook de tram, “dan doe ik er 35 minuten over, of 55 in de spits. Met de auto ben ik er binnen een kwartier. Maar dan moet ik heel vroeg van huis, anders heb ik geen parkeerplek meer. Doe ik dus zelden.”

Geef Welleman de fiets maar. In januari ging zijn dienstverband in bij de Technische Universiteit. Maar pas nu staat hij daadwerkelijk in de collegezaal. Een dag per week, vier uur. Hij zal de studenten laten delen in zijn kennis van planologie, infrastructuur, gedrag en interactie tussen verkeersdeelnemers. Het verwondert Welleman dat de belangstelling voor zijn functie zo groot is. “Een docentschap fietskunde is zeker iets aparts, misschien wel uniek in de wereld. Toch irriteert het me dat het als zo bijzonder wordt ervaren. Want het zou in een fietsland heel normaal moeten zijn, dat er iemand les geeft in fietskunde.” Hij wijst erop dat “nergens in Europa zo veel wordt gefietst als in ons land”. “Van alle verplaatsingen gebeurt hier 27 à 29 procent per rijwiel. Denemarken volgt, met 20. Kijk je hier naar de steden, dan loopt het percentage soms op tot 50. Alleen China scoort hoger, daar heb je steden die de 70 procent halen.”

Tegen die achtergrond is het volgens Welleman “van belang, dat we het aantal lesuren op termijn uitbreiden”. De fietsersbond ENFB nam het initiatief tot de leerstoel. “De ENFB en Verkeer en Waterstaat zijn van oordeel dat de toekomstige verkeerskundigen meer oog moeten krijgen voor de fiets”, legt de docent uit. Welleman laat doorschemeren dat het rijwiel het stiefkindje in het verkeer is. “Veel mensen, ook zij die in dit land aan de knoppen draaien, menen dat alles om de auto draait. Dat verkeer is economisch belangrijk, roepen ze. Hun alternatief voor de drukte is het openbaar vervoer. Ik beweer dat in de stad de fiets het alternatief is, omdat veel ritten kort zijn. Neerslag? Het regent maar zes procent van de tijd.”

Welleman, op het ministerie projectleider van het Masterplan fiets, grijpt naar enkele tabellen. Om zijn betoog kracht bij te zetten. “39 procent van alle verplaatsingen onder de 5 kilometer wordt in ons land per rijwiel gedaan. Stel je voor dat die mensen hun fiets opborgen en met de auto gingen! Het verkeer zou zeker in de stad stijfvast staan.” Hij toont de cijfers van Amsterdam, waar nu 20 procent van alle verplaatsingen onder de 5 kilometer in een auto wordt afgelegd. Welleman: “Als de helft van de genoemde fietsers in Nederland voor het openbaar vervoer zou kiezen, dan zou het vervoer per tram, bus en trein bijna vertienvoudigen, onbetaalbaar worden.”

Hij rekent voor dat het stedelijke openbaar vervoer de maatschappij veertig cent per kilometer per persoon kost. “Kijk je naar de totale uitgaven voor fietspaden, fietsbruggen en tunneltjes, dan kom je uit op twee à 2,5 cent per kilometer die we fietsen. Stapten alle fietsers over naar het openbaar vervoer, dan kostte dat de schatkist vijf miljard gulden per jaar.”

Er zitten volgens Welleman veel voordelen aan de fiets. “Sociaal, economisch, milieu-technisch, maar ook wat de veiligheid betreft. Nederland is zo verkeersveilig, omdat er zo veel wordt gefietst. Tot voor kort dacht iedereen: als er meer mensen fietsen, vallen er ook meer slachtoffers. Is niet zo. Tussen '80 en '90 is de groei van het fietsen met 25 pocent toegenomen, maar het aantal verongelukte fietsers daalde met ruim een kwart. De verklaring? Goede maatregelen. Eerst de middenbermbeveiliging, later keken we naar de gevaarlijke kruispunten. Ons land scoort gunstig, omdat autorijders fietsen en fietsers autorijden. Er is een stuk begrip.”

Toch is de situatie nog niet perfect. De 'fietsprofessor' vindt dat de rijwielpaden beter moeten worden onderhouden, en op kruispunten dient de fietser beter te worden beschermd. De stallingen? “Een heel belangrijk punt.” “Tot voor kort dachten de overheden daar niet goed over na. Een gemeente legt makkelijker een parkeerplaats voor auto's aan. Die voorkeur voor de auto zit bijna in de genen, die is bijna cultureel bepaald.”

Welleman ergert zich aan stoplichten. “Die staan hier en daar op rood, of er nu verkeer is of niet. De mensen pikken dat niet, ze willen niet ergens voor jan joker staan te wachten. In mijn vorige baan (de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, red.) heb ik er een onderzoek naar gedaan. Daarbij bleek dat er stille kruispunten zijn waar ruim 50 procent van de mensen door rood reed. Bij drukke kruispunten zondigde maar 5 procent. Fietsers zijn heel verstandig. Het is wel moeilijk uit te leggen aan kinderen, dat geef ik toe.”

Welleman pleit voor “een drastische aanpassing van de wachttijden”. En een vermindering van het aantal stoplichten. “Vroeger zette men die overal neer, er kwamen er zo veel dat dat in het nadeel van de lichten werkte. Mensen nemen ze dan niet meer serieus, zodat er onveilige situaties ontstaan.” Hij constateert een verbetering. “Tegenwoordig gaat men in tal van gemeenten een stuk zinniger met die dingen om. Er is beter nagedacht: wie krijgt er het langste groen.”

Welleman heeft zijn studenten nog veel te vertellen. “Mijn doel is vooral dat ze gewoon eens gaan nadenken en niet meer alles als automatisch aannemen. In het eerste college zei ik: 'Hoe zou je je verplaatsen als je naar een winkel moet'? Een student antwoordde: 'Nou, als je een meubel gaat kopen, wordt de fiets moeilijk'. Ik weer: 'Jij praat al naar de auto toe. Misschien ga je twee keer per jaar naar een meubelzaak. Elke dag ga je voor je dagelijkse dingen naar de winkel. En dat kan trappend'. Zelfs tijdens de lessen fietsverkeer gaan de gedachten naar de hoek van de auto. Opmerkelijk nietwaar?”