Pleegzuster bloedwijn

Op de bankrekening van iedere middelbare school is de afgelopen drie jaar per leraar zo'n ƒ 1800,00 overgemaakt. Dat geld is bestemd voor de bijscholing van de leraar. Weten die leraren dat? Besteden de scholen dat geld eigenlijk? En waaraan, aan bijscholing? Of potten ze het op? Hoe werkt dat eigenlijk! Werkt het eigenlijk?

Ik maak een beetje van het geld op. Was in Breda twee keer, in Venlo en in Emmen, moet binnenkort naar Leidschendam, naar Kerkrade, naar Heerlen.... Ik ben voor een deel van m'n tijd bijscholer. Bijscholers van leraren horen tot de meest gehate bevolkingsgroepen in Nederland.

Leraren les geven, dat kan helemaal niet. Leraren geven zelf les, dat is hun vak. Dat betekent dat ze het beter weten dan hun leerlingen. Dat maakt ze te eigenwijs voor bijscholing.

Leraren vinden het vreemd dat iemand anders hun iets wil leren. Hun bevreemding slaat om in verbijstering als iemand hun het vak gaat uitleggen dat ze misschien al twintig of dertig jaar beoefenen. Nog erger, de bijscholer is iemand die gestuurd wordt en geïndoctrineerd is door de verafschuwde hogeren in het Haagje. De personificatie van het onderwijsbeleid.

Dan groeit er een wrok die snel om kan slaan tot haat. De haat treedt op als zij bedenken, dat de bijscholer vóór hen eigenlijk een collega is, een collega die zijn ziel heeft verkwanseld aan de overheid en die vrolijk flierefluiterend door het land trekt om hun uit te leggen hoe ze hun werk moeten doen. Sissend van woede staan ze 's avonds aan de afwas.

In het ware nest van de eigen school heersen ook gemengde gevoelen over de bijscholer. Terwijl zijn collega's het broodnodige onderwijs aan zijn leerlingen moet verzorgen, trekt hij vrolijk flierefluiterend door het land. Hij voelt zich zeker te goed voor het eenvoudige handwerk in de klas, sissen zij aan de afwas.

Waarom ben ik bijscholer? Ach, er is maar één goede reden: ik trek zo graag vroljk flierefluiterend door het land.

De bijscholing van leraren kan grofweg verdeeld worden in twee soorten: bijscholing in het vak dat zij doceren en bijscholing in het vak dat zij beoefenen. Voor het eerste type ben ik niet voldoende opgeleid. Het bestaat uit solide lezingen volgestouwd met kennis. De lezingen worden bij voorkeur gegeven door een hoogleraar. De toehoorder gaat geheel verzadigd als na zwaar tafelen naar huis. Voor avondmaal en voor lezing gaat hetzelfde op: beide zijn de volgende dag voor het grootste deel verdwenen en laten weinig sporen achter.

Bijscholing over het lesgeven is anders. Didactiek is niet meer dan een verzameling vermoedens en intuiïties. De kennis die de bijscholer bezit kan op een half A4-tje, een maaltijd zo groot als een vingerhoed. De bijscholer hoopt dat de cursist de dag na de bijscholing verfrist en verrijkt voor de klas zal staan en vanaf dat moment tot aan zijn pensionering ANDERS les zal geven.

De docent-cursist voelt zich belazerd. Hij heeft niets geleerd, beklaagt zich over een verloren middag en gaat over tot de orde van de dag, van de vorige dag. Dat is de docent z'n eigen schuld. Hij dient het vingerhoedje te consumeren als een levenselixer, als Pleegzuster Bloedwijn. En ik ben de Pleegzuster.