Ontheemde acteurs belegeren telefooncel; Marokkanen bij Onafhankelijk Toneel

Met het stuk De Beschaving, mijn moeder! hoopt het Onafhankelijk Toneel niet alleen Nederlanders maar ook Marokkanen naar de schouwburg te lokken. De voorstelling, naar een roman van de Marokkaan Driss Chraïbi, wordt gespeeld door Arabisch sprekende acteurs en zal ook in Marokko zijn te zien.

Première morgen in Rotterdam. De Beschaving is mijn moeder, vertaling Jan Versteeg. Uitgeverij De Geus 1995. Prijs: ƒ29,90

ROTTERDAM, 23 NOV. In de telefooncel op het winderige parkeerterrein langs de Rotterdamse haven zal nog nooit zo vaak naar Marokko zijn gebeld als de laatste weken. Vanuit zijn kantoor aan de overkant van de parkeerplaats ziet Gerrit Timmers, artistiek leider van het Onafhankelijk Toneel, tegenwoordig geregeld hoe zich bij de cel 'allerlei wilde taferelen' afspelen. De twee vrouwen en drie mannen met wie hij de voorstelling De Beschaving, mijn Moeder! voorbereidt, maken veelvuldig gebruik van de telefoon waarbij de emoties soms hoog oplopen.

Dat de uit Marokko afkomstige acteurs zich hier kennelijk enigszins ontheemd voelen en daarom dikwijls naar huis bellen kan regisseur Timmers zich indenken. In deze uithoek van de stad is vertier ver te zoeken, ze spreken geen woord Nederlands en hoewel ze op één na weleens in Europa zijn geweest, hebben ze hier nog niet eerder een voorstelling gemaakt. Het idee voor een produktie met Arabisch sprekende kunstenaars ontstond nadat het Onafhankelijk Toneel in 1992 door de gemeente Rotterdam was gevraagd een bijdrage te leveren aan MED URBS VIE: een cultureel netwerk van Caïro, Istanbul, Casablanca, Lille en Rotterdam dat een uitwisseling van hedendaagse kunst en culturele activiteiten beoogt. Timmers: “Toen we dat plan gingen uitwerken was onze achterliggende droom kunstenaars uit het Arabische gebied hierheen te halen omdat we weinig van hun cultuur weten. Zo'n idee prikkelt me en het past bij het Onafhankelijk Toneel dat altijd probeert nieuwe wegen te bewandelen.” Het inlezen in de Arabische literatuur was voor Timmers zo'n nieuwe weg, daarbij stuitte hij al gauw op Driss Chraïbi, een schrijver van Frans-Marokkaanse afkomst. Vooral diens autobiografisch getinte roman La Civilisation, ma Mère! die zich afspeelt in Casablanca in de jaren veertig sprak hem aan. Timmers besloot het boek te bewerken en er met acteurs uit Marokko een voorstelling van te maken. “Ik heb de toneeltekst eerst in het Frans geschreven, daarna is het stuk in het Arabisch omgezet. De voorstelling wordt Nederlands boventiteld in korte zinnetjes. Het literaire gehalte van Chraïbi blijft niet echt overeind, maar de portee van het verhaal blijft hetzelfde: een volstrekt ongeletterde moeder die als jong meisje door haar toekomstige echtgenoot uit een dorpje is geplukt en sindsdien niet meer buiten komt - totdat haar kinderen via het Lycée Fran-

çcais de beschaving binnen brengen. Wat ik mooi vind is dat het boek niet voorbij gaat aan de pijn die dat veroorzaakt. De vader beseft dat hij achter blijft bij haar ontwikkeling maar hij houdt haar niet tegen. Hij heeft een zachtaardig karakter - ons vooroordeel dat mannen daar altijd autoritaire bazen zijn wordt op die manier onderuit gehaald.

“Het stond voor mij vast dat Marokkanen dit moesten spelen. Met Nederlandse acteurs zou het stuk niet tot zijn recht komen. De vijf acteurs met wie ik nu werk heb ik op een theaterfestival in Casablanca gezien. Nadat ik ze een korte workshop had gegeven heb ik ze hier uitgenodigd. Nederlandse Marokkanen spelen eigenlijk alleen in amateurverband. Van de tweede generatie Marokkanen is er nu één die op de toneelschool in Maastricht zit. Ik wilde professionele mensen die tegen een stootje kunnen en met wie ik het interessant vind om te werken. Maar het is wel zwaar, merk ik. We communiceren met elkaar in het Frans, dat gaat met handen en voeten, 's avonds ben ik dan ook afgepijgerd.”

Als die middag wordt gerepeteerd in een nog onaf decor volgt Gerrit Timmers de verrichtingen van de acteurs met een Frans script in de hand. Toch blijkt hij de Arabische tekst inmiddels zo goed te kennen dat hij onmiddellijk hoort wanneer er iets verkeerd gaat. De twee actrices Saïda Bâaddi en Najat Belfadil, die om beurten in een van de voorstellingen de rol van de moeder vertolken, repeteren de scène waarin de vrouw, met beide handen de hoorn van een bakelieten telefoon omklemmend, voor het eerst in haar leven telefoneert. Als ze contact heeft is haar opwinding zo groot dat het een poosje duurt eer ze in de gaten heeft dat ze niet haar vriendin maar de doorschakelcentrale aan de lijn heeft. Het is, ook zonder boventiteling, een hilarische situatie.

“Chraïbi”, zegt Najat Belfadil, “heeft een bijzonder boek geschreven. Het gaat in zekere zin over onze moeders: wat de vrouw in het verhaal van de radio opsteekt heeft de generatie van mijn moeder van de televisie geleerd. Maar het is natuurlijk niet alleen de moeder die verandert, het is een heel volk dat westerser en moderner wordt. Het gaat om een sociale evolutie. De vraag is alleen: is het positief dat de moeder naar buiten gaat en wil werken? Ze weet het zelf niet. Zij is aan het eind vrij en onafhankelijk maar het gezin van vroeger bestaat dan niet meer; ze voelt zich eenzaam.”

Mohammed Arifi, die de rol van de vader speelt, knikt instemmend: “De vrouw verandert zonder dat ze daar zelf veel invloed op heeft. Haar jongens nemen haar mee in hun ontwikkeling: zij hebben haar voeten in de stijgbeugels gezet en hup, daar gaat het paard. Ze kan niet meer terug.”

Gerrit Timmers: “We gaan met de voorstelling naar Casablanca en El-Jadida, de geboorteplaats van Chraïbi. Waar ze vooral benieuwd naar zijn is wat een Nederlander van dit stuk bakt. Het theater daar is anders. Marokko heeft geen toneelstructuur zoals hier, subsidie kennen ze niet en er is geen verschil tussen kunsttoneel en volkstoneel. De zaal zit altijd vol met een gemêleerd publiek: mantelpakjes naast hoofddoekjes. Men reageert veel levendiger dan bij ons, op een vraag op het toneel krijg je geheid antwoord uit de zaal. Als het aanslaat zou er misschien een vervolg moeten komen. Het lijkt me bij voorbeeld leuk een voorstelling te maken met Nederlandse en Marokkaanse acteurs. Maar dat zal een ander dan moeten doen, mij ontbreekt helaas de tijd en het geld.”