'Bosnië is door het Westen verkwanseld aan de Serviërs'; Vluchtelinge over akkoord

AMSTERDAM, 23 NOV. Laaiend van woede. “Het vredesakkoord is niks. Het is onbeschaafd wat ze gedaan hebben. Wij vormden de meerderheid in Bosnië maar met dit akkoord blijven wij vluchtelingen.” Janny Nozinovic, sinds de zomer van 1992 samen met haar moeder Pasja en haar broertje Salih in Nederland, heeft alle hoop op een mogelijke terugkeer naar Zvornik in Bosnië verloren. “Het is niet eerlijk”, klinkt het steeds.

De moslim-familie heeft lang gehoopt dat het verblijf in Nederland tijdelijk zou zijn. Na de eerste opvang in Zeewolde kregen ze een kamer in het tijdelijke opvangcentrum in Den Bosch. Daarna huisden ze in een caravan, op het terrein van het opvangcentrum. Sinds twee jaar wonen ze in het Brabantse Gilze-Rijen en spoort Janny elke dag naar Tilburg waar ze in de laatste klas van de MAVO zit. Volgend jaar gaat ze naar de HAVO, daarna wil ze naar de School voor de Journalistiek in Tilburg. Haar broer volgt een opleiding tot automonteur. Sinds een jaar is ook haar vader in Nederland - aan de strijd in Bosnië kon hij wegens hartklachten niet meer meedoen.

Op 3 juli 1992 schreef ze in haar dagboek: “Amela en ik hopen stiekem dat we nog deze zomer in de Drina kunnen zwemmen” - de rivier die langs Zvornik loopt. “Dat kunnen we nu wel vergeten.” Financieel hebben ze het goed. Ook het huis is ruim genoeg “maar natuurlijk ben ik ongelukkig”. “Ik voel me verraden. Ons land is door jullie verkwanseld. Hoe zou jij je voelen als je uit Nederland moest vluchten en nooit meer terug zou kunnen?”

De hele familie zat om de televisie geschaard toen het nieuws over het vredesakkoord eerder deze week bekend werd gemaakt. Maar in plaats van knallende champagnekurken klonk in de kamer gehuil. Gehuil van machteloze woede, van verdriet, van heimwee. In augustus 1992 schreef ze in haar dagboek: “Laten ze het wapenembargo opheffen en de oorlog is binnen een maand afgelopen. Ze hoeven maar te zeggen dat ik naar Bosnië moet gaan en met een glimlach zou ik vertrekken, ook al weet ik dat de dood daar op mij wacht.” Ze hoopt nog steeds, zegt ze, “dat wij ooit de wapens krijgen die de Serviërs nu hebben. Zodra we die krijgen is Bosnië weer van ons.”

Ze heeft “natuurlijk” vrienden en vriendinnen, maar die kunnen de heimwee niet wegnemen. Die wordt nog versterkt als ze te horen krijgt dat ze “een stomme buitenlandse is”. “Terwijl ik hier op school dingen leer die ik allang in Bosnië heb geleerd. Jullie onderwijs is kei-laag.”

Geen enkele Bosniër ziet voor zichzelf een toekomst in Nederland, dat weet ze zeker. “Wij kunnen hier niet normaal leven. Onze toekomst ligt in Bosnië - vragen wij nou echt te veel?”

Een jaar lang hield ze een dagboek bij - in de zomer van 1993 stopte ze ermee. “Ik moet praten, schrijven gaat niet meer”, zei ze toen. En ze praatte, over haar moeder met wie ze bijna geen ruzie meer maakte, over haar neef Omar die wegging uit het tijdelijk opvangcentrum, over haar tante die toen al in de gaten had dat terugkeren naar Bosnië onmogelijk zou zijn. Diezelfde tante gaat toch terug, naar Tuzla, waar haar man een flat heeft. “Ze heeft het makkelijker want zij heeft geen kinderen om voor te zorgen. Wat moeten wij in Tuzla waar een miljoen vluchtelingen zitten”, zegt Janny.

“Fysiek ben ik hier, geestelijk ben ik Zvornik”, schreef ze in augustus 1992 in haar dagboek. Zo voelt ze het nog steeds.