Mulisch aanvaardt 'magnifieke prijs'

BRUSSEL, 23 NOV. Schrijver Harry Mulisch heeft vandaag uit handen van de Belgische koning Albert II de Prijs der Nederlandse Letteren gekregen voor zijn hele oeuvre. De uitreiking van de prijs, die wordt beschouwd als de meest prestigieuze literaire onderscheiding in het Nederlands taalgebied, had plaats tijdens een academische zitting op het koninklijk paleis te Brussel.

De prijs (32.000 gulden) is toegekend door het comité van ministers van de Nederlandse Taalunie. De voorzitter van het comité, de Nederlandse staatssecretaris van cultuur Aad Nuis, prees Mulisch vanmorgen in Brussel omdat “de heilige overtuiging bij hem nooit de zwavelgeur van fanatisme verspreidt, nooit de wapenuitrusting draagt van het allesverpletterende gelijk”.

Ook de jury, onder leiding van E. Kossmann, gaat in haar rapport in op de schrijver Mulisch als publiek personage en concludeert: “Hij mag dan een saloncommunist en een relletjesvoyeur genoemd zijn, dat neemt niet weg dat hij zich voortdurend betrokken gevoeld heeft bij politieke en sociale breekpunten.” Over het schrijverschap van Mulisch oordeelt de jury dat het “door de veelzijdigheid, samenhang, thematiek en verbeeldingskracht van het oeuvre uniek is”. Mulisch' meest recente werk, “het spectuaculaire De ontdekking van de hemel”, wordt de voorlopige apotheose van zijn schrijverschap genoemd.

In zijn dankwoord voor de “magnifieke prijs” betoogde Mulisch dat de Nederlandse Taalunie ten onrechte de Nederlandse en de Vlaamse literatuur als eenheid beschouwt, terwijl die twee evenveel van elkaar verschillen als de Nederlandse en de Deense literatuur, “ofschoon die geschreven zijn in verschillende talen”. Het is ondenkbaar, zei Mulisch, dat auteurs als Stijn Streuvels of Gerard Walschap hun boeken als Nederlanders geschreven hadden. “Het is de beeldenstorm van de reformatie versus barok van de contrareformatie”, aldus de laureaat, die stelde dat de Nederlandse Taalunie geen Letterunie kan zijn.

In een interview vandaag in de Vlaamse krant De Standaard, verklaart Mulisch over de hem toegekende literaire prijs: “Hoger kan ik niet, althans niet in Nederland.” Volgens de auteur is de Nobelprijs voor literatuur nog altijd mogelijk, “maar dat is een casino.” Eerder zei hij tegenover het dagblad De Morgen: “Het zat er natuurlijk in dat het een keer zou gebeuren. Maar als het dan gebeurt is het toch altijd heel leuk.”

De Prijs der Nederlandse Letteren wordt sinds 1956 één keer in de drie jaar uitgereikt, bij toerbeurt aan een Belgische of een Nederlandse schrijver of dichter. Mulisch bevindt zich met de onderscheiding in het illustere gezelschap van Herman Teirlinck, Adriaan Roland Holst, Stijn Streuvels, J.C. Bloem, Gerard Walschap, Simon Vestdijk, Marnix Gijsen, W.F. Hermans, Lucebert, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar. De vorige Prijs der Nederlandse Letteren ging naar de Vlaamse dichteres Christine D'haen, die de prijs op 28 oktober 1992 in Paleis Noordeinde ontving uit handen van koningin Beatrix. Zij was de eerste vrouw die deze prestigieuze literaire onderscheiding kreeg.