Akkoord over onderwijs-CAO, geen staking

ZOETERMEER, 23 NOV. Er komt geen staking in het onderwijs. Minister Ritzen (onderwijs) en de onderwijsbonden hebben gisteravond overeenstemming bereikt over een nieuwe CAO, die geldt voor de in totaal 350.000 werknemers, van basisonderwijs tot universiteiten. De bonden gingen gisteravond akkoord met het laatste bod van Ritzen van in totaal 1,75 procent structurele loonsverhoging. De vier bonden, ABOP, KOV, NGL en PCO, zullen het akkoord met een positief advies aan hun leden voorleggen.

Vorige week wezen de bonden een eerder bod van 1,6 procent af en dreigden met een algemene onderwijsstaking op 7 december. De afgelopen weken werd al een aantal regionale stakingsacties gehouden. Ritzen bracht gisteren zijn laatste bod uit na ruggespraak met premier Kok en minister Zalm (financiën). De loonsverhoging kost Ritzen ongeveer 385 miljoen gulden per jaar.

Eerder op de dag was gisteren al overeenstemming bereikt over invoering van een 36-urige werkweek in 1997, of een daaraan gelijke verkorting van de werktijd (bijvoorbeeld door sabbatsverlof). De overeenkomst houdt verder in dat per 1 oktober 1995 de onderwijssalarissen worden verhoogd met 0,65 procent en per 1 april 1996 met 1,1 procent. Een onderzoek naar mogelijkheden voor nieuwe maatregelen ter terugdringing van de wachtgelduitgaven moet voor februari volgend jaar zijn afgerond. De onderwijs-CAO loopt van 1 april 1995 tot 1 juni 1996 en geldt als een 'overbruggings-CAO', omdat Ritzen pas definitieve afspraken over sabbatsverlof, ouderenbeleid, vervroegd uittreden, werkdruk en functiewaardering wil maken als de uitkomsten van de algemene ambtenaren-CAO bekend zijn. De onderhandelingen tussen minister Dijkstal (binnenlandse zaken) en de ambtenarenbonden verkeren momenteel in een impasse. Omdat de afspraken over de vut grote consequenties hebben voor onderwijs, was Ritzen pas deze maand bereid tot onderhandelen, hoewel de bonden al in maart een 'openingsbod' hadden uitgebracht. De bonden eisten aanvankelijk een loonsverhoging van 2,25 procent en besteding van 2,25 procent loonruimte aan verbetering van de arbeidsomstandigheden.