Avondbul

Met belangstelling heb ik 'De Avondbul' van Theo Toebosch gelezen (W&O, 2 nov.). Ik heb aan den lijve mogen ondervinden hoe moeilijk, om niet te zeggen slopend, het is om naast een volledige baan in het onderwijs een proefschrift te schrijven. De opmerkingen van de heren Molenaar, Müller en Van Maanen over de ondermijning van het sociale leven, het gevoel een buitenbeentje te zijn, en de opgeslokte avonden, weekends en vakanties kan ik dan ook geheel beamen.

In tegenstelling tot hen, heb ik van mijn school, een HBO-instelling in de hoofdstad, geen enkele steun ondervonden. Van subsidies of gelegenheid tot congresbezoek was geen sprake, noch van eenvoudig te realiseren tegemoetkomingen zoals vermindering of kwijtschelding van surveillancebeurten. Toen ik in het academisch jaar 1992-1993 de directie verzocht mijn 24 wekelijkse lesuren op vier dagen in te roosteren, teneinde een hele werkdag 'vrij' te hebben voor het feitelijke schrijven van het proefschrift, werd mij te verstaan gegeven dat ik dan maar vier uur ontslag moest nemen. Het moest nu maar eens over zijn met het waanidee dat een volledige baan in deeltijd kon worden uitgevoerd. Navrant was dat het jaar daarop de school te veel uren te vergeven had en mij doodleuk vroeg of ik weer 24 uur les wilde geven en dan 'vanzelfsprekend op vier dagen'.

Van artikel 1-C33 was mij niets bekend, maar het daaronder vallende betaalde verlof tijdens de laatste twee maanden voor de promotie lijkt mij niet de meest zinvolle regeling voor een promovendus. De periode direct voorafgaande aan de promotie is zeker niet de drukste: met een beetje geluk is dat immers de tijd waarin het proefschrift gedrukt wordt. Mag ik de heren van het ministerie, wanneer zij zich over de kwestie buigen, voorstellen in de regeling op te nemen dat de promovendus betaald verlof krijgt in de periode waarin hij/zij de laatste hand aan de tekst legt?