Albert Helman, vechter voor hopeloze zaken; De slaaf in ons

Albert Helman wordt wel de belangrijkste Surinamer van deze eeuw genoemd. Hij was minister van onderwijs en volksgezondheid, dichter, schrijver van de eerste Surinaamse roman, hij ontwierp zelfs het wapen van Suriname. In Nederland kwam hij in de oorlog in het kunstenaarsverzet terecht. Portret van een man die vocht voor beschaving en tegen onwetendheid, maar in moest zien dat domheid onverslaanbaar is.

Men zegt dat je indiaanse dorpen vanuit de lucht kunt onderscheiden van die van de bosnegers in het Surinaamse binnenland. Terwijl de negers hun hutten dicht bij elkaar hebben staan, rond een keurig pleintje, zijn de hutten van de indianen verspreid en heeft een ieder een uitgang naar een andere kant. Ze zijn eenlingen, de indianen van Suriname, en buitengewoon eigenzinnig. Op de eerste Spaanse ontdekkingsreizigers schoten ze al met giftige pijltjes en later werden ze lastige slaven die liever stierven dan zich onderwierpen. Tot nu toe hebben ze het land aan discipline en weigeren ze bijvoorbeeld braaf naar kerk of school te gaan en gehoorzaam te wezen. Anarchisten zijn ze van nature, vrijbuiters, nomaden, in zichzelf gekeerde, zwijgzame individualisten die niet in het gareel zijn te brengen.

Deze eigenschappen van stilte en eenzelvigheid komen in Albert Helmans oeuvre in veel vormen terug. In meer dan dertig romans en verhalenbundels met titels als De stille plantage, De laaiende stilte, Mijn aap schreit, Orkaan bij nacht, Aansluiting gemist, Afdaling in de vulkaan, en Hart zonder land zijn de personages verbannen, gevlucht of anderszins ontheemd; ze koesteren heimwee, zijn eenzaam en verlaten en nauwelijks bij machte om verbonden te raken met de wereld om hen heen, hoe zeer ze het ook proberen en hoe halsstarrig ze ook weigeren hun pogingen op te geven.

Maar dat getuigt juist van hun moed, die voor Helman de hoogste uiting is van menselijkheid. Biologisch gezien horen we immers op de vlucht te slaan als er gevaar dreigt. Maar alleen de mens, de intelligente mens, is bereid te vechten voor hopeloze zaken, vanuit de gedachte dat het alleen maar erger wordt als je niets doet.

En Helman hééft veel gedaan, onnoemelijk veel. Behalve mooie verhalen, gedichten, essays, toneelstukken en muziekcomposities schreef hij historische, opvoedkundige en wetenschappelijke werken, hij is minister van onderwijs en volksgezondheid geweest, hij heeft aan het hoofd van de Rekenkamer gestaan, hij heeft de muziekschool gesticht, de volksuniversiteit, de middelbare school zelfs het wapen van Suriname heeft hij ontworpen - maar het land waar hij het allemaal voor deed is een hopeloze zaak gebleven.

Toen Albert Helman als Lodewijk Alphonsus Maria Lichtveld op 7 november 1903 ter wereld kwam, kon zijn vader niet vermoeden dat hij de belangrijkste Surinamer van deze eeuw zou worden. Zijn zoon, zo dacht de hardwerkende lagere ambtenaar, zou het misschien wel tot priester brengen, wat al een hele prestatie zou zijn, gegeven het feit dat zijn overgrootouders nog wilden waren die naakt in de savanne rondliepen en zijn grootouders konden lezen noch schrijven. Daarom werd de kleine Lou naar Nederland gebracht, op elfjarige leeftijd, en in een katholieke kostschool achtergelaten. Maar hij werd ziek. Een geheimzinnige infectie, dachten de paters. Heimwee, wist de specialist, de jongen kon de verlatenheid niet aan. Dus werd hij teruggestuurd naar het gezin in Paramaribo, waar hij de draad weer oppakte van een tropische jeugd.

Met zijn indiaanse grootmoeder reisde hij naar haar dorp aan de Koropinakreek en zag tot zijn verbazing hoe de toen zeventigjarige vrouw bij het naderen van haar geboorteplek pardoes in het water sprong en zwemmend de oevers bereikte. Ze had zich even weer kind gevoeld.

Deze grootmoeder bracht hem de belangrijkste indiaanse wijsheden bij die hij zich ook later, na zijn scholing in de westerse wetenschap en rationaliteit, nog scherp herinnerde: dat je je intuïtie moest leren vertrouwen, dat je naar een harmonie moest streven tussen gevoel en verstand en dat je al je zintuigen moest beheersen, ook je reuk- en tastzin. Als hij van school naar huis kwam snuffelde zijn bijna blinde grootmoeder aan hem en wist precies te vertellen of hij bij het water of in het bos had gespeeld.

Lou maakte zijn moeder amper mee, omdat ze of kinderen baarde of zieke kleintjes verzorgde. Maar toen hij zestien was mocht hij met haar met vakantie naar het buurland, Brits-Guyana, waar hij met al zijn zakgeld de werken van Shakespeare, Byron, Shelley en Keats aanschafte. In Suriname kreeg hij van een kennis de originele uitgaven te leen van Balzac, Flaubert, Maupassant en Zola. Maar hij moest voorzichtig zijn, zijn vader was streng katholiek en zou dit soort vrijgevochtenheden niet appreciëren. Dat ondervond Lou ook, toen hij trots thuis kwam met een naslagwerk over de Griekse beeldhouwkunst. Zijn vader zag de naakte Venus en scheurde de plaat eruit. En al die bosnegers en indianen dan, riep de jongen verontwaardigd, die lopen toch ook naakt rond? Ja maar zij zijn wilden. Beschaving mag niet naakt zijn.

Gek werd Lou van de bekrompenheid, het katholieke zondebesef en de koloniale armetierigheid. Hij wou weg, en toen hij achttien was had hij genoeg geld gespaard als onderwijzer en pianostemmer om naar Nederland te gaan.

In Amsterdam sliep hij de eerste tijd bij het Leger des Heils en at hij in arbeiderstehuizen, maar hij was muzikant en die horen een beetje te lijden. Hoe goed hij was, wist hij nog niet. In Suriname had hij muzieklessen gehad van een frater en van een gevluchte gevangene uit de strafkolonie Frans-Guyana die weliswaar een paar vrouwen had vermoord, maar in Suriname werd gedoogd omdat hij zo mooi viool kon spelen. Maar Lou Lichtvelds muzikaliteit werd erkend en hij kreeg een baan als organist en leraar muziektheorie, en tegelijkertijd als muziekrecensent bij De Maasbode en De Groene Amsterdammer.

Zo belandde hij in de journalistiek en daardoor in het kunstenaarscollectief 'De Gemeenschap', waar hij werd aangespoord om de schitterende verhalen die hij altijd over zijn vaderland vertelde op te schrijven. Hieruit ontstond, in een diep nostalgische stemming van een jongeman van eenentwintig, de eerste roman die over Suriname werd geschreven, Zuid-zuid-west: “Ik dank u God, dat gij ons eenzaam laat zijn, opdat wij ons hierop kunnen bezinnen. (..) Ik dank u voor dit land, dat het eenzaamste is van alle landen, een klein, vergeten hoekje van Zuid-Amerika. Men zegt, het is een ongelukkig land. Maar uw stappen staan steeds in het drassige bos, en op de savanna waait de geur van oranje: het jonge hout dat gij kauwt. Ik weet, gij bemint dit land, daarom liet gij het eenzaam. (..) Mijn God, ik dank u voor de stilte die gij wuifde over mijn land.”

Maar de componist Lou Lichtveld, die als schrijver de naam Albert Helman had aangenomen, voelde zich ondanks het succes en de erkenning een buitenstaander, nu meer dan ooit. Hij wilde verder dan de duinen en de dijken en vertrok naar Noord-Afrika, naar het land van Salambô van Gustave Flaubert. Zijn reisgenoot op deze tochten was overigens J.J. Slauerhoff, met wie hij de raarste dingen beleefde in steden als Fes, Meknes, Casablanca, Rabat en Saleh. En toen hij terugkwam wist hij het zeker: Nederland was te klein, zowel van cultuur als van geest. Zo werd hem een toegezegde leerstoel in de West-Indische talen op het laatste moment door de minister van kolonieën geweigerd, vanwege de epiloog in Zuid-zuid-west: “Ik zie een ver land verschrompelen tot een dorre woestijn en ik durf het u zeggen, zondagsbrave kooplieden: dit is uw schuld. Want naamt ge bezit van dit land - ik wil niet spreken over recht of onrecht, God weet dit alleen - waarom heeft het uw liefde niet meer, nu gij niet langer spreken kunt over het Dividend? (..) Zonder uw liefde, zonder de liefde die uw plicht is - want alle koloniaal bezit is vrijwillig op zich nemen van een plicht! - zal er nimmer redding mogelijk zijn. Sinds eeuwen zijt gij dieven, men zegt: geoorloofd. Maar weest dan minstens liefdevolle dieven en geen schurken.”

Met vrouw, kinderen, boeken en piano verhuisde Albert Helman naar Spanje, omdat hij er een keer een politieke manifestatie had meegemaakt waar allerlei leuzen werden gescandeerd: leve de republiek, leve de vrijheid, leve Spanje. Maar de meest daverende bijval kreeg de leus 'Viva yo!', leve ik, en toen wist Helman het zeker: in dit land zou hij zich thuis voelen.

Het werd hem bijna fataal, toen de anarchisten een telegram uit Rotterdam van de NRC-redactie onderschepten waarin hem werd gevraagd om nadere inlichtingen over de net uitgebroken burgeroorlog. Helman werd gearresteerd, van spionage beticht en ter dood veroordeeld. Hij kreeg zelfs zijn galgemaal, en het enige wat bij hem opkwam was dat het toch tamelijk vervelend was om te worden geëxecuteerd op grond van een simpel misverstand door de groep met wie hij juist sympathiseerde. Gelukkig werd het misverstand een paar uur voor de terechtstelling opgehelderd door een bevriende journalist. Niettemin begon Helman een journalistiek bureau met een Amerikaanse en een Britse assistent. De Britse assistent heette George Orwell en de Amerikaan werd vlak voor de deur van het kantoor door de communisten doodgeschoten.

Vlak voor het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog stuurde Helman zijn vrouw en kinderen naar Nederland en stortte hij zich in de politiek, waarbij drie vrouwen hem de weg wezen: Angelica Balabanow, die de secretaresse was geweest van zowel Mussolini als Lenin; Emma Goldman, de beroemde anarchiste en Lili Cornils, een beeldschone Duitse danseres, die zijn vriendin werd en met wie hij later zou trouwen. Te midden van de chaos leerde Helman wat liefde was en wat moed; hij zag een keer aan het front een jonge vrouw zorgvuldig haar lippen rood verven, om vervolgens een geweer te pakken en naar de vuurlinie te gaan.

Maar de communisten zaten Helman op de hielen en hij vluchtte in 1938 met zijn geliefde naar Mexico, waar hij bevriend werd met de grondlegger van de moderne Mexicaanse kunst, Diego Rivera. Rivera's thema's gingen over het verloren paradijs van de indianen van Zuid-Amerika en de moorddadigheid van de Spanjaarden. Voor Helman was het een schokkende openbaring: de kolonisators had hij leren kennen als dappere, heldhaftige mensen, maar zelf behoorde hij tot de gekoloniseerden! In Mexico herinnerde Helman zich de verhalen van zijn grootmoeder en kreeg hij voor het eerst het sterke besef dat hij was wat hij nog nauwelijks kende: een Zuid-Amerikaanse indiaan.

Vanaf dit moment begon bij hem de gedachte te rijpen om een historisch werk te schrijven over de Guyana's, het gebied tussen de Orinoco, de Rio Negro en de benedenloop van de Amazone, waar de eenzaamste indianen van de Nieuwe Wereld eeuwenlang ongestoord rondtrokken, totdat iemand het verhaal van Eldorado verzon en alle Europese mogendheden de streek begonnen af te kammen om het meer van stofgoud te vinden. Helmans onderzoek leverde zijn opus magnum op, De foltering van Eldorado, alsook een klein, maar geniaal werkje onder de titel Hoofden van de Oayapok!, Roman in vijf redevoeringen. Het boek is niet alleen een hommage aan de indianen van Guyana, die hun geschiedenis van generatie op generatie overdragen in de vorm van voordrachten, maar ook een studie naar hun besef van tijd en ruimte. Afstand wordt door de indianen bijvoorbeeld uitgedrukt in eenheden van tijd, die behalve door de loopsnelheid ook door het aantal belevenissen wordt bepaald. Een dorp op twintig kilometer langs een rustig pad is één dag ver, maar een plaats op twee kilometer in het gebied van een vijandige stam wel tien dagen. Daarom moet de hoofdfiguur, een jonge indiaan die naar Europa ging om te studeren, zijn dorpsgenoten eerst tot bedaren brengen, omdat ze ervan uitgaan dat iemand die zo lang uit zijn dorp is weggeweest wel in de eeuwige jachtvelden moet zijn terecht gekomen.

Het verhaal in Hoofden van de Oayapok! is bijna autobiografisch, met dit verschil dat de hoofdfiguur Europa verliet toen daar oorlog uitbrak, terwijl Helman in werkelijkheid in 1939 uit Mexico terugkeerde en in Nederland het boek Millioenenleed publiceerde, over de jodenvervolging. Het lag nog in de etalages van de boekwinkels toen de Duitsers Nederland binnenvielen, waarop Helman moest onderduiken en terecht kwam in het kunstenaarsverzet, onder leiding van de beeldhouwer Gerrit-Jan van der Veen en in gezelschap van Jan en Annie Romijn. En weer raakte Helman in het dilemma verstrikt dat hij samen met de kolonisators vocht en hen leerde kennen als dappere, heldhaftige mensen, terwijl hij zelf behoorde tot de gekoloniseerden. Tegelijkertijd begreep hij de ware aard van het kolonialisme: het was te vergelijken met de bezetting door een vreemde mogendheid, waarbij de bezetter niets gaf om en niets wist van het bezette volk. Zo hield Helman kort na de oorlog in het Paleis op de Dam een lezing over Suriname, waarop koningin Wilhelmina hem onderbrak met de vraag: 'Meneer Lichtveld, wat is eigenlijk een bulldozer?' Hij legde het uit en bedacht dat de koningin van Nederland bijna even argeloos was als de indiaan die de bulldozer op zich af zag komen.

Maar Wilhelmina had ook zelfbestuur aan de overzeese gebiedsdelen beloofd en Helman besloot terug te gaan naar dat kleine, vergeten hoekje van Zuid-Amerika waar, zo merkte hij al gauw, in zijn afwezigheid van een kwart eeuw niets was veranderd. Arrogante blanken maakten er nog steeds de dienst uit, kleinburgerlijke stadscreolen stelden zich tevreden met een namaak-beschaving terwijl de javanen, de hindoestanen, de bosnegers en de indianen opgesloten zaten in hun oude, hermetisch gesloten wereldbeelden. De eenzaamheid en de stilte die hij in zijn nostalgie had verheerlijkt in Zuid-zuid-west bleken een pijnlijke en onverdraaglijke realiteit.

Albert Helman werd minister van onderwijs en volksgezondheid en ook al moest hij bij gebrek aan bekwame ambtenaren zijn brieven zelf uittikken en steeds omzichtig onderhandelen met Nederland, omdat alles in 'gemeenschappelijk overleg' moest (waarbij, zoals hij eens zei, het 'schappelijke' aan Suriname werd opgelegd en Nederland de rest voor z'n rekening nam), toch ging hij voortvarender te werk dan men in deze contreien gewend was: hij stelde gezondheidsarbeiders aan die met puntige stokken alle broedplaatsen van de malariamuskiet doorprikten en met spuitbussen de huizen binnendrongen. Anderhalf jaar later was Paramaribo malariavrij. Hij stichtte een middelbare school, opdat de kinderen niet meer op jeugdige leeftijd naar Nederland hoefden, zoals met hem het geval was geweest. Hij richtte de volksuniversiteit op, een bureau voor volkslectuur, een taalbureau die de lokale talen moest bestuderen, hij introduceerde het Spaans in het voortgezet onderwijs omdat Suriname nu eenmaal in Zuid-Amerika ligt, hij schafte de feodale aanspreektitels af omdat praktisch iedere geschoolde Surinamer een excellentie was of was geweest, hij liet lagere scholen bouwen in het binnenland zodat de kinderen niet in de rivier verdronken als ze uit hun korjalen tuimelden. En korte tijd later trad hij af, omdat de parlementsleden hem het werken onmogelijk maakten.

Zijn voortvarendheid werd afgestraft, maar onvermoeibaar zette Helman zijn beschavingsmissie voort: het museum, de muziekschool, de bibliotheek, grote theatervoorstellingen, poezie in het Sranang, nieuwe romans, voorlichtingsboekjes, redevoeringen, dat alles deed hij naast zijn officiele functie als hoofd van de Rekenkamer. Die aanstelling had hij niet gekregen omdat hij verstand had van boekhouden, maar omdat hij een idee had van eerlijkheid. En ook dat werd Suriname te veel. Helman werd uiteindelijk gepromoveerd tot diplomaat in Washington en kwam daarmee weer in een staat die hij maar al te goed kende, sinds zijn elfde jaar: de staat van ballingschap.

Enkele jaren later vestigde hij zich op Tobago, het eiland dat model had gestaan voor Daniel Defoe's Robinson Crusoe, vanwaar hij de gebeurtenissen in het land dat zich steeds verder in het ongeluk stortte gade sloeg: de onafhankelijkheid, waarvan hij twintig jaar eerder had voorspeld dat die voor Suriname zou zijn als een scheermes in de handen van een kind; de staatsgreep, die volgens hem alleen succes had vanwege de vanzelfsprekende lafheid van de Surinaamse burgerij; de wrede moorden, die hij zag als een uitkomst van een volk met een slavenmoraal. Al in 1963, tijdens het eeuwfeest van de afschaffing van de slavernij, had hij in een redevoering voor de toenmalige minister-president Johan Pengel geschreven: “De ware bevrijding is zelfbevrijding. Zij wordt niet geschonken, alleen mogelijk gemaakt. Ze geschiedt stap voor stap: bevrijding van de ondeugden en van de onverantwoordelijkheid; bevrijding van de vooroordelen en van de dwaling; bevrijding van de slaaf in ons en van de geketende engel, die een ieder meedraagt in zijn ziel.”

Maar Suriname heeft zich niet kunnen bevrijden van dwaling, ondeugd en domheid. Tegen onwetendheid valt nog te vechten, zei Helman, maar domheid is onverslaanbaar. “Het is een soort anti-weten, omdat men gelooft dat men het al weet. Men praat en praat, in alle talen, maar taal is een gek ding. Je kunt er gedachten en gevoelens mee overbrengen, je kunt er gedachten en gevoelens mee verbergen en je kunt ermee verbergen dat je helemaal geen gedachten en gevoelens hebt.”

Nee, ondanks alle gevechten die Albert Helman heeft geleverd, is Suriname een hopeloze zaak gebleven, wat niet betekent dat hij het op tweeënnegentigjarige leeftijd zomaar opgeeft. Zoals hij dicht:

Ik weet dat ik eens weer hevig verlangen zal

naar deze stilte, het oerbos, de wolkenlucht

lang gedruis van regens, de naderende val

de savanna, de hitte, het vogel-gerucht...

(..)

Ik weet dat ik weer hevig verlangen zal

naar een vroege ochtend, zo wijd en fris als thans;

naar de morgenzon van straks, en de avondval:

want, och, noch mèt dit land, noch zonder leef ik gans.