Van Roosendael klinkt vertrouwd en toch weer niet

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van: Anderson, Van Roosendael, Abrahamsen en Ruders. Gehoord: 21/11 Paradiso Amsterdam. Herhaling: 23/11 De Vereeniging Nijmegen.

Waarom intrigeert de ene muziek meer dan de andere? Meestal omdat er iets wringt. Nemen we het Promsconcert van dinsdagavond in Paradiso. Op de lessenaars van het Schönberg Ensemble lag voor het eerst Jan Rokus van Roosendaels Heterophony. Intrigerende muziek: het klonk vertrouwd en toch weer niet. De uiterst verfijnde klankkleuren van het cimbaal in het centrum en de piano en de harp weerszijden op het podium herinnerden aan die van Boulez, zoals trouwens ook het delegeren van tempo en beweging aan de dirigent de Franse meester al eens (in Eclat) aan de orde heeft gesteld. Maar Van Roosendael is veel aardser en directer, kortom zijn compositie klinkt als een werk van Boulez gespeeld door De Volharding. Het begin, met zijn ruimtelijk heen en weer schietende motieven boeit het meest, de driftig-hoekige dans die erop volgt gaat te lang door.

In Julian Andersons Chorovod, dat vorig seizoen furore maakte op de Londense Proms, is de beweging precies andersom: een langzaam wiegelied besluit een reeks van snelle Oosteuropese dansen (liefst in vier tempi tegelijk!) die in hun onstuimig scheppende vitaliteit zelfs De Volharding in verlegenheid zouden hebben gebracht, en het scheidsrechterfluitje in de mond van de percussionist is wel helemaal van Proms-achtige kwaliteit.

In Polen schreef Wojciech Kilar in de jaren zestig precies zulke stukken, met zeer luidruchtig koper, vitaal op het dwangneurotische af. En het hoeft geen betoog dat de strijkers er zowel bij Anderson als Kilar volledig voor nop bijzitten, en letterlijk en figuurlijk door hun collega's worden weggeblazen. Maar het moet gezegd, Anderson weet wel iets van timing, zijn werk is brutaal maar gedoseerd, precies op tijd wisselt hij af met een malagueña of een house-climax. En ook bij hem intrigeerde er iets wat je niet direct thuis kon brengen: de uit-gecomponeerde galmsaus die uiteindelijk veel meer dan voor de hand liggende ingrediënten als tempo en dynamiek voor de hallucinerende opwinding zorgdraagt.

Wat betreft klankkleur was het werk van de Deen Hans Abrahamsen toch het meest overtuigend, de instrumentatie is bij hem geen toegevoegde waarde, maar vormt in Märchenbilder (1984) het uitgangspunt. In mijn herinnering klonk dit zestal sprookjesprenten geheimzinniger en stroperiger. Reinbert de Leeuw streefde vooral naar een helder en opengewerkt klankbeeld, bijna van een Ravelliaanse allure. Het slot is uiterst virtuoos, maar eigenlijk al eens interessanter bij Ligeti gehoord. Het meest spannend zijn de zuigende klanken in het centrum, alsof Schumann experimenteert met synthesizers. Ik bedacht me hoe vreemd dit allemaal moet overkomen in de 21ste eeuw en later, voor de musicologen zal er dan waarschijnlijk geen touw meer aan vast te knopen zijn: de Age of Schizophronia.