Wat in het vat zat

W. Salomons, W.M. Stigliani (eds.), Biogeodynamics of Pollutants in Soils and Sediments, Risk Assessment of Delayed and Non Linear Responses.

Springer Verlag, Berlin, 1995. ƒ 163.85. ISBN 3-540-58732-2

Bodems kunnen worden beschouwd als verzamelplaatsen voor vuil. Milieugevaarlijke stoffen worden op grote schaal rechtstreeks in de bodem gebracht. Landbouw, mijnbouw en - in afnemende mate - de industrie zijn daar sterk in. Daarnaast belanden aanzienlijke hoeveelheden vervuilende stoffen in de bodem via lucht- en waterverontreiniging. Metalen en zuurvormende stoffen die de lucht in worden gegooid komen ook weer naar beneden. En een flink deel van de watervervuiling eindigt in het bodemslib. In Europa gaat de opruiming nog steeds minder hard dan de toename.

Als gevolg daarvan vertoont de bodemvervuiling in Europa een stijgende lijn. Bovendien kunnen er in de bodem processen optreden die uit ongevaarlijke stoffen juist giftige maken. Een bekend voorbeeld is de omzetting van kwik in methylkwik. Een ander voorbeeld betreft perchlooretheen en trichlooretheen. Deze worden door bodembacteriën omgezet in het riskantere vinylchloride.

De inspanningen om belasting van bodems te voorkomen en de bodem te saneren hebben tot nu toe de trend in de richting van een steeds vuilere bodem niet kunnen keren. Stigliani laat zien dat ook kosteneffectieve maatregelen niet worden getroffen.

De voornaamste reden voor het oplopen van cadmiumconcentraties in agrarische bodems is de aanwezigheid van deze stof in fosfaat-mest. Door de oplopende cadmiumhoeveelheden in agrarische gronden stijgt de kans dat de concentraties van dit metaal in landbouwprodukten de norm overschrijden. Als gevolg daarvan raken de gebruiksmogelijkheden van de betrokken bodems beperkt. De kosten van cadmiumverwijdering uit kunstmest zijn slechts een fractie van de kosten die verbonden zijn aan functieverliezen van agrarische gronden. Niettemin wordt door de EU al meer dan tien jaar vruchteloos vergaderd over het verminderen van cadmium in meststoffen.

Een schrale troost is dat het buiten Europa nog slechter blijkt te kunnen. Daar maken soms zelfs de milieurampen uit het verleden geen indruk. Een treffende illustratie daarvan levert de vervuiling van het Amazonegebied met kwik. Kwik is bekend van een milieuramp in Japan. Daar zorgden in de jaren vijftig en zestig kwiklozingen door een chloorfabriek nabij Minamata voor een ernstige besmetting van consumptie-vis met methylkwik. Als gevolg daarvan stierven meer dan honderd mensen en raakten vele honderden viseters invalide. Al langer is bekend dat kwik dat wordt gebruikt bij de goudwinning, schade kan aanrichten. Als gevolg daarvan werd het kwikgebruik voor goudwinning in Italië al door de Romeinen in de ban werd gedaan. Het was een stap vooruit toen in 1970 de goudwinning wereldwijd vrijwel geheel verliep via het meer geavanceerde cyanideproces. Dit proces heeft ook zo zijn problemen, maar is in beginsel beter beheersbaar en heeft op de langere termijn veel minder bezwaren.

De technische vooruitgang is echter voorbij gegaan aan Amazionië. De laatste tien jaar is zo'n 3000 ton kwik gebruikt bij de goudwinning in dit gebied, merkwaardig genoeg goeddeels geïmporteerd uit Nederland. Als gevolg daarvan zijn rivierbodems sterk besmet geraakt. Dit wordt weerspiegeld in oplopende concentraties methylkwik in vis. Er wordt vastgesteld dat het gebruik van kwik bij goudwinningen in de Derde wereld groeit, tot naar schatting duizend ton per jaar. Ook in de Philippijnen, Thailand, Tanzania en Indonesië neemt het kwikgebruik bij de goudproduktie snel toe.

In Biogeodynamics of Pollutants in Soils and Sediments ligt de nadruk op de situatie in Europa. Er wordt geconstateerd dat grote stukken van de Europese bodem sterk zijn vervuild. Zware metalen, organische chemicaliën en voedingsstoffen als nitraat en fosfaat zijn belangrijke vervuilers. De centrale vraag die wordt opgeworpen is in hoeverre de bodemvervuiling in kwestie kan leiden tot vertraagde en niet-lineaire concentratiestijgingen in delen van de bodem en het grondwater. Ook wordt ingegaan op de vraag wat kan worden gedaan om de risico's van niet schoongemaakte gronden binnen de perken te houden. Alles bijeen geeft het boek een goed inzicht in het antwoord op deze vragen. Wanneer de redacteuren zich echter meer hadden ingespannen om overlappingen te voorkomen en zijwegen te vermijden had de omvang van Biogeodynamics of Pollutants in Soils and Sediments met een derde kunnen worden teruggebracht - zonder kwaliteitsverlies.

Complexvormers

Voor de giftigheid van verontreinigingen maakt het veel uit of er oxyderende en of juist reducerende stoffen in de bodem aanwezig zijn of zogenaamde complexvormers. Veranderingen in deze factoren kunnen de binding van milieugevaarlijke stoffen sterk veranderen.

Zo leidt de gebruikelijke verandering in oxydatiegraad van baggerslib veelal tot een omvangrijke mobilisatie van zware metalen. Daardoor bevatten gewassen op baggerslibgronden nogal eens te hoge gehalten aan zware metalen.

Het omzetten van akkerland in grasland of bos en het innunderen van bollenland kan eveneens zorgen voor het vrijkomen een aanzienlijke hoeveelheid bezwaarlijke stoffen.

Iets dergelijks geldt voor de bodemverzuring. In grote stukken van Europa (Nederland incluis) is de toevoeging van zuurvormende stoffen aan de bodem nog altijd ver boven het niveau dat de bodem aankan. De buffercapaciteit van de gronden wordt uitgeput, waarna een forse daling van de pH (toename van de zuurgraad) zal volgen. Dit zal op zijn beurt leiden tot een toename in de concentraties zware metalen in het grondwater. Een voorbode van wat in Nederland mogelijk gaat komen is te zien in het verzuurde deel van Scandinavië. Daar vertoont de toevoeging van kwik aan het milieu nu al een aantal decennia een dalende lijn, maar stijgen de concentraties kwik in zoetwatervis.

Ook een proces als erosie kan leiden tot sterke concentratieveranderingen. Zo worden in Zuid-Limburg tien- tot twintigvoudige verhogingen gevonden van bepaalde bestrijdingsmiddelen in de grond. Een fenomeen waarmee bij de toelating van bestrijdingsmiddelen geen rekening wordt gehouden.

De kennis van de factoren die het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen bepalen kan op zijn beurt worden gebruikt om de stoffen in kwestie beter vast te houden. Als verzuring leidt tot het vrijkomen van zware metalen dan is het in beginsel mogelijk door basen dit tegen te gaan.

Eijsackers maakt duidelijk dat de praktijk op dit punt weerbarstig kan zijn. Pogingen om verzuurde natuurgebieden door bekalking te neutraliseren laten zien dat dit in de praktijk slechts beperkt slaagt. Het uitzetten van regenwormen om de kalk te verspreiden zet weinig zoden aan de dijk.