De Heer zegende de 'dag van staken'

De zondagsrust is niet te danken aan de kerk maar aan de Romeinse keizer Constantijn. Per decreet verbood deze in 321 alle zondagse arbeid en handel, behalve de agrarische. Zijn besluit sloot aan bij een christelijke praktijk die reeds in grote delen van het Romeinse rijk was gegroeid. Toen vier jaar later het concilie van Nicea, niet vrij van enig antisemitisme, besloot het christelijke Pasen los te koppelen van het joodse Pesach, stemde het tevens in met het zondagsdecreet van Constantijn.

Deze en andere ontnuchterende feiten over de achtergronden van het sabbatsgebod zijn te vinden in het proefschrift Van Ophouden Weten, drie jaar geleden geschreven door dr. C.B. Posthumus Meyjes. De hervormde emeritus-predikant (72) toont hierin aan dat een bijbels gebod van de heiliging van de éérste dag van de week niet bestaat. Exodus 20 vers 11 verwoordt het misschien wel het duidelijkst. “Want in zes dagen maakte de Heer de hemel en de aarde en de zee en al wat erin is, en hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de Heer de dag van staken en heiligde die.”

Nu de zondag met steeds meer open winkels een dag als alle andere dreigt te worden, vindt Posthumus Meyjes de kwestie van de keuze van de heiliging van de eerste of laatste dag van de week echter van ondergeschikt belang. Nu is het 'van ophouden weten' zelf aan de orde, zo zegt hij. “Is er in deze tijd van groeiende commercialisering überhaupt nog een moment waarop je ophoudt met hetgeen je op de gewone dagen doet, een dag waarop je ontkomt aan het fatum van het almaar sloven, van het almaar als een knaagdier rondlopen in je rad?”

Dit is echter meer dan een pleidooi voor de zondag als louter rustdag. “Het gaat om een oase in de tijd, niet alleen geschapen voor de dienst aan God, maar ook aan elkaar. Aan vrije tijd ontbreekt het ons waarachtig niet, maar door de flexibele werktijden is de vrijetijdsverdeling diffuus geworden. Elkaar in de vrije tijd ontmoeten lukt steeds minder. Koningin Beatrix heeft op 5 mei gewaarschuwd tegen het verlies aan sociale cohesie. Als je dat verlies wilt bevorderen moet je vooral aan die vrije zondag gaan morrelen.”

Met instemming haalt Posthumus Meyjes de sociaal-democraat R. Vreeman aan. “Die heeft gezegd dat hij niet begrijpt dat iedereen vindt dat de centrale overheid geroepen is het milieu te beschermen, terwijl als het over de zondag gaat, waar het sociale milieu in het geding is, veel mensen roepen: dat kunnen de gemeenten wel uitmaken. Ik vind dat een sterk punt van Vreeman. Je zou de zondag een even sterke milieubeweging toewensen als die van Lucas Reijnders.”

De zondagskwestie heeft volgens Posthumus Meyjes, behalve een religieuze en culturele, ook een sociale betekenis. Hij verwijst opnieuw naar Exodus 20. Vers 10 vermeldt over de zevende dag: “Niet zul je enig werk doen, jij noch je zoon, noch je dochter, noch je slaaf noch je slavin, noch je dier noch je vreemdeling die in je poorten is.” Dat slaaf en vreemdeling, net als de werkgever mogen rusten, geeft “de sociaal egaliserende werking” van de zondagsrust aan. Posthumus Meyjes verwijst in dit verband naar VVD-senator De Vos van Steenwijk die in 1953 opmerkte over het sabbatsgebod: “Wij kunnen dit voorschrift eigenlijk beschouwen als de eerste sociale wet.”

Posthumus Meyjes begrijpt dan ook niet waarom uitgerekend sociaal-democraten als het Kamerlid M. van Zuijlen hebben gepleit voor afschaffing van de zondagsrust. “Van Zuijlen wil een rustige dag, geen rustdag. Maar dat is een futiel onderscheid. Als zij bedoelt te zeggen: ik moet rustig kunnen funshoppen, dan is de vraag hoe rustig dat is, voor haar zelf, maar ook voor alle anderen.”

Met opluchting stelt Posthumus Meyjes vast dat Van Zuijlen op haar standpunt is teruggekomen. Inmiddels tekent zich een Kamermeerderheid af voor centrale handhaving van de zondagsrust op drie van de vier zondagen per maand. Een herhaling van de Franse en Bolsjewistische revolutie die allebei in één klap afrekenden met de zondagsheiliging, lijkt voorlopig voorkomen.