NWO-Huygenslezing 1995; Chinees-Westerse culturele betrekkingen 1595-1995

Dit is een bekorte, vertaalde versie van de NWO-Huygens-lezing die gisteravond in de Nieuwe Kerk te Den Haag werd uitgesproken door Jonathan Spence, hoogleraar sinologie aan de Yale University. De onverkorte lezing, benevens het notenapparaat, is in boekvorm te verkrijgen door een briefje te schrijven naar NWO, Afdeling Voorlichting, Postbus 93138, 2509 AC Den Haag. In dit boekje is tevens de tekst opgenomen van co-referent prof.dr. E. Zürcher, die de betekenis van Spence schetst en een korte bespreking geeft van zijn werken.

Laten wij beginnen in Hongkong, in juni 1857. De Schotse zendeling James Legge wandelt met een vriend langs Caine's Road wanneer hij een stoomschip langs Sulphur Point de haven ziet binnenvaren. Het is de H.M.S. Shannon, een stoomfregat van het nieuwste type dat niet alleen zeilen heeft, maar tevens is uitgerust met een door stoom aangedreven schroef, waardoor zij in staat is vijf dagen lang tegen de wind in te varen op een enkele lading kolen. De Shannon is tevens het zwaarst bewapende schip ooit in het Verre Oosten waargenomen. Zij is uitgerust met zestig stuks geschut voor projectielen van 68 pond plus een hele reeks van kleiner geschut.

Terwijl de Shannon de haven van Hongkong binnenloopt, wordt zij door het vlaggeschip van de Britse admiraal begroet met saluutschoten. Zij beantwoordt de saluutschoten, zodat de golvende echo's van twee enorme batterijen door de nevelige heuvels van de kolonie dreunen. Legge wendt zich tot zijn metgezel en roept uit: 'Daar heb je het begin van de ondergang van het oude China. Het kan niets beginnen tegen deze zeekastelen.'

De woorden van Legge gaven blijk van een vooruitziende blik: aan boord van de Shannon bevond zich de Britse gevolmachtigde, James Bruce, de achtste graaf van Elgin. Binnen drie jaar zou hij grote delen van de stad Kanton beschieten en opblazen, de buiten Tianjin gelegen Dagu-forten aanvallen, het gewijde zomerpaleis van de Qing keizers tot de grond toe afbranden, zijn vloot de Yangtse rivier naar Hankou opsturen en onderweg Nanjing, de hoofdstad van de Taiping-rebellen, beschieten.

De woorden van Legge vonden ook op andere wijze weerklank. Sommige heersers van de Qing-dynastie begonnen de buitenlandse stoomschepen te bestuderen en bouwden hun eigen arsenalen in steden als Shanghai en Fuzhou. Daar begon een nieuwe generatie Chinese technici in samenwerking met westerse adviseurs met de bouw van schepen, kanonnen en ammunitie, en ten slotte met de machines die de schepen moesten aandrijven.

Hoewel James Legge veronderstelde dat de Shannon het begin inluidde van 'de ondergang van het oude China', werkte hij er zelf hard aan om dat verleden voor het nageslacht te bewaren. Circa 1885 voltooide hij zijn kolossale project van de geannoteerde vertaling van de Chinese klassieken in het Engels.

James Legge werd in 1815 in Schotland geboren, als zoon van van een winkelier. In 1839 kwam hij voor het eerst naar het Verre Oosten, als protestants zendeling in dienst van de London Missionary Society. Vier jaar later werd hij rector van het Anglo-Chinese seminarium in Hongkong, dat als taak had jonge Chinezen op te leiden voor het 'binnenlands bestuur' in China.

De visies die Legge op China had waren altijd gebaseerd op samenwerking. Legge zocht een rechtvaardiging voor zijn geloof dat in de Chinese vertaling van de bijbel de uitdrukking 'shang-di' ('Heer over alles' of 'Opperheer') op voegzame wijze gebruikt kon worden voor de God van de christenen. Bij zijn naspeuringen in de Chinese klassieken zocht hij intensief naar elementen met een klaarblijkelijk christelijke weergalm, die zouden aantonen dat God ook door deze oude teksten sprak. Bij deze onderneming bouwde hij voort op het werk van drie geslachten van katholieke missionarissen uit de zeventiende en achttiende eeuw.

Een van zijn eerste medewerkers was de jonge Chinese christen, Hong Rengan. De twee mannen bestudeerden samen de Chinese en Engelse teksten en predikten vaak in dezelfde kerkdiensten. Hun genegenheid voor elkaar ging heel diep en Legge schreef later: 'Hong was de enige Chinees met wie ik ooit wandelde met mijn arm om zijn nek en zijn arm om de mijne.'

Hong zelf was innerlijk verdeeld door strijdige bindingen. Zijn neef en medechristen Hong Xiuquan was de Hemelse Koning van de Taiping geworden. Deze had een protestantse chiliastische gemeenschap opgericht in Nanjing - die in een duizendjarig vrederijk op aarde geloofde. Hong stond erop de gevaarlijke reis door de linies van de Qing te ondernemen, om zich bij zijn neef in Nanjing te voegen, dit ondanks aandringen van Legge in Hongkong te blijven. Hongs beslissing kostte hem zijn leven.

Ik geloof niet dat het uit kritiek op Hong Rengan was dat James Legge zich begon te realiseren dat hij wetenschappelijke hulp van een hoger niveau nodig had dan Hong hem kon bieden. Toen hij de keus had tussen een toegewijd christen en middelmatig wetenschapper, en een superieure wetenschapper die geen christen was, koos Legge uiteindelijk voor deze laatste. Ook Legge's nieuwe amanuensis Wang Tao was in 1853 betrokken geraakt bij de stichting van het Hemelse Koninkrijk van de Taiping in Nanjing. Zelfs had hij, naar men aannam, brieven ten behoeve van hen geschreven. Wang Tao vluchtte naar Shanghai en vandaar naar Hongkong, waar hij korte tijd later, in 1863, bij Legge in dienst trad.

Wang Tao was een eminent geleerde. Hij was niet alleen geslaagd voor de lagere examens, maar 'overtrof al zijn landgenoten die Legge voordien had gekend in kennis van klassieke overlevering (...) en stelde hem de schatten van een grote en zorgvuldig gekozen bibliotheek ter beschikking. Terwijl hij zich energiek aan zijn werk wijdde, nu eens uitleggend, dan weer debatterend, verlevendigde hij menige dag van hard zwoegen.' Legge erkende dat de hulp van 'mijn vriend' Wang Tao bij het voorbereiden zijn eigen werk beïnvloedde. 'Alle volledigheid is in grote mate hieraan te danken'.

Kennelijk genas Legge Wang Tao van de afkeer die deze eerder ten aanzien van westerlingen aan de dag had gelegd. Zoals Wang in een vroegere brief schreef: 'De buitenlanders verklaren de tekst woord voor woord, in de meest primitieve en verdraaide vorm van Chinees die je je maar kunt voorstellen. Zelfs als Confucius uit de dood zou opstaan en de taak zou krijgen het zaakje op orde te brengen, zou hij het te erg vinden.' Indertijd bracht Wang tevens een ander probleem naar voren: 'Deze buitenlanders hebben niet genoeg geduld om grondig Chinees te leren. Zodra zij de betekenis van een paar letters kennen, willen zij boeken schrijven.'

Aan Legge schijnt hij betere herinneringen bewaard te hebben, lezend en pratend in de zuivere bries op de Peak in Hongkong en studerend naar eigen wens. Na bijna vier jaar samen aan de klassieken in Hongkong te hebben gewerkt, reisden beiden naar Schotland, waar Wang bijna twee jaar verblijf hield. Bij zijn terugkeer naar Hongkong in 1870 nam Wang de drukpers van James Legge mee - Legge was aangesteld als professor in de Chinese taal in Oxford - en begon een bedrijf als uitgever en journalist. De laatste jaren van zijn leven bracht Wang door in Shanghai als uitgever van de krant Shun Pao, en als decaan van het 'Chinese Polytechnische Instituut' dat was opgericht door de protestantse zendeling John Fryer.

Het doel van de Engelsman John Fryer, die in 1861 in China arriveerde, was een bijdrage te leveren aan de Chinese groei, door onderwijs en door hulp bij de vertaling van wetenschappelijke teksten, in het bijzonder op het gebied van techniek en scheikunde. Ook Fryers belangrijkste werk kwam tot stand toen hij de juiste man ontmoette om hem te helpen: Xu Shou, afkomstig uit Jiangsu. Evenals dat bij Hong Rengan en Wang Tao het geval was, was Xu's leven ontwricht door de opstand van de Taiping en was hij veroordeeld tot een zwerversbestaan. Hoewel hij zich als een deskundig wetenschapper beschouwde, was ook Xu niet geslaagd voor de confucianistische examens. Als reactie stortte hij zich in een leven van wetenschappelijke experimenten, waarbij hij prisma's, kompassen en muziekinstrumenten onderzocht. Ook verhoogde hij de zijdeproduktie in zijn geboortestreek: hij ontwierp een nieuw type ovenpan voor het drogen van de cocons en een mechanisch spinnewiel voor het vervaardigen van een fijnere kwaliteit draad.

In 1855 las Xu Shou in westerse tekstboeken over elektriciteit en scheikunde. Hij voegde zich, nadat zijn laboratorium door het leger van de Taiping was vernield, bij de staf van de staatsman en generaal Zeng Guofan. Daarna begon hij samen te werken met John Fryer. Hun doel: een nauwkeurige vertaling van de basisterminologie van de westerse scheikunde in het Chinees.

Resultaat: het uit tien delen bestaande 'A Chinese-Western Glossary of Chemical Substances'. Daarin waren 5000 uitdrukkingen uit het scheikundig vocabulaire op overzichtelijke wijze samengebracht. Het werk werd voltooid in 1885, hetzelfde jaar waarin Legge het laatste deel van zijn levenswerk over de Chinese klassieken afrondde.

Aanvankelijk richtten Xu Shou en John Fryer zich op de naamgeving van de elementen (toen zij met hun werk begonnen waren er slechts 62 elementen bekend, in tegenstelling tot de 103 vandaag) en besloten zij waar mogelijk de bestaande Chinese termen te gebruiken in plaats van de Latijnse. Zij besloten tevens geen westerse letters in hun formules te verstoppen. Zij maakten gebruik van de beschikbare Chinese tekens, bijvoorbeeld die voor metalen, zwavel, koolstof en kwik. Door als regel de stam van een bepaald teken de basale chemische eigenschappen van het betreffende element te laten weergeven (bijvoorbeeld metaal, gas of vloeistof), pasten zij tekens aan totdat zij de juiste woordenlijst hadden.

Op het gebied van de wiskunde vond een zelfde onderneming plaats. Ook hier werd de grootste bijdrage geleverd door een team dat ditmaal bestond uit de wetenschapper Li Shanlan uit Zhejiang en Alexander Wylie. De laatste was in 1847 van de London Missionary Society naar China gekomen. Li, geboren in 1810, studeerde hard voor de traditionele confucianistische examens, maar ook hij kwam niet verder dan de laagste licentiaatsgraad. Ter compensatie stortte hij zich op de studie van de wiskunde, waarbij hij in het bijzonder beïnvloed werd door een groep van Chinese geleerden die Chinese wiskundige teksten uit de twaalfde en dertiende eeuw opnieuw hadden geïnterpreteerd. Deze omvatten werken op het gebied van de algebra, waar Li Shanlan commentaar op leverde en die hij uitbreidde.

Veel wiskundigen, tijdgenoten van Li, kwamen om het leven in de verwarring waarmee de opstand van de Taiping gepaard ging. Li zocht wijselijk een onderkomen in de ontluikende internationale gemeenschap in Shanghai, waar de waarde van zijn werk werd erkend door Alexander Wylie. De twee begonnen samen te werken en voltooiden in 1857 hun eerste grote project: een vertaling van de boeken 7 tot t/m 15 van de Elementa van Euclides. Binnen enkele jaren vertaalde hetzelfde tweetal Morgan's verhandeling over algebra, Loomis' 'Study of Differential and Integral Calculus' en Herschell's overzicht van de astronomie.

's Ochtends uitte Wylie hardop gedachten over fundamentele analytische en wiskundige ideeën in Chinese spreektaal, terwijl Li die omzette in beschaafde en nauwkeurige schrijftaal. In de middag vertaalde Li werken over kegelsneden, mechanica en botanie, samen met een andere zendeling, terwijl Wylie zich met andere zaken bezighield.

Met hun keuze om de boeken 7 t/m 15 van de Elementa van Euclides te vertalen, probeerden Li en Wylie het eerste grote intellectuele samenwerkingsverband tussen een westerling en een Chinese geleerde - de vertaling van de boeken 1 t/m 6 van Euclides door Xu Guangqi en de Jezuïet Matteo Ricci tussen 1604 en 1607 - te overtreffen.

Het belang van de voltooiing van het volledige werk van Euclides in het Chinees werd opgemerkt door de beroemde geleerde en staatsman Zeng Guofan. In 1865 ondersteunde hij de uitgave van de twee vertalingen van Euclides in één band. Die werd opgeluisterd door een inleiding van eigen hand, waarin hij de waarde van dergelijke ondernemingen prees.

Elke beschrijving van Chinees-Westerse culturele betrekkingen dient zorgvuldig aandacht te schenken aan de samenwerking tussen Matteo Ricci en Xu Guangqi. Het was een samenwerking op elitair niveau. Ricci had het beste onderwijs genoten dat Europa in de zestiende eeuw kon bieden: het Jezuïtische Collegio Romano, waar Clavius zijn leraar in wiskunde en astronomie was geweest. Xu was niet alleen voor de hoogste Chinese staatsexamens geslaagd, maar tevens geselecteerd voor dienst in de keizerlijke Hanlin academie.

Xu voegde zich bij de Jezuïtische missionaris in 1604, kennelijk op de hoogte van een eerdere poging van Ricci om het eerste hoofdstuk van Euclides in het Chinees te vertalen. Het tweetal werkte een jaar lang elke ochtend samen aan de vertaling van Clavius' versie van Euclides. De eerste uitgave van de eerste zes boeken verscheen in 1607. Volgens Ricci had Xu het volledige werk haastig willen voltooien. Ricci had echter tot voorzichtigheid gemaand en voorgesteld de Chinese geleerden in de gelegenheid te stellen bij de principes waaraan in de eerste zes boeken uitdrukking was gegeven stil te staan, voordat het volgende blok verscheen. Naar het schijnt berustte Xu niet zonder tegenzin in dit voorstel.

Deze vroege vertaling van Euclides heeft grote invloed gehad op de wiskunde van de Ming en Qing dynastieën. Het is de moeite waard deze nader te onderzoeken als een voorbeeld van wederzijdse culturele betrekkingen. Deze taak wordt vergemakkelijkt door de recente studie van Peter Engelfriet, 'The Chinese Euclid and it's European Context.'

Een fundamenteel punt is dat Ricci's vertaling en Euclides' oorspronkelijke tekst slechts gedeeltelijk overeen komen. In het Europa van de zestiende eeuw wemelde het van de uitgaven die waren aangepast om Euclides toegankelijker te maken. Bij vele hiervan was de oorspronkelijke tekst volledig omgezet. Ricci gebruikte de Latijnse vertaling van de oorspronkelijke tekst die door zijn eigen leraar, Clavius, was vertaald. Clavius gaf zelf toe dat zijn vertaling een herschikking was. Ricci schreef in zijn voorwoord dat de 'grote rivier van de wiskunde' vier vertakkingen had, namelijk rekenkunde, geometrie, muziek en de astronomie.

Engelfriet heeft naar voren gebracht dat het woord dat Ricci en Xu voor de vertaling van de cruciale term voor een wiskundige 'afleiding' gebruikten de Chinese term 'lun' is. In principe heeft die de betekenis van een discussie, een overdenking of een argument en wekt daarmee de indruk ver verwijderd te zijn van de verschillende westerse woorden voor afleiding of 'bewijs'.

Engelfriet oppert dat het vertalen van het woord afleiding met 'lun' slechts te begrijpen is wanneer wij het werk van Ricci en Xu in het verband van de zestiende eeuw plaatsen - in het verband van de pogingen om de wiskunde los te maken van de Analytica Posteria van Aristoteles en het geloof dat 'de bewijzen die de stellingen vergezelden niet door Euclides zelf geschreven waren, maar door latere schrijvers waren toegevoegd als een soort van commentaar'. Zo wekt het geen verbazing dat Ricci en Xu voor het woord 'axioma' het Chinese woord 'gonglun' gebruikten, wat in feite 'publieke opinie' betekent. Bovendien bleek het onvermijdelijk dat Ricci en Xu bij hun pogingen de vertalingen van Euclides zo nauwkeurig mogelijk te doen zijn, bepaalde tekortkomingen tegenkwamen in de westerse methode van wiskundige argumentatie die naar hun mening slechts opgelost konden worden door reeds bestaande Chinese wiskundige concepten te introduceren in aanvulling op de westerse analyse.

Zeng Guofan besloot in 1865 Ricci's inleiding op te nemen in zijn heruitgave van de door Ricci en Xu vertaalde delen van Euclides. De latere Qing staatsman beaamde dit en merkte op dat de Chinese wiskunde had gefaald omdat de Chinezen 'de methoden slechts vagelijk doornamen en niet de notie hadden de principes te onderzoeken.' Zo 'ontbloot de Elementa de oorspronkelijke redenen voor de rekenkundige regels en worden ons resultaten geboden die met de regels alleen niet te bereiken zijn.'

Zeng Guofan was in het midden van de negentiende eeuw de sponsor van vele Chinese pogingen tot technologische aanpassing. Onder zijn opvolgers bleek het onmogelijk de invloed van de nieuwe ideeën in banen te leiden. De culturele betrekkingen verliepen nu langs ontelbare wegen.

Een bruikbare leidraad is een studie van de verandering van de Chinese taal zelf, ondernomen door mevrouw A.H. Mateer in 1913. Mevrouw Mateer kwam op het idee voor haar studie door tijdens de late Qing periode en de vroege republiek regelmatig Chinese kranten te lezen. Haar voorbeelden strekken zich uit van 'alledaagse woorden' in China (vliegenpapier, sigaretten, veiligheidsscheermes, stropdas) tot gecompliceerde concepten van ideologisch gewicht.

Mevrouw Mateer realiseerde zich dat de Chinezen bij elke nieuwe uitdrukking die zij probeerden over te nemen problemen van klank versus inhoud meester trachtten te worden. Zoals Fryer en Li Shanlan hadden besloten om de uitspraak van westerse scheikundige termen niet te volgen, zo worstelden de Chinezen met het opnieuw definiëren van hun taalkundige woordenschat. Zo merkte mevrouw Mateer op dat de nieuwe term voor 'lid voor het leven' (Eng: life member) van een beroepsvereniging in 1913 nog steeds vertaald werd als 'laifu meibo'. En hoewel er nog steeds mensen waren die 'De-lü-feng' voor telefoon (Eng: telephone) gebruikten, leerden de meesten om het nieuw samengestelde woord 'dianhua' te gebruiken, wat letterlijk 'elektrische spraak' betekent. Voorts nam zij waar hoe sommige begrippen nog steeds vertaald werden op basis van klank ('Monroe Doctrine' als 'Menluo Zhuyi') terwijl andere werden omgezet naar betekenis, zoals het geval was bij 'Bismarckisme', dat werd vertaald als 'Tiexue zhuyi', wat 'Iron and Bloodism' betekent.

In vele gevallen werd de vorm geleend van de Japanners, die veertig jaar eerder stappen hadden ondernomen een eigen wereld van neologismen te scheppen. Zo kan men in de lijsten van mevrouw Mateer de Chinese vertalingen vinden van handelsgeest, filantropie, materialisme en de gezonde voedings- of hygiënische variëteit van vegetarisme (in tegenstelling tot de boeddhistische religieuze variëteit), individualisme en modernisme, nationalisme, socialisme, utilitarisme, nihilisme en communisme. Er was tevens een groep woorden voor nieuwe technieken, waarbij gebruik werd gemaakt van het Chinese achtervoegsel 'shu', wat kunst of vaardigheid betekent. Hier vinden wij vliegkunst, hypnotisme en fotografie.

Het was nodig dat er ook vertalingen kwamen voor de negatieve aspecten van de nieuwe begrippen. En dus komt men onder Mateers woorden onder 'sociologie' tegen: decadentie, halfbeschaafd, onwetend, overbevolking, rassenvooroordeel, het gele gevaar en nationale extinctie. In een afzonderlijke sectie gaf Mateer een lijst van nieuwe Chinese filosofische uitdrukkingen. Ook hier wijst het zoeken naar de juiste voorstelling op zich al op de intellectuele verwarring van die tijd in zowel de westerse als de oosterse cultuur. Hedonisme moest tegenover sofisme worden gesteld en er diende duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen suggestie, impressie, intuïtie, subliminaal bewustzijn, onderscheiding, perceptie en inductie. Vele van deze begrippen konden ook in een of andere vorm in het Chinese boeddhisme of in de traditionele Chinese filosofie worden gevonden, maar de moderne tijden eisten een nieuw gebruik. Nieuwe noties drongen almaar verder op, zoals 'vrouwelijke sfeer' of 'psychotherapie.'

Voor de ideeëen achter zulke uitdrukkingen moet de historicus diep graven in de culturele geschiedenis van beide beschavingen. Niet zozeer om vertaling mogelijk te maken, maar om de inhoudelijke mogelijkheden zelf af te tasten. Het concept van de vrouwelijke sfeer was iets dat begon op te komen tijdens de latere Qing periode, door de verbreiding van onderwijs voor vrouwen, de kritiek op het inbinden van voeten, protesten tegen traditionele praktijken bij huwelijksvoltrekkingen en het zich verdiepen van het historisch onderzoek naar de confucianistische structuren met betrekking tot het nageslacht, het patriarchaat en de drie verplichtingen van gehoorzaamheid. Hier werden voorbeelden van heroïsche westerse vrouwen aan toegevoegd (Jeanne d'Arc, Florence Nightingale) of van moordenaressen zoals Charlottte Corday en Sophia Perovskaya (politieke experimenten tijdens de vroege republiek introduceerden woorden voor 'suffragette' en 'suffragisten', ook al was concrete actie op dat moment niet haalbaar).

De buitenlandse feministische literatuur op zich bracht uitdrukkingen voort die blijvend deel werden van de Chinese taal, zoals 'ibsenisme', behorend bij de figuur van Nora uit Een Poppenhuis. Invloedrijke vrouwen zoals de metgezel van Bertrand Russell, Dora Black, of de pleitbezorgster van de geboortenbeperking, Margaret Sanger, die beiden China bezochten en daar tussen 1920 en 1922 lezingen hielden, brachten nieuwe lijsten van woorden en levensechte voorstellingen van een wereld die een historisch, fictief of theoretisch voorkomen had gehad.

Wat de psychotherapie betreft reikten de problemen van vertaling tot in de verste uithoeken van identiteit, gezin en bewustzijn. De bestanddelen van de stuntelige uitdrukking 'jingshen liaofa' die zij citeerde, betekenen letterlijk de methodiek ('fa') voor het genezen ('liao') van aspecten van de geest, de energie of het mentale vermogen ('jingshen'). Deze werd later over het algemeen vervangen door een meer neutrale uitdrukking, 'jinshen fenxi', die werd gebruikt voor psychoanalyse en die niet impliceerde dat er enige 'genezing' zou plaatsvinden. De uitdrukking voor psychologie, 'xinli xue' of 'studie van verstand', was ingevoerd uit Japan in 1900 en werd een blijvend deel van de Chinese taal. Het idee van 'massapsychologie' werd voor het eerst besproken in een Chinese tekst in 1913 en een uitdrukking voor 'bewustzijnsstroming' verscheen voor het eerst in 1919, op dezelfde tijd als de eerste, aanhoudende discussie en analyse met betrekking tot het feminisme van Ibsen en het communisme.

Wij zien dat er geen leidende organisatie zat achter de vertaling van deze uitdrukkingen of achter de rangschikking van psychologische gegevens. Hoewel men latere equivalenten van Ricci en Xu Guangqi of Fryer en Li Shanlan kan vinden, was er niemand die de golf van opkomende gebieden, die zo weinig precedent hadden in Chinese cultuur, kon beheersen.

Een recent geleerde op het gebied van de verbreiding van de psychoanalyse in China, Zhang Jingyuan, heeft het intrigerende feit gepresenteerd dat indertijd tenminste tien verschillende vertalingen van de naam van Freud in het Chinees in omloop waren, aanzienlijk meer dan van enige andere westerse persoonlijkheid. De verbijstering beperkte zich echter niet slechts tot Freuds naam, maar strekte zich uit over veel dat voortkwam uit Freuds psychoanalyse. Er bestond enige overeenstemming over regressie, taboe en illusie, maar het 'onderbewustzijn' was een groot struikelblok. De Japanse term, in het Chinees 'wuyizhi' of 'zonder bewustzijn' werd als te kunstmatig verworpen. Die werd gevolgd door niet minder dan zeven concurrerende varianten, waarvan geen enkele universele navolging kreeg en waarvan vele een boeddhistische filosofische echo bleven houden. Het probleem van de vertaling van deze term is ook in de jaren negentig van deze eeuw nog steeds niet opgelost. Het 'Oedipuscomplex' bleek al even moeilijk voor te stellen in het Chinees. De Japanse term 'congressus (of geslachtsgemeenschap) met zijn eigen moeder', in het Chinees 'qinmu fuhe', werd zonder meer als ondenkbaar van de hand gewezen. Daar culturele kennis van de mythe van Oedipus in China ontbrak, volgden sommigen de Japanners en poogden de uitdrukking voor incest direct in hun terminologie op te nemen, zoals 'luan luan de cuozong', wat 'problemen te maken met incestueus gedrag' betekent. Anderen gebruikten een Chinees homoniem voor het woord 'Oedipus'. Zij stelden zich ermee tevreden dat de betekenis onbekend bleef en voegden er vervolgens verschillende uitdrukkingen aan toe, van 'emotionele knoop' tot 'gedachtencluster'. Freuds notie van vrouwelijke hysterie, die naar zijn mening een fixatie bevatte op kinderlijke sexualiteit,die gevormd werd door een castratiecomplex en penisnijd, werd door de Chinezen eenvoudigweg totaal genegeerd. Na uitgebreid onderzoek kon Zhang Jingyuan geen enkele Chinese geleerde of in het Chinees schrijvende westerling uit de eerste helft van deze eeuw ontdekken, die Freuds oorspronkelijke ideeën over hysterie weergaf.

Men zou in de verleiding kunnen komen om zich voor te stellen dat de culturele overdracht in elkaar zakte onder zijn eigen gewicht. Dat zou echter te eenvoudig zijn. Reeds geruime tijd wordt in Taiwan, en op aarzelende wijze in de Volksrepubliek, de vertaling van moeilijke termen opnieuw onderzocht. Ironisch genoeg wordt het gebruik van termen van politieke medezeggenschap in de Volksrepubliek als het meest bedreigend gezien en worden de verbreiders ervan in grote moeilijkheden gebracht. Dit ondanks het feit dat woorden als verkiezing, stemgerechtigde, plattelandsraad, gemeentelijk centrum, vergadering, spreker, vertegenwoordiging en stemming hun Chinese equivalent vonden tussen 1900 en 1910 (al bestaan hier wel meningsverschillen over).

Maar ook hier weer heeft de geschiedenis een vreemdsoortige wending genomen en een nieuw, gemeenschappelijk vocabulaire voortgebracht dat jongeren en ruimdenkende ouderen door beide culturen heen met elkaar verbindt. Het blijkt de Chinese staat moeite te kosten om deze binnen de perken te houden. Ik doel op zowel het muzikale als het taalkundige vocabulaire van rock-and-roll. Rock werd de symbolische taal van de Tiananmen-demonstraties in 1989 en blijft gedijen, zowel openlijk als ondergronds. Opnieuw worden taal en techniek met elkaar verbonden, doordat de audiocassette, de video en de compact disc op natuurlijke wijze aansluiten bij e-mail, fax en glasvezelkabel.

Wij staan inmiddels ver af van de wereld van Legge en Wang Tao, van Fryer en Li Shanlan, van Ricci en Xu Guangqi. Onze culturele betrekkingen met China hebben een nieuw uiterlijk aangenomen, meer niet. Het wederzijdse avontuur zet zich voort.