Ondergrondse uitzuigers

C.A.J. Kreutz: Orobanche. Die Sommerwurzarten Europas. Band 1: Mittel- und Nordeuropa. Uitg.: Stichting Natuurpublikaties Limburg, Maastricht 1995. Geïll., 159 blz., prijs ƒ 79,-. ISBN 90-74508-05-7.

Onder de eerste duizend woorden van een kleuter heeft zich het laatste decennium ongetwijfeld het woordje 'milieu' een plaatsje verworven. Na 'Woefwoef lief' en 'Pas op, auto' volgt al gauw 'Niet doen, slecht voor milieu'. Braaf gooit de nieuwe wereldburger zijn Olvarit-potjes in de glasbak en op de basisschool leert hij in 'Huisje-boompje-beestje' alles over planten, dieren en de boerderij.

In de bovenbouw houdt zijn grote broer een spreekbeurt over biodiversiteit. Thuis zet moeder de kinderen voor documentaires over leeuwenparken in Afrika, en de onderwaterwereld van de Seychellen. En vader overweegt het miljoenste lid van Natuurmonumenten te worden.

Het gaat goed met het natuur- en milieubesef in Nederland. Men zou daarom verwachten dat de studenten zich staan te verdringen om biologie te studeren en dat de natuurmusea bloeien: van planten en dieren weet men meer dan ooit tevoren.

Helaas, het tegendeel is waar. Het aantal biologiestudenten is maar een fractie van vroeger. En de meeste daarvan kiezen liever technische vakken zoals biochemie - een groot deel bestaat trouwens uit uitgelote geneeskundestudenten. Taxonomische vakken als botanie en systematische dierkunde worden tegenwoordig gemeden. Ook bij de docenten is het een aflopende zaak. Als bij de taxonomische instituten een medewerker weggaat, is er weer een specialist minder in Nederland. Voor opvolgers is geen geld.

Het is niet een Nederlands soort lamlendigheid, de afkeer van soortenkennis is een internationaal verschijnsel. Terwijl David Attenborough ons op alle netten toespreekt en door de BBC zelfs in prime time wordt uitgezonden, werd enkele jaren geleden het grootste deel van het British Museum naar huis gestuurd. Er mochten nog wel tentoonstellingen komen, maar onderzoek was niet langer nodig.

Dit alles leidt ertoe dat er, ondanks alle lippendienst die ministers en ambtenaren aan biodiversiteit bewijzen, in West-Europa steeds minder soortenkennis overblijft. Wie nu in Nederland professionele hulp wil hebben bij de determinatie van bijvoorbeeld een mos, moet naar Parijs of naar Londen.

Op eigen houtje

Bij al deze treurnis is het een wonder dat de amateur-taxonomen het hoofd niet laten hangen. Nog steeds zijn er verwoede liefhebbers die op eigen houtje een ongelofelijke hoeveelheid kennis vergaren. Eén zo'n amateur is de Limburgse automatiseringsdeskundige C.A.J. Kreutz, de grootste Nederlandse kenner van Orobanches ofwel bremrapen.

Bremrapen zijn wonderlijke organismen. Het zijn onmiskenbaar planten: de bloemstengels rijzen als vlammende toortsen op uit de grond en ieder bloemetje lijkt op het oog op een orchidee. Maar er is iets vreemds aan de hand met bremrapen: de bloemstengels dragen nergens bladeren. Sterker nog, de plant heeft nergens bladgroen. Bremrapen zijn parasieten, die via hun wortels van andere planten leven.

Voor een hogere plant is dat een uitzonderlijke levenswijze. Zonlicht en koolzuur zijn immers overal voorhanden, dus waarom afzien van de fotosynthese? Een parasiet is, hoe voordelig zijn leventje ook lijkt, volledig afhankelijk van zijn gastheer.

Bremrapen hebben plantenliefhebbers altijd gefascineerd. Het zijn dan ook bijna altijd schitterende bloemen, net zo mooi als orchideeën, met diepe en heldere kleuren. Voor amateurs vormen ze echter een moeilijke groep: het is niet makkelijk om de soorten te onderscheiden. En soms heeft een soort weer vele ondersoorten en variëteiten.

In eenvoudige flora's wordt de plantenliefhebber aangeraden naar de waardplant te kijken. Maar wat is de waardplant? Soms gaat het ondergrondse wortelstelsel meters ver. Moeten die wortels allemaal uitgegraven worden? Dat is een heel werk. Bovendien wordt in diezelfde flora de liefhebber aangeraden vooral geen zeldzame planten te plukken of te beschadigen. Dat gegraaf rond die schitterende plant maakt een onaangename indruk op de medenatuurliefhebbers. Gelukkig meldt de flora dat de waardplant lang niet altijd uitsluitsel geeft. Je kunt de wortels dus net zo goed niet uitgraven.

Terwijl er voor orchideeën volop specialistische boeken bestaan om de amateur op weg te helpen, bestond er voor bremrapen nog steeds zoiets niet. Met de verschijning van het tweetalige boek Die Sommerwurzarten Europas / The European broomrape species is in deze leemte voorzien. De auteur, de automatiseringdeskundige C.A.J. Kreutz, had al eerder boeken geschreven over orchideeën: 'De verspreiding van de inheemse orchideeën in Nederland' en 'Orchideeën in Zuid-Limburg' (onlangs herdrukt en uitgebreid met oude foto's die de adem doen stokken). Kreutz had graag ook een dik boek geschreven over orchideeën in Europa, maar dat kon niet meer - een ander was hem voorgeweest. 'Wilde orchideeën in Europa' van J. Landwehr in twee delen prijkt in menige boekenkast.

Ook het bremrapenboek van Kreutz verschijnt in twee delen. Het eerste deel gaat over Midden- en Noord-Europa en omvat dertig soorten. Het tweede deel over Zuid-Europa, dat in oppervlak kleiner is, zal zeker zoveel soorten bevatten, omdat bremrapen een vooral zuidelijke verspreiding hebben. In de hele wereld worden zo'n tweehonderd soorten onderscheiden - een fractie van de duizenden soorten orchideeën die er zijn.

De reden waarom bremrapen vooral in zuidelijke streken voorkomen is gelegen in hun voortplanting. Het zijn echte wortelparasieten. Als het stoffijne zaad uitkomt, moet het contact maken met de wortel van een waardplant. Dat is in onze zompige delta's niet gemakkelijk - wortels zitten nu eenmaal onder de grond en het aangewaaide zaad komt daar niet vanzelf. In zuidelijke landen, waar regens en droogten elkaar afwisselen, komen in de grond vaak diepe krimpscheuren voor. Daar is het voor zaad veel gemakkelijker om wortelcontact te maken.

Dat een uitkomend zaadje net bij een wortel van een specifieke waardplant uitkomt - het gaat om enkele millimeters - lijkt het toeval te tarten. Maar het volume van een wortelstelsel van planten is groot, de fijnste wortelhaartjes zijn voor ons onzichtbaar. Het bremraapzaadje wacht bovendien jaren zijn kans af. De nabijheid van de juiste waardplant schijnt hem chemisch te prikkelen.

De meeste bremrapen doen er een paar jaar over om tot wasdom te komen. In de tussentijd zuigen ze hun waardplant uit. Alles hebben ze van hem nodig: water, mineralen en suikers. Als de plant eenmaal boven de grond komt - en dat gaat net als bij een asperge - rijst de stengel omhoog als in een griezelfilm en binnen een paar weken kan hij tot bloei komen.

Opvallend is dat de bremraap zijn waardplant nooit volledig ten gronde richt. De waardplant heeft van zijn parasiet te lijden, maar blijft zelf in leven, hij wordt niet gewurgd, vergiftigd of volledig leeggezogen. Meestal legt de bremraap na de bloei het loodje, maar soms blijft bij de waardplant enig weefsel achter en wordt volgend seizoen weer opnieuw actief. Maar om te overleven moeten bremrapen het vooral van hun zaadjes hebben: de meeste planten brengen er honderdduizenden voort.

Veel bremrapen zijn gebonden aan één soort waardplant, andere kunnen wel vijftig soorten planten parasiteren. Het omgekeerde geldt ook: sommige waardplanten worden slechts geparasiteerd door een enkele bremraapsoort, terwijl andere door vele soorten bezocht worden. Er valt, eerlijk gezegd, geen peil op te trekken.

Cultuurgewassen

Als parasiet kunnen bremrapen behoorlijke schade toebrengen aan cultuurgewassen. De grootste problemen doen zich voor in zuidelijke landen. Maar soms verschijnt ook hier wel een bremraap in cultuurgewassen. Als de klavervreter (Orobanche minor) in de klaver wordt aangetroffen, moet het gehele klaverveld vernietigd worden - het zaad blijft kiemkrachtig nadat het door het vee gegeten is, met de mest zou nieuw land geïnfecteerd worden. Langdurig braakleggen of diepploegen is soms een oplossing - gelukkig komen deze problemen in Nederland weinig voor.

Met het boek van Kreutz moet het iedereen mogelijk zijn de bremrapen op naam te brengen. Van iedere soort zijn vier of vijf kleurenfoto's afgebeeld, tekeningen van speciale organen en een verspreidingskaart. De foto's zijn door Kreutz zelf gemaakt - ongetwijfeld het meeste werk.

Een enkel woord nog over de uitgeverij. Het tweetalige boek (Engels / Duits), met een namenlijst voor andere talen, is uitgeven door de Stichting Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Dat is, zoals men begrijpen zal, geen grote uitgever in Europa, terwijl het boek toch op de Europese markt gesleten moet worden. En in tegenstelling tot het boek van Landwehr over Europese orchideeën staat hier niet een organisatie als Natuurmonumenten als sponsor achter.

Nu de overheid het tegenwoordig volledig laat afweten, vraag ik mij daarom af waarvoor ik meer bewondering moet opbrengen: voor het doorzettingsvermogen van amateur Kreutz of voor de durf van het Limburgs genootschap.