Van groot heilige tot volksfeest; Ick heb Sint Niclaesjen lieff

Hij is de heilige van de kinderen. Op de vooravond van zijn sterfdag geeft hij zogenaamd anoniem geschenken. Hij is de patroon- heilige van schippers en zeelui, van slagers, bakkers en rechters. 'Vrijers' draagt hij een goed hart toe. En belang- rijkste feit van al: hij heeft de eeuwen weten te trotseren. Maar waarom? Beschouwing bij een Sint Nicolaas tentoonstelling in Amsterdam.

Hoe oud is de Sinterklaas-surprise? Sinds wanneer krijgen ook volwassenen Sinterklaas-geschenken. En hoe komt het, dat het feest juist in Nederland vitaal bewaard gebleven is, terwijl het er in bijvoorbeeld Duitsland noch Engeland in geslaagd is onder de reformatie uit te komen?

Als u het antwoord op die laatste vraag - na een bezoek aan het Amsterdams Historisch Museum voor de buitengewoon onderhoudende, aan Sint Nicolaas en Sinterklaas, heilige en feest, gewijde tentoonstelling “O kom er eens kijken...” - nog steeds niet weet, dan ligt dat niet aan u.

Want dat is en blijft het grote raadsel: hoe het feest telkens opnieuw heeft weten te overleven. Achtereenvolgens: de protestantse vroede vaderen plus predikanten, met hun herhaalde verboden en banvloeken. Daarop diverse verlichte onderwijshervormers van het type Maria Montessori. Zoals het feest momenteel het hoofd moet bieden aan een geheimzinnige gelegenheidscoalitie van anti-autoritair, emancipatoir, anti-discriminatoir, en Joost mag weten wat voor gedachtengoed nog meer. Ik zwijg nu maar van de aparte categorie der niet-dichtende managers die hun luie, haastige, humorloze, gigantische, opzichtig kostbare, kort gezegd patserige cadeaus zonder meer onder de boom sodemieteren.

Maar een ware volksheilige kan tegen een stootje, dat toont de geschiedenis wel aan. Een heilige van het kaliber van Nicolaas is een soort groeidiamant. De carrière van zo'n heilige begint pas na zijn dood. In de vorm van een zich almaar uitbreidend cluster van legenden gaat hij op reis, en laat een spoor achter van aan hem gewijde kerken en kloosterscholen, dorpen en steden, patronaatschappen en gilden. Gedurende duizenden kilometers en honderden jaren groeit zijn vroegere leven aan met wonder na wonder. Op de lange duur heeft het heilige leven zich - met een enorme terugwerkende kracht - dan eindelijk volledig ontplooid en treedt de eindtijd in. Het ware wonder, intussen, is dat van de volksdevotie want natuurlijk is het 't geïnvesteerde geloof dat de heilige zijn kracht geeft.

Nicolaas is al dood vanaf de vierde eeuw. Tot 1087 bevond hij rustig in het eigen graf te Myra, Zuidwest-Turkije. Van daaruit verbreidde zijn cultus zich onder de Byzantijnse christenen en de Slavische volkeren. Maar in 1087 wordt zijn gebeente overgebracht naar Bari in Zuid-Italië en vangt zijn Westeuropese triomftocht aan.

De expositie in het Historisch Museum geeft een boeiend beeld van de specifieke Nederlandse metamorfose van de verering van een groot heilige tot een onder zijn naam breed gevierd, volstrekt geseculariseerd volksfeest. De centrale legenden die mede de achtergrond vormen van onze diverse feestgewoonten worden glashelder uiteengezet. Veel vierders weten daar weinig tot niets van. Waarom is Nicolaas eigenlijk de heilige van de kinderen, waarom de zogenaamd anonieme gever, hoe zo de patroonheilige van schippers en zeelui; van slagers; van bakkers en rechters en vele andere beroepen meer? Wat heeft hij - getuige onder meer speculaaspoppen die 'vrijers' heten en harten van borstplaat en marsepein - van doen met wie verkering zoekt en vanwaar dat chocolade geld?

Aan de hand van een drietal altaarstukken uit de Nicolaaskerk in Lutjebroek krijgt de bezoeker de belangrijkste legenden uitgelegd. Die van de drie meisjes die door hun verarmde vader geprostitueerd dreigen te worden. Hetgeen Nicolaas voorkomt door beurzen met goud of geld naar binnen te werpen.

Daar hebben we dan de kinderen-die-cadeaus-krijgen en daar hebben we de anonieme gever. Want Nicolaas gooit de boel van buitenaf door een raampje naar binnen en wenst onbekend te blijven. Dit verhaal levert hem in de iconografie het attribuut op van de drie gouden beursjes of bollen. Dus, ziet u in een museum of kerk een heilige met die drie dingen van goud in de hand, aarzel dan niet: het is hem. Deze legende stamt uit de achtste eeuw.

Een tweede legende betreft jongens. Het is een mooi verhaal dat in Noord-Frankrijk tot stand gekomen is, in de twaalfde eeuw. Drie studenten of scholieren (in de middeleeuwen en ook later worden ze vaak behoorlijk baby-achtig afgebeeld) komen in een herberg, ter overnachting. De waard vermoordt het drietal en snijdt de lijken in stukken, die hij - goed gepekeld - in een kuip stopt. Nicolaas bezoekt de herberg en beveelt de waard de vleeston te brengen. Vervolgens doet de heilige held de scholieren uit hun kuip herrijzen en belooft de waard hem, voortaan een betrouwbaar christen en een beter vakman te zijn.

Hier ligt toch wel een groot verschil met de Western: er is geen shoot-out, men bekeert zich zonder slag of stoot. Hier hebben we dus weer kinderen, variëteit jongens. Weer drie. Want als er gered wordt dan ook goed en weer is Sint een kindervrind. Zij het, dat deze jongens mogen doorleren terwijl die meisjes blijkbaar niks anders te doen hebben dan maagdelijk blijven. Ons eenmaal geëmancipeerde oog krijgt nooit meer rust. Maar dat de slagers en kuipers Sint Nicolaas tot hun schutspatroon hebben uitgeroepen, gaat dus op deze legende terug.

De derde verhaalt hoe Nicolaas drie zeelieden redt. Haven- en riviersteden - zoals Amsterdam - hebben Nicolaas niet zelden als patroonheilige. Hetzelfde geldt voor onder anderen vissers, schippers, handelaren en marskramers. Zie daar de minimaal benodigde achtergrondkennis van een uiterst populaire heilige.

De tentoonstelling laat nu zien hoe deze heilige van kinderen, adolescenten en volwassenen, schippers en havens vereerd is in kerken en kloosterscholen, of het doel vormde van pelgrimages (bijvoorbeeld naar St. Nicholas de Port, bij Nancy, alwaar een vingerkootje bewaard wordt), om ten slotte in de negentiende eeuw als een geseculariseerde feestheilige voor alle gezindten huisbezoeken te gaan afleggen bij de mensen thuis.

Maar wat er in de tussentijd allemaal niet verboden is geweest! Het houden van de traditionele Sinterklaasmarkt op de Dam; het zingen van Sinterklaas-liederen; het verkopen van speculaaspoppen met het conterfeitsel van de goedheiligman; zelfs het zetten van schoenen...

Als blijk van het reformatorische verzet tegen het feest is er onder andere een boek te zien uit 1658, van Jacobus Sceperius - toch alweer bijna een eeuw na de beeldenstorm. Het heet 'Geschenck of Geseijde St.Nicolaes Avont'. Hierin worden de gebruiken gekritiseerd door een dominee die niet meer hebben wil dat de kinderen “roepen, schreeuwen en bidden tot Nicolaus”. Wat roepen, schreeuwen en bidden ze?

Sinte Niclaes Bisschop, Goet heylich man;

Wilje wat in mijn Schoentje geeven,God loont u dan.

Gheefft me een Beurs met bellen

Soo sal ickje niet meer quellen.

Soo langhe als het Godt geliefft

Heb ick Sint Niclaesjen lieff.

Erg aardig, ook, is een document dat misschien mag gelden als de oudste bewaarde Nederlandse verlanglijst. Het is een heuse brief, uit 1773, getekend Henr. Mar. Ten Oever. Uit de wensen wordt duidelijk dat het om een Henrica of Henriëtte moet gaan. Zo'n beetje om en om geeft ze een wens te kennen en een belofte. Gelijk oversteken. In dit wellicht typisch Nederlandse mengsel van handel en moraal vraagt het meisje allereerst om anderhalve el kant. “Al was hij nog zo slegt” (welk 'slegt' wel 'eenvoudig' zal betekenen). Tweede wens: “Een witte strik in mijn parelen want mijn sondagse al so vuyl wort”. En tot slot verzoekt ze, met duidelijk afnemende urgentie, “ook om wat lekkers als ue bij ockasie heeft ik sal ue daar altegaar ten hoogste dankbaar voor zijn ik sal ook mijn vader & mijn moeder gehoorsaam sijn”.

Zo mogelijk nog aardiger is de iconografie van het gezinsleven, zoals zichtbaar gemaakt door een aantal schilderijen of daarnaar gemaakte prenten. Startpunt is Jan Steen's bekende 'Sint Nicolaas feest' van circa 1670, op de tentoonstelling gerepresenteerd door Reinier Craeyvanger's negentiende-eeuwse kopie. Op dit gezellige genretafereel zien we een huiskamer gevuld door een tiental personen. Centraal, in het volle licht, staat Het Kleine Meisje, met aan de linkerarm een emmertje vol speelgoed en in de rechterhand een pop. Ze staat naast een mand met speculaas, koek, broodjes, nootjes, fruit. Overbodig te zeggen, misschien, maar zij glimlacht.

Helemaal links staat De Huilende Jongen. Ene hand in de zak, andere hand tranen vegend. Die heeft niks gekregen. Nou ja, niks? Naast hem houdt een ouder zusje zijn schoen omhoog, met een roe erin. Hoe het verder zit, met de familieverhoudingen, dat zou ik niet zo snel weten, maar het schema is volkomen duidelijk. Hier wordt beloond en gestraft. Naar gevreesd moet worden, is het de oudste zoon die weer eens de pineut is; niet de oudste dochter, die met kennelijk leedvermaak zijn schoen-met-roe ophoudt. O strijd der geslachten! Zoete meisjes, stoute jongens.

De huilende jongen keert steeds weer terug: bij Brackenburgh (1685), bij Jacobus Houbraken (1761), en bij Otto de Boer (1844) waar hij een lepeltje zout in de hand houdt. Al die eeuwen niets gehad. Waardoor de bezoeker een beetje medelijden met hem krijgt. Het ligt blijkbaar in de natuur der dingen dat hij het altijd is die gestraft wordt en zijn zusje nooit.

Halverwege de negentiende eeuw krijgt het feest de trekken die het nog steeds voor ons heeft. Een centrale rol daarin heeft de Amsterdamse onderwijzer J. Schenkman gespeeld. Niet lang voor 1850 verscheen zijn boekje Sint Nikolaas en zijn knecht; het werd tientallen keren herdrukt.

Schenkman heeft de stoomboot geïntroduceerd; hoogst waarschijnlijk ook Spanje, als het land waar de Sint vandaan gevaren komt; Zwarte Piet, althans in zijn Spaans-Moorse gedaante (vóór die tijd deed Sinterklaas het in zijn eentje in onze gewesten); misschien ook Het Grote Boek, waaraan Sinterklaas zijn verbazend gedetailleerde kennis ontleent van ieder afzonderlijk gezin.

Schenkman hield van het feest en zette zich ervoor in. In de aan hem gewijde vitrine ligt een “brief van Sint Nikolaas aan zijne vrienden te Amsterdam” (uit 1852) waaruit blijkt dat de Sint zich bedreigd voelt. Met lede ogen moet hij aanzien hoe, naar Duits model, de gewoonte in zwang raakt om geschenken uit te wisselen met Kerstmis, en hoe de boom ingeburgerd raakt. Het is voor moderne fans van het feest die zich soortgelijke zorgen maken in elk geval een relativerende gedachte dat het feest zich nadien alweer anderhalve eeuw haaks heeft gehouden - zij het ongetwijfeld ook een beetje dankzij af en toe een Schenkman.

Nieuw leven kreeg het feest ook ingeblazen in 1934, toen Sinterklaas voor het eerst in Amsterdam aan land kwam. Dat gebeurde op initiatief van David Kouwenaar: Amsterdammer, vader van (kan erbij worden gezegd) één van onze grote dichters, journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Sinterklaas meerde af tegenover zijn eigen kerk aan de Prins Hendrikkade en werd ontvangen bij het stadhuis op de Dam, op welk plein hij en-passant ook een krans ophing onder de zeventiende-eeuwse gevelsteen met zijn beeltenis die zich nog altijd bevindt in het huis op de hoek van Dam en Damrak. Jarenlang werd Sinterklaas vertolkt door niemand minder dan acteur Eduard Verkade.

Hoe en of Sinterklaas het eind van de volgende eeuw, laat staan dat van het volgende millennium haalt, dat weten we niet. Net zo min als we kunnen weten of deze expositie deel uitmaakt van de stuiptrekkingen of van de vitaliteit van Sinterklaas. Een mooie tentoonstelling is het hoe dan ook, deze tijdelijke verzameling van altaarstukken, schilderijen, pelgrimstekens, noodmunten, houten en pijpaarden beelden, boeken, kandelaars, kazuifels, getijdenboeken, gildeboeken, bidprentjes, een almanakje zo klein als ik niet wist dat er waren, een glazen bokaal, een monstrans, een antifonarium, een processievaan, koekplanken, centsprenten, ansichtkaarten en nog veel meer.

Toegankelijk ook voor kleine kinderen en buitenlanders. Voor de eersten is er een apart traject, en klinkt de stem van Sint zelf (sterk gelijkend op die van Lex Goudsmit). Voor de laatsten zijn alle tekstborden en bijschriften één-op-één in het Engels vertaald. Neem dus uw kinderen en buitenlanders mee. Het enige wat me verdriet, is dat er geen catalogus is. Maar voor de rest: hoera.

De tentoonstelling 'O kom er eens kijken' in het Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92, duurt t/m 7 jan. Open ma t/m vrij 10-17u, za en zo 11-17u. Inl 020-5231822. Zie ook de Kinderagenda, pag. 4.

Ook in andere steden worden Sint Nikolaastentoonstellingen gehouden: Gemeentemuseum Helmond, Kasteelplein 1. 'Wintertijd-Feesttijd!', Van Sint Maarten tot Carnaval, t/m 24 feb. Open di t/m vrij 10-17u. za en zo 14-17u. Inl 0492-547475.

Museum van de Twintigste Eeuw, Bierkade 4 en 4a, Hoorn. 'Een eeuw Goedheiligman' Open di t/m zo 10-17u. Inl 0229-214001.

Stedelijk Museum Kampen 'Sint Nicolaas en Santa Claus, Kindervrienden voor het leven'. T/m 30 dec. Open di t/m za van 11-12u30 en 13u30-17u. Inl 038-3317361.

Museum Swaensteyn, Herenstraat 101, Voorburg. 'Sinterklaas & Co. Gebruiken en verhalen rond Sint Nikolaas, Sint Maarten en Santa Claus'. T/m 7 jan. Open wo t/m zo 13-17u. Inl 070-3861673