Opiumschuivende Europeaan verzorgd

Between the Devil and the Deep Blue Sea. Regie: Marion Hänsel. Met: Stephen Rea, Ling Chu, Adrian Brine. In: Amsterdam, The Movies; Rotterdam, Lantaren/Venster; Utrecht, 't Hoogt; Groningen, Liga 68; Nijmegen, Cinemariënburg; Breda, Chassé Cinema.

De Belgische regisseuse Marion Hänsel (1949) bewijst met haar zesde speelfilm, de Belgisch-Frans-Engelse coproduktie Between the Devil and the Deep Blue Sea, weer eens de stelling dat een echte auteur telkens dezelfde film maakt. De kenmerken van Hänsels werk zijn een eenvoudig, transparant verhaal, gesitueerd op een niet voor de hand liggende, geïsoleerde lokatie; een strenge vormgeving, die geen ruimte laat voor humor of andere vormen van relativering; een onontkoombare, soms verpletterende tederheid in de onorthodoxe affectieve relatie tussen twee buitenstaanders. Hänsels films gaan altijd over liefde, vaak in een gesublimeerde of platonische verschijningsvorm.

Net als bijvoorbeeld Dust (1984, over een beklemmende vader-dochter-relatie op het Zuidafrikaanse platteland, naar een roman van Coetzee) is de oorsprong van Between the Devil and the Deep Blue Sea literair. Dit keer is de bron de novelle Li (tevens de Franse titel van Hänsels film) van de weinig bekende, inmiddels overleden Griekse auteur Nikos Kavvadias.

De beide hoofdpersonen zijn een Griekse marconist (Stephen Rea, de onder meer uit The Crying Game bekende Ierse acteur) en een tienjarig meisje uit Hongkong (de jonge Vietnamees-Engelse Ling Chu). De zeeman wacht voor de rede van Hongkong op de afwikkeling van het faillissement van zijn rederij. Terwijl de praktisch ingestelde kapitein (Adrian Brine, onvergetelijk als hij laveloos aan boord klautert na een dagje passagieren) de bemanning en zichzelf tracteert op het gezelschap van pretentieloze troostmeisjes, herleest Rea de brieven van zijn vrouw en wentelt zich in apathische opiumdromen. Dan komt er een sampan langs, met als levend boegbeeld - herinnerend aan het bekende icoon van Greta Garbo in Queen Christina - de kleine Li. Ze biedt de dromerige marconist aan om tijdens zijn verblijf in Hongkong voor hem te zorgen, in ruil voor eten voor haar en haar kleine, op de rug gedragen broertje. Van onder het dekzeil van de sampan worden vele handen uitgestoken door hongerige familieleden, die behendig elk biskwietje opvangen. Li vertelt geboren te zijn op de sampan en nog nooit aan land te zijn geweest, waar haar vader en moeder wonen zonder in staat te zijn voor haar te zorgen.

De zorg die het kind de opiumschuivende Europeaan biedt moet letterlijk opgevat worden en niet als eufemisme voor wat onze verdorven geest meteen denkt. Na een onhandige aanraking van de zeeman om het kind te troosten, vlucht ze meteen en komt even later terug met een prostituée, om te doen waar zij zichzelf te jong voor vindt. Rea is niet geïnteresseerd; wel ontdekt hij in het zwijgende gezelschap van het kleine meisje een soort van inspiratie om langzaam uit zijn lethargie te kruipen en, aan het slot van de film, aan te monsteren op een schip naar Antwerpen, waar z'n vrouw en nog nooit aanschouwde kind wachten.

Between the Devil and the Deep Blue Sea vormt loodzware kost, die een enkel keertje pathetisch ontspoort, maar voor het grootste deel zuiver en spiritueel van karakter blijft. Sommige beelden blijven lang hangen, de wide-screen-fotografie van Bernard Lutic is even bijzonder als de meditatieve muziek van Wim Mertens. Het is een kwetsbare, gemakkelijk te bespotten film, die, zoals altijd bij Hänsel, neigt naar iets grandioos, maar die ambitie net niet weet te verwezenlijken.