Ombudsman laakt optreden; Gevangenis liet doodzieke man aan zijn lot over

DEN HAAG, 23 NOV. Directie, personeel en medische staf van de gevangenis Norgerhaven in Veenhuizen zijn nalatig geweest jegens een in 1994 overleden gedetineerde.

Dat oordeelt de Nationale Ombudsman in het gisteren verschenen onderzoeksverslag van deze zaak. Volgens Ombudsman M. Oosting is er van hoog tot laag sprake geweest van “een ernstig tekortschieten in het nemen en dragen van verantwoordelijkheid” voor de man, die wekenlang ernstig ziek en vervuild in zijn cel heeft gelegen, terwijl een uitgezaaide tuberculose hem sloopte.

De zaak geeft de Ombudsman aanleiding om er bij minister Sorgdrager (justitie) op aan te dringen dat in elke Nederlandse gevangenis een ziekenboeg wordt ingericht. Die ontbreekt in de meeste inrichtingen nog. Ook wil hij een betere omschrijving van de taken voor de verzorging van zieke gedetineerden. Van de minister van justitie verlangt hij de waarborg dat de directies in gevangenissen “voldoende toezicht” houden op de kwaliteit van de zorging die het personeel aan de zieken verleent.

De Nationale Ombudsman startte zijn uitgebreide onderzoek in oktober vorig jaar na een klacht van de gedetineerdencommissie uit 'Norgerhaven'. Deze commissie drong aan op een onderzoek naar de gang van zaken rond de ziekte en het overlijden van de op 26 september 1994 overleden mede-gevangene. Ook de rijksrecherche stelde een eigen onderzoek in.

In het rapport van de Ombudsman worden de laatste weken van de 38-jarige gevangene Marcel H., om zijn kracht en postuur 'de Moker' genoemd, gedetailleerd beschreven. Zijn ernstige pijnklachten begonnen in augustus, maar werden als simulatie afgedaan. Zowel de dienstdoende arts, een huisarts uit het Friese Oosterwolde, als de verpleegkundige van de inrichting weigerden H. in zijn cel te onderzoeken. Mede-gevangenen verklaren in het rapport dat zij H. ondersteunden als hij naar de dokter wilde. Overbrenging naar een ziekenhuis, zoals hij had gevraagd, werd geweigerd. Bij het verergeren van de klachten veronderstelden bewakers en medische staf dat drugsgebruik de oorzaak was. Toen de urine van H. werd onderzocht, bleek hij geen drugs te hebben gebruikt.

In de week voor zijn overlijden kwam H. niet meer van zijn bed. Hij liet zijn urine lopen en gaf aan veel pijn te hebben. Bewakers keken regelmatig naar hem, maar vonden het niet hun taak om hem te verzorgen. De verpleegkundigen zagen het evenmin als hun taak om H. te wassen en te verschonen. Het conflict werd voorgelegd aan de directie, die geen maatregelen nam. Ook de inrichtingsarts greep niet in. De medische behandeling bleef intussen beperkt tot een bloedonderzoek en een kalmeringspil.