Academische ranglijsten

Een paar jaar geleden was bij onze oosterburen de academische wereld in rep en roer. Het blad Der Spiegel kwam met een aflevering die geheel gewijd was aan universitaire prestaties. Op onderwijsgebied. In ieder vak had men bij alle universiteiten een aantal studenten ondervraagd naar belangrijke aspecten van het onderwijs. Kwaliteit van de colleges, contacten met docenten, faciliteiten, massaliteit, enzovoorts. De oordelen van de studenten werden vertaald in ranglijsten en per vakgebied gepubliceerd.

De gretigste lezers waren ouders: waar kan mijn kind het beste studeren? Menigeen zag het ook als een openheid jegens de belastingbetaler: nu weten we wat er met ons geld gebeurt. Wat opviel was dat de kleinere nieuwe universiteiten het goed deden, en dat de oude universiteiten in de grote steden er vaak slecht van af kwamen. De aanvoerders van de ranglijsten juichten dat ze het wel geweten hadden, hun onderwijsmethoden waren immers buitengewoon vernieuwend. De hekkesluitende universiteiten bromden dat ze vrijwel bezweken onder de problemen van het massa-onderwijs. overigens bleek bij nadere inspectie het statistisch het verschil tussen de tiende of de twintigste plaats in veel gevallen niet of nauwelijks significant. Van correlatie met prestaties van een universiteit op wetenschappelijk gebied was weinig sprake.

De massaliteit van de grote universiteiten wordt steeds benauwender. Ouders kunnen hun keuze maken uit ranglijsten, en overvolle collegezalen leveren slechte scores, maar toch blijft de grote stad trekken: het is niet alleen het onderwijs waarop de studenten afkomen. Intussen begint aan de universiteiten een periode van ware zelfkastijding. Academische Flagellanten betuigen spijt, beloven beter onderwijs, kondigen harde evaluaties aan. En ja hoor, ze nemen Nederland als gidsland. Want - dat weet intussen het hele zonnestelsel - Nederland evalueert nu eenmaal alles tot in de puntjes zonder dat het enig gevolg heeft. Evaluatie als sport, als tijdverdrijf, als medicijn om verder niets te doen. En dat niets doen is vrijwel onvermijdelijk.

Zowel in Duitsland als Nederland werd een ding duidelijk zichtbaar: de hoeveelheid geld per student waarmee de overheid de universiteiten financiert, is in de loop van tien jaar dramatisch gedaald. De rek die er ongetwijfeld in zat, is er nu grotendeels uit. Een soortgelijk onderzoek als in Der Spiegel werd vorig jaar in Elsevier gepubliceerd. Ook deze queeste naar kwaliteit werd gevolgd door mooie beloften en prachtige advertenties van wervende universiteiten. Maar net als in Duitsland zijn het de slinkende middelen die de universiteiten tot stuntwerk op onderwijsgebied dwingen. Met name de oriëntatie op de betere student. Het zal het probleem van de massaliteit niet oplossen. De universiteiten zijn ook enorme sociale parkeerplaatsen. Ze zouden voor deze functie apart gefinancierd moeten worden. Wat moet er van onze hectische westerse wereld terecht komen zonder het vangnet van de academische open inrichting?

In de Verenigde Staten is men allang gewend aan mass education. De universiteiten verschillen beduidend in kwaliteit. De betere student vindt zijn of haar weg. Men realiseert zich dat het handhaven van een hoog wetenschappelijk niveau staat of valt met het recruteren van de allerbesten. Waar Europa nog worstelt met de massa en voorzichtig de betere student probeert te vangen, richt de VS zich op de elite, op topkwaliteit.

Dat gaat niet zonder slag of stoot. Vorige maand verscheen een 740 pagina's tellend rapport van de National Research Council: de beoordeling van 'PhD'-programma's (zoiets als onderzoekscholen) in 41 vakgebieden aan 274 instellingen. Bij deze beoordeling waren in totaal 8000 hoogleraren en andere ervaren onderzoekers en docenten betrokken. Ieder van hen werd gevraagd 50 van de 3634 programma's cijfers te geven voor wetenschappelijke kwaliteit en niveau van de opleiding.

Van alle 41 vakgebieden zijn ranglijsten gepubliceerd. In 1982 was een eerder rapport verschenen, men kon dus tevens nagaan of posities verbeterd dan wel verslechterd waren. Wat meteen opvalt, is dat in de top-10 van de meeste vakgebieden vaak dezelfde universiteiten prijken. Bovendien verschillen de beoordelingcijfers binnen de top-10 nauwelijks. Wat de namen betreft zijn er weinig verrassingen. Het zijn de rijke en beroemde Amerikaanse universiteiten: Harvard, MIT, Princeton, Caltech, Cornell, Stanford, Berkeley, Santa Barbara. Berkeley valt het meest op. Vol trots meldde het universiteitsbestuur de media dat 35 van haar 36 doctoraats-programma's tot de top-10 van de betrokken vakgebieden behoren.

Wat opvalt is de concentratie van kwaliteit. Het is een bekend fenomeen: top-prestaties worden geleverd door slechts een zeer klein deel van het totaal. In dat zeer kleine deel 'cumuleren' de verdere prestaties, en zo ontstaan de 'scheve' verdelingswetten die voor vele sociaal-economische processen gelden. De econoom Frank en politicoloog Cook beschrijven in hun juist verschenen boek The Winner-Takes-All Society dat de meest getalenteerde Amerikanen op slechts 20 universiteiten te vinden zijn. In de Verenigde Staten bestaat zelfs een speurdienst naar toptalent. Van de allerslimste middelbare scholieren, opgespoord door de Westinghouse Science Talent Search, blijkt 59% zich in te schrijven bij niet meer dan zeven universiteiten.

In de jaren zeventig was dat nog rond de 45%. Een gevolg van dit toenemende university elitism is dat bedrijven die eerst uit een brede groep van univeristeiten recruteerden, zich nu concentreren op een steeds kleiner wordende groep academische instellingen.

Wat beogen de samenstellers van het National Research Council rapport? Brendan Maher, Harvard hoogleraar persoonlijkheidspychologie, presenteerde het rapport aan de pers met een kort en krachtig 'What we have here is an informed consumer's report'. Versterkt het rapport niet de negatieve kanten van het elitisme, werd gevraagd. Met name kunnen de universiteiten die zich op een paar vakgebieden specialiseren, benadeeld worden omdat zij niet in veel disciplines tegelijk kunnen excelleren. Nee, antwoordden de samenstellers. We willen juist dat 'halo-effect' rond de top-universiteiten wegnemen door te laten zien dat er elders ook zeer goede vakgroepen zijn. Kies niet voor een universiteit, maar voor een vakgroep of instituut, was het advies.

Intussen komt ook de kritiek op het rapport, dat 1,2 miljoen dollar kostte, los. Het ergste zijn grove fouten, gemaakt door plaatselijke medewerkers van het rapport. De oude wijsheid dat het gevaar vaak van binnenuit komt, wordt bevestigd. Deze medewerkers benadeelden - ongewild mag men hopen - hun eigen universiteit door belangrijke en zelfs vitale informatie te 'vergeten' bij het gereedmaken van formulieren die voor de beoordeling gebruikt werden. Bij minstens vijf universiteiten ging het helemaal mis. De State University of New York in Stony Brook duikelde met haar fysica van de twaalfde plaats in 1982 naar rangnummer 22 omdat de plaatselijke coördinator een van de belangrijkste instituten, dat van Nobelprijswinnaar Yang, over het hoofd had gezien.

De commoties worden versterkt omdat universiteitsbesturen intussen toeslaan. Er zijn al voorbeelden van aangekondigde zware bezuinigingen tot 20% voor vakgroepen die in rangorde zijn gedaald. Op de persconferentie werden de samenstellers van het rapport aan de tand gevoeld naar aanleiding van de Stony Brook affaire. Wat is er aan te doen? Helaas niets, geeft de fysicus Goldberger, een der samenstellers, toe. Ik vind het erg vervelend. Is er dan geen beroepsmogelijkheid? En dan wordt persoonlijksheidspsycholoog Maher geïnspireerd door een vakgebied van het getroffen Stony Brook instituut, de theorie van de gravitatie. Tja, roept Maher, 'only in the way that someone without a parachute might want to appeal the law of gravity'. Lekkere jongens, die Amerikanen.