Het probleem aalscholver

Minister Aartsen wil de aalscholver aanpakken omdat hij een probleem zou vormen voor de beroepsvisserij. Maar uit een recent rapport, waaraan geen ruchtbaarheid werd gegeven, blijkt dat het met die schade erg meevalt. Bovendien zijn de jaren van ongebreidelde groei voorbij.

Riding on the Crest (1995, Van Eerden et al) is een speciaal nummer van het vogeltijdschrift Ardea. Het is te bestellen door ƒ 35,- over te maken op giro 125347 van de Nederlandse Ornithologische Unie te Oegstgeest. Rapport IKC Natuurbeheer nr 19: Aalscholvers en beroepsvisserij. Wageningen 1995. C. van Dam (red.)

Zaterdagmorgen 18 november, congreshal Agora in Lelystad. In de zaal zitten zo'n honderd verhitte IJsselmeervissers. Ambtenaren van het ministerie van LNV en het Produktschap Vis doen hun uiterste best de vissers zover te krijgen dat ze zich aansluiten bij de 'PO', de nieuwe producentenorganisatie die zal beslissen hoe de leden vijftig procent teruggaan in het aantal vistuigen.

Een stevig gebouwde visser loopt naar de microfoon: “Als nu eerst eens zestig, zeventig procent van de aalscholvers wordt doodgeschoten, dan komen we veel beter bij elkaar.” Instemmend gemompel. Andere vissers volgen: “Onze regering moet het voedsel voor de aalscholver niet uit ons IJsselmeer halen.” “Eerst de aalscholvers weg”, meent een collega, “dan betere prijzen, en dan zijn wij bereid stappen terug te doen.”

Een forumlid sust de gemoederen: “Het feit dat de heer Van Duijn net, als woordvoerder van het ministerie, heeft gezegd dat het ministerie dit probleem onderkent is een hele stap. Vier jaar geleden was voor het probleem Aalscholver nog geen draagvlak. Nu horen we dat er aan gewerkt wordt.”

Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zit in een lastig pakket. Het IJsselmeer wordt zwaar overbevist. De directie Visserij wil - in de lijn van het nieuwe LNV-beleid - de verantwoordelijkheid voor een duurzaam visbeheer delen met de IJsselmeervissers zelf. Maar dan moet LNV van de vissers eerst iets doen aan die verguisde vogels, die met duizenden broeden op de Oostvaardersplassen, en die hun aal, baars en snoekbaars opeten. De aalscholvers zijn echter wettelijk beschermd in Europa. Woordvoerder Van Duijn heeft in Lelystad nietemin toegezegd, dat zijn directie wil werken aan een beheersplan, en de minister heeft dit bevestigd tijdens het Kamerdebat over de visserij-begroting op 20 november. De kamerleden zijn in principe akkoord gegeaan met een beheersplan voor de aalscholvers. Hoe de aalscholverstand verminderd moet worden, is niet duidelijk. Minister Van Aartsen spreekt van 'onorthodoxe maatregelen'. Over een uitgewerkt plan zal de Kamer opnieuw beslissen.

De omvang van 'het probleem Aalscholver' is afgelopen jaren in kaart gebracht door visserijbiologen en vogelbiologen. Zes biologen zaten in een werkgroep met LNV-ambtenaren en vertegenwoordigers van de visserij-sector en de natuurbescherming. De werkgroep heeft onder leiding van het Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer in Wageningen half oktober het rapport 'Aalscholvers en beroepsvisserij' uitgebracht. De werkgroep heeft zich onthouden van waarde-oordelen. Er wordt niet gesproken van 'schade' door de aalscholver, maar van 'effecten' op de visstand.

De minister en de fracties hebben wel hun besluit genomen op grond van de 'enorme schade' die de aalscholvers de visserij toebrengt, zo leert een rondje bellen onder Kamerleden. Naar het rapport, dat toch met veel moeite tot stand is gekomen en uniek is gezien de brede samenstelling van de groep, is in beleidstukken wel verwezen maar het is de Kamerleden niet toegestuurd. Het is ook niet naar de pers gegaan. En medewerking van het IKC voor achtergrondinformatie werd geweigerd, omdat het allemaal zo gevoelig ligt.

Inkomstenbron

Er zijn ongeveer 300 IJsselmeervissers, leert het boekje. Voor hen is de paling of aal de belangrijkste inkomstenbron. Deze brengt zo'n vier en half miljoen gulden per jaar op. Daarnaast krijgen de vissers drie miljoen voor baars en snoekbaars, en een half miljoen voor de kleine spiering.

De paling- of aalvisserij kampt sinds 1982 met sterk afgenomen aantallen glasalen (onvolwassen palingen) en visbiologen achten het onwaarschijnlijk dat deze wereldwijde teruggang snel weer aantrekt. De vissers proberen de teruggang te compenseren met extra vistuig. Dat lukt redelijk, maar heeft één groot nadeel: er gaan ook veel andere vissen onbedoeld dood, het probleem van de zogeheten 'bijvangst'.

De werkgroep wilde het effect van de aalscholvers vergelijken met het effect van bijvangsten. Visbioloog drs. W. Dekker, werkzaam op het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO), bemonsterde in 1993 commerciële bedrijven in het IJsselmeer en het Markermeer. Hij kwam tot onthutsende conclusies. De vissers vingen in hun fuiken behalve tien miljoen alen, 255 miljoen onverkoopbare visjes. Hieronder veertig miljoen jonge baarzen, 0,2 miljoen jonge snoekbaarzen en vijftig miljoen spiering. In gewicht uitgedrukt: voor elke kilo aal moeten de vissers tien kilo dode vis teruggooien. In 1985 schatte het RIVO nog dat voor elke kilo aal één kilo vis moest weggooien.

In Lelystad was die enorme bijvangst van jonge baars en snoekbaars hét argument voor minder vistuigen. “Het laatste onderzoek aan bijvangsten heeft ineens een geweldige impact”, stelt Dekker na de ochtendzitting vast. “Bij de argumentatie is blijkbaar gekozen voor die post waar de meeste winst in valt te halen: het terugdringen van de bijvangst van jonge baars en snoekbaars. Over de overbevissing van de aal zelf heeft het ministerie het niet. Dat is jammer, want bij minder vistuigen zal na een aantal jaar ook de aalstand verbeteren. Maar de politiek wil discussies nu eenmaal altijd simpel houden.”

Er wordt verondersteld dat aalscholvers veel aal eten. Hoe vaak zagen vissers niet een aalscholver in een jachthaven of aan een dijkrand, een dikke aal veroberen? De biologen bepaalden echter dat de aalscholvers rond het IJsselmeer hun naam tegenwoordig niet meer waarmaken: nog geen twee procent van hun maal bestaat uit aal.

Dit heeft te maken met het veranderende fourageergedrag, constateren ze. Wanneer de aalscholvers eenmaal met duizenden zijn - en rond het IJsselmeer fourageerden er in 1993 zo'n 30.000 - vissen ze in scholen. In grote groepen schieten ze in een halve maanvorm als één groot visnet door het water. Over elkaar heen duikend, jagen ze de vissen uit de troebele, donkere waterlagen naar de lichte bovenlaag. De aal weet aan dit jachtgedrag te ontsnappen, door bij al die activiteit in zijn holletje te kruipen.

Wat eet de aalscholver dan wel? Analyse van braakballen van aalscholvers in de Oostvaardersplassen, tussen 1991 en 1993, toonde aan dat het menu voor meer dan de helft bestond uit de commercieel oninteressante blankvoorn en pos. Maar, de aalscholver eet ook voor een kwart jonge baars en voor een paar procent jonge snoekbaars. Uitgaande van de vogeldichtheid in 1992, schat de werkgroep de totale baarsconsumptie op jaarlijks vijfhonderd ton. Dat is precies evenveel, concludeert het rapport, als de hoeveelheid jonge baarzen en snoekbaarzen die de aalvissers in 1993 dood moesten teruggooien. En de aalscholvers en de bijvangst onttrekken samen, 96 procent van de jonge baars.

Voor de directie Visserij en het Produktschap Vis vormt de consumptie van jonge baars en snoekbaars hét argument om te werken aan een beheersplan voor de aalscholvers. De opgegeten jonge vis is niet meer beschikbaar voor de vangst van volwassen, verhandelbare vissen en daarom brengen aalscholvers dus schade toe aan de vissers. Visbioloog Dekker is blij dat het rapport duidelijkheid heeft verschaft over de consumptie: “Het grote dogma van de vogelbescherming was altijd 'de vogels zijn heilig en de vissers doen kwaad'. Maar het was nooit goed onderzocht.”

Vogelbioloog drs. M.R. van Eerden, werkzaam bij Rijkswaterstaat, vindt dat uit vijfhonderd ton (opgegeten baars) niet zomaar de conclusie getrokken kan worden dat de aalscholvers ook daadwerkelijk de baars- en snoekbaarsvisserij zoveel schade berokkenen. “We zijn nu zover dat we kunnen zeggen: 'in die orde van grootte zou de aalscholverconsumptie wel eens kunnen zijn, onder die en die aannamen'. Daarbij hebben we het 'worst case scenario' genomen. We zijn bijvoorbeeld uitgegaan van de hoogste vogeldichtheid, namelijk in 1992. Vanaf 1994 is die een stuk lager. Daarnaast er zijn nog zoveel feiten die we niet kennen. Is de baars die de aalscholver straks níet opeet, wel toegankelijk voor de visserij? Dat is de vraag. De groepen aalscholvers jagen midden in het meer, de vissers vissen het liefst aan de kanten. De aalscholver eet veel pos, een voedselconcurrent van de aal omdat ze allebei muggelarven eten. In hoeverre is de aalstand beter af, doordat de aalscholver concurrenten opeet? En hoeveel beter doen de overblijvende jonge baarsen het, omdat ze met minder zijn?”

Visbioloog Dekker acht de laatste effecten niet groot: uit visonderzoek weet hij dat er in de meeste jaren genoeg spiering is voor alle vissen. Maar Van Eerden wil het concurrentie-effect eerst weleens apart onderzocht hebben, voor er een uitspraak over te doen.

Het is het type meningsverschil dat de vogel- en visbiologen ook vaak in de werkgroep hadden. Dekker: “Je respecteert elkaars metingen, maar niet altijd elkaars aannamen en extrapolaties. Bijvoorbeeld, in 1993 hebben we de bijvangst gemeten. Kun je dan zeggen dat die in 1994 hetzelfde is? Vogelbiologen worden vaak gepushed door de Vogelbescherming, en visbiologen zijn meer op de hand van de vissers. Dat merk je ook in zo'n commissie. We hebben echt een keer op een dood spoor gezeten, maar gelukkig hebben we het weer vlot weten te trekken.”

Van Eerden vindt het heel mooi dat de club bij elkaar is gebleven. In Zwitserland praten de vogel- en visbiologen niet meer met elkaar. Volgens de Zwitsere visbiologen brengen de aalscholvers veel schade toe aan de vlagzalmvisserij en de forellenvisserij. De vogelbiologen menen dat ze dat niet kunnen bewijzen.“Het is natuurlijk ook heel moeilijk”, geeft van Eerden aan, “Je ziet niet wat er onder water gebeurt.”

Middeleeuwen

In de Middeleeuwen, toen Nederland nog veel moerassen had, waren grote kolonies aalscholvers, lepelaars, kwakken, grote zilverreigers, kroeskoppelikanen en andere visetende vogels heel gewoon, zo leert een wetenschappelijke compilatie over de Aalscholver: 'Riding on the crest of the wave' (speciaal nummer van Ardea). De visserij was te klein om de kolonies veel kwaad te kunnen doen.

Naarmate er meer land droog viel, verdwenen er meer visetende vogels. Tegen 1950 belandde de aalscholverstand in een dieptepunt door het grootschalig nestuithalen en schieten. Daarnaast leed de vogel onder de bestrijdingsmiddelen. Met de eerste natuurreservaten en het uit de handel halen van de meest giftige pesticiden, kreeg de aalscholver het na 1950 weer wat beter. Hij kreeg het nog eens extra goed door de hoeveelheid mest die in de binnenwateren spoelde. Want ruwweg geldt: veel nutriënten, veel algen, veel zoöplankton, veel vis, veel aalscholvers.

Nu de vogel inmiddels in de hele EU beschermd is, breiden de aalscholvers zich in steeds meer Europese landen uit. In 1992 beleefde de grootste van de vier kolonies rond het IJsselmeer, de Oostvaardersplassen, een topjaar met 8000 broedparen.

Het opmerkelijke is echter dat in het IJsselmeergebied na 1993 het broedsucces drastisch daalde met bijna de helft. “We weten niet precies waarom”, geeft Van Eerden, mede-auteur van de aalscholverspecial aan, “in dat jaar was wel het IJsselmeer een poos erg helder en hadden de volgels problemen met het sociale vissen. Ja waarom? De spieringstand was ook laag, en spieringen eten watervlooien die weer algen eten.” In 1994 en 1995 is broedsucces weer wat aangetrokken, maar nog steeds lager dan in de jaren tachtig.

Daarnaast is het aantal broedparen afgenomen van 15.000 in 1992 naar 9100 in 1994. Van Eerden denkt niet dat er ooit zoveel aalscholvers zullen worden gevonden als in 1992: “Als het te druk wordt met de dieren, vliegen er minder jongen uit omdat het moeilijker is geworden aan voedsel te komen. Die zelfregulatie is voor mij een belangrijk biologisch gegeven. Mensen zeggen wel dat het uit de hand is gelopen met de natuurbescherming. Maar ik denk dat er wel degelijk stabilisatie is, zonder ingrijpen van buitenaf.”

Behalve de aalscholverstand, is ook de visstand aan onvoorspelbare fluctuaties onderhevig, leert het onderzoek van visbioloog dr.ir. A.D. Buijse, werkzaam bij Rijkswaterstaat. In warme zomers kan er wel zeventig keer meer snoekbaars worden gevangen dan in koude zomers, vertelt hij. Voor baars kan dit wel een factor driehonderd schelen. Bij de snoekbaars, zo weten de visbiologen nu, hangt de variatie samen met de snelheid waarmee de pas geboren vis groeit. De jonge snoekbaars moet voor de herfst overschakelen van aasgarnalen en watervlooien naar spiering. Als de larve dan niet hard genoeg groeit, lukt hem dat niet en gaat hij dood. Buijse vindt niet dat die variatie baars- en snoekbaarsbestand, de discussie over aalscholvers relativeert: “De jonge baarzen en snoekbaarzen gaan nu voor negentig procent verloren door de aalscholvers en de bijvangst. Als die twee dingen niet meer gebeuren, wordt de oogst een veelvoud van wat hij nu is.”

Blijft de vraag of er een beheersplan moet komen voor de aalscholver. De Vogelbescherming zou zich hier wel in kunnen vinden als het ging om een palingkwekerij (die heb je in Nederland ook), maar hier gaat het om een open ecosysteem. Werkgroeplid drs. E.R. Osieck van de Vogelbescherming: “Onze lijn is: vissers halen hun oogst uit een natuurlijk systeem en dat wordt bepaald door zoveel factoren: het weer, de invoer van glasalen, de vogels... Ik denk dat de vissers daarmee moeten leven. Als je in één soort gaat ingrijpen, is het einde zoek. Ze zullen toch moeten leven met minder vis, want men wil minder mest en algen in het water. Dan zal ook de totale biomassa minder worden.”

Visbioloog Dekker acht een grens tussen 'natuurlijk systeem' en 'kwekerij' onhoudbaar: “Mag ik in de Oostvaardersplassen dan ook de hekken weghalen rond de aalscholvers en de uitgezette oerrunderen loslaten? We hebben geen natuurlijke systemen meer in Nederland. Het is gewoon een afweging tussen appels en peren en het niet weten. Het commercieel belang van de IJsselmeervissers en het belang dat mensen hechten aan grote kolonies aalscholvers is niet te wegen. Vroeger stond alles alleen in het teken van de voedselproduktie; je at de vogels en de eieren op. Nu is dat veranderd. De vraag is ook niet meer of je de aalscholver wilt laten uitsterven, maar hoeveel je er wilt. Elke norm is dan arbitrair.”

Beheersplan

Volgend probleem is de uitvoering van zo'n beheersplan. Als je rond het IJsselmeer gaat schieten, jaag je ook andere, door de EG beschermde vogelsoorten weg. Voor het weghalen van eieren of jongen moeten mensen vele uren in de bomen klimmen en de vrije plaatsen worden toch weer opgevuld uit kolonies elders in Europa (vooral Denemarken). Virussen die een antilichaam uitscheiden tegen sperma, pijltjes die vrouwelijke vruchtbaarheidshormonen beïnvloeden: daar is allemaal nauwelijks onderzoek naar gedaan. Gokken op helderder water met minder vis confronteert LNV met een ander lastig probleem waar ze mee zit: het mestoverschot.

De politiek en de IJsselmeervissers hebben de discussie over de Aalscholvers simpel gehouden. “Er is een communicatie-probleem”, constateert Dekker, die sinds begin jaren tachtig bij de vissers aan huis komt. “De vissers zijn wantrouwend, want de overheid heeft al maatregelen genomen om het aantal vistuigen te bevriezen en die pakten zeer onrechtvaardig uit. De vissers van hun kant veronderstellen een ongeschreven recht om te vissen. Ze hebben eigen gewoonte-regels en mondelinge afspraken.”

De vissers scharen de biologen op één lijn met de ambtenaren. Dekker: “Met het taalgebruik uit het rapport kunnen ze niks. Ze hebben ook een ander idee van getallen. Zij zien wel een miljoen aalscholvers op het IJsselmeer. Met dit rapport in handen kan ik nu zeggen dat het er niet meer dan 50.000 zijn, maar dan zeggen zij dat ze het beter weten omdat ze dag in dag uit op het water zitten. En geef ze eens ongelijk. Het is echt indrukwekkend als de lucht zwart ziet van de overvliegende aalscholvers.”