In Liefde Bloeyende

AAN MYN NACHTLAMP

Getrouwe lamp, die waakt terwyl ik slaap

Met flaauwen glans myn eenzaam bed verlicht!

Gy leert stilzwygend myn' rustzieken geest

Het naadrend eind' myns levens gaê te slaan

Wanneer 't reeds lang verrezen morgenlicht

My eindlyk doet ontwaaken, en ik zie

Uw vlam gedoofd, uwe oli gantsch verteerd

Dan denk ik: dus word zeker ook eerlang

De stille vlam myns levens uitgebluscht.

Geschied dit, dan, myn wachtende erven! dan

Verkoopt myn lamp: zy zy niet min beroemd

En geld' niet min, dan Epiktetus lamp.

Myne erven, zingt (dit zy myn testament)

Zingt dan myn kunst- en zorgeloos gedicht

Myn gulle vaerzen, vruchten van 't gemak

Die naar de lamp niet rieken. - En, ô gy

Myn trouwe lamp! in welk een vreemde hand

Na mynen dood, het grillig lot u voer'

Byt hem, die u na my bezit, in 't oor:

'k Behoorde oorsprongklyk Hypnus aartspoëet.

O.C.F. Hoffham (1744-1799)

Hier is een dichter aan het woord die beurtelings zijn trouwe nachtlamp en zijn ongeduldige erfgenamen toespreekt. Hier is een dichter aan het woord die zijn 'gulle vaerzen' kunsteloos noemt en 'vruchten van 't gemak'. Hier is een dichter aan het woord die zich zelf bestempelt als Hypnus' aartspoeet, zoiets dus als de lijfdichter van de god van de slaap. Je moet wel 'n slaapkous van jewelste zijn om niet meteen te beseffen dat hier een bijzonder dichter aan het woord is.

En bijzonder was O.C.F. Hoffham, want in zijn bundel Proeve van slaapdichten uit 1785 zijn alle tweeëndertig gedichten gewijd aan de slaap. Het is één lofzang op het niets, het geeuwen en de vergetelheid. Voortdurend wordt de slaap als de tweelingbroer van de poëzie gezien, en vormen de ledigheid en de bewusteloosheid de ware lauwerkrans om de slapen van de dichter: Ik voel myn zanglust met myn slaaplust groeijen

Ik dicht met handen in den schoot;

Ik slaap, dus ik ben - zo parafraseert Hoffham in het gedicht Myne Philosophie het cogito ergo sum van Descartes. Vanzelf is bij hem de slaap weer de tweelingbroeder van de dood. Het lijkt of aan het twintigste-eeuwse poëzievoorschrift van J.A. Emmens (Kunst-en vliegwerk, 1957):

Het is bepaald overdreven te

denken

dat het gedicht een poging

betekent

om iets verstaanbaar te maken

laat staan

een uiting van priesters die god

zien

al in de achttiende eeuw door Hoffham attent wordt voldaan. Want zijn enige god is de slaapgod en op het terrein van het niets en de afwezigheid valt er weinig verstaanbaar te maken. Er wordt bij Hoffham een hele bundel lang doorgedommeld. Zo'n dommelaar kan geen weet hebben van een dichter twee eeuwen na hem, maar het is bepaald niet overdreven te denken dat het ook bij Hoffham gaat om een commentaar op de dichtkunst en de dichters. En wel in de vorm van een totale omkering. In de voor zijn tijd moderne rijmloze stijl à la Bellamy en Van der Woordt - deels anacreontisch, deels horatiaans - bezingt Hoffham zó consequent het tegendeel van wat zijn collega's bezingen dat hij zelfbewust kan uitroepen: Ik ben oorsprongkelyk poëet:

Geen sterveling, voor my

betrad het eigen voetspoor

Dat ik my baande 't Lijkt me geen woord te veel gezegd. Er werd hier en daar wel eens gedicht over het Niets, maar ik ken geen voorbeeld van een heel dichtoeuvre dat is gewijd aan het niet-dichten. Alsof een astronoom zijn leven in dienst heeft gesteld van 't continu beschrijven van de achterkant van de maan.

In 1986 kwam dit gedicht in mijn bloemlezing van de poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw terecht, niet alleen omdat ik Hoffham zo'n bijzonder dichter vind, dat ook, maar vooral omdat ik er de lamp van Epictetus weer in tegenkwam, mijn eigen nachtlamp zoals die had gefigureerd in het motto bij mijn poëziedebuut, achttien jaar eerder:

Weergalmt mijn Lier, zij leent

heur snaren

Tot geen vermeetlen kamp!

Als Phebus opsteeg uit de

baren

Doofde Epicteet zijn lamp.

maar die nachtlamp was van Staring. Zodra de zon, de vitaliteit, de ware god van de dichters uit de baren opsteeg doofde Epictetus, de Griekse filosoof, zijn werklamp en hield hij met filosoferen op. Staring bedoelde er, geloof ik, zo ongeveer mee te zeggen dat de ware kunst maakwerk was, metgezel van de studie en de nacht, en dat de spontaniteit en de extase - de uitingen van priesters die god zien - vijandig waren aan de poëzie. Iets in die buurt. Hoffham zou geen oorspronkelijk poëet zijn als hij die zaak niet had omgedraaid: de lamp bij hem deed gewoon haar olie-verterend werk terwijl de dichter sliep. Ze leert hem, als ze door gebrek aan brandstof dooft, zelfs een geruststellende les over de definitieve dood. De dichter krijgt in de tweede strofe van de weeromstuit een mercantiele bevlogenheid over zich: moge zo'n leerzame lamp zijn nabestaanden veel geld opbrengen! De trouwe lamp die toebehoorde aan de dichter van de verzen die naar de lamp niet rieken.

Ik geloof niet dat Hoffham parodistisch en humoristisch is, zoals de paar mensen die over hem hebben geschreven wel beweerden, ik geloof dat hij een volbloed cynicus is.