Ongezien wegdoen

Alle drukwerk belandt hier eerst op de keukentafel. Die zeer groot is. Zodat het daar, min of meer onopvallend, ettelijke weken kan doorbrengen.

Eigenlijk begint het proces van vastlopen hier al meteen. Als het niet al verholen aanwezig is in de levenslust en de vreugde waarmee aankopen gedaan en binnengedragen en uitgepakt worden. Daar zijn ze dan: de verse boeken, de antiquarische curiositeiten, de al dan niet vermeende cadeaus. Van deze tafel af zullen zij hun tocht door het huis moeten gaan aanvangen, naar nachtkastjes, tafeltjes, traptreden, toiletten, tafelpoten, (zo handig vaak als bladwijzers voor een enkel ogenblik), stapeltjes op vloeren en bureaus.

Toch is dit nog de minst twijfelachtige categorie. Die van de boeken, met hun glimlach van houdbaarheid, hun doorlopende uitnodiging tot lezen, hun rustige verzekering dat er ruimschoots tijd zal zijn voor lectuur: alle tijd, namelijk. Maar steeds frequenter word ik bekropen door het vermoeden dat al die aan één stuk gekochte, nog ongelezen boeken welbeschouwd tot een schimmenrijk van jewelste horen, een fata morgana, een volslagen absurd en nutteloos bolwerk van loze leestijd die je rondom opslaat en hamstert.

Terwijl jij nu juist steeds langzamer begint te lezen. En af en toe, licht ongerust, instemt met de gedachte dat herlezen vast en zeker lonender zou zijn. Steeds langzamer lezen, dat is wat ik doe als ik de kans krijg. En steeds beter. De woorden hoeven niet meer zoals vroeger één enkele betekenis te hebben - deze, van dit moment. Zij stromen steeds vaker vol met de menigte die ze in zich bergen. En waar je vroeger een heel boek nodig had om het landschap ervan te kunnen overzien, daar heb je nu al genoeg aan een enkele bladzijde of alinea. 't Is een lezen dat de stilstand bedenkelijk nadert, dat is waar.

Maar over boeken en het nijpend kastprobleem wil ik het niet hebben. Ik ben er al aan gewend geraakt dat de een jaar geleden met grote besluitvaardigheid gesorteerde op te ruimen boeken in dozen onder een werktafel staan, zodat ik mijn voeten bij me moet houden. Maar dat weet ik allang niet meer. Die dozen zie ik niet meer staan en voel ik niet eens als ik zo af en toe vergeten ben dat ik mijn voeten niet moet uitsteken.

Kranten, dat is pas erg. Want een boek dat gesloten is gebleven, kan de illusie van zijn onverminderde belang, van zijn niet afgenomen urgentie in alle rust bewaren. Maar kranten, onherroepelijk aan het vergelen geslagen, uit de vouw geraakt, die worden plotselng met stapels tegelijk naar boven gedragen - bij voorbeeld omdat de tafel plotseling fraai gedekt moet worden voor bezoekers die met de vereiste splendeur ontvangen dienen te worden.

Zulke ogenschijnlijk heilzame momenten zijn versnellers van het opruimprobleem, maar ook vergroters. Want nu worden de stapels van alles wat zich wekenlang op de grote keukentafel verzameld heeft in één klap doorverhuisd naar een etage hoger, om daar neergesmeten te worden achter, en zo enigszins aan het oog onttrokken te worden door, een bank.

Maar waar het probleem ook heen verbannen wordt, het blijft. Het bestaat uit een te groot respect voor de wereld, althans de door de kranten bijeengebrachte en in alle voorlopigheid beschreven en becommentarieerde wereld. Respectievelijk uit het idee - heel in het algemeen - dat men, als krantelezer, de wereld min of meer zou kunnen bijhouden, op dagbasis dus. Zo lijken kranten toch plusminus bedoeld; als ons dagelijks kort begrip van de wereld, als onze dagelijks draagbare wegwerpencyclopedie.

Dit idee evenwel kan ik op de een of andere manier niet bevatten.

Nieuw elan, veelbelovende start, uiterst doortastend optreden, recent van kracht geworden drastische regelgeving - het heeft allemaal, al jaren, niet mogen baten. Maar het zogenaamde wegdoen van kranten, bij wijze van tussentijdse massieve krachtsinspanning, moet op een reusachtig misverstand berusten. Een enkele keer staat het me duidelijk voor ogen: dat verloren tijd niet kan worden ingehaald en dat het werk dat gisteren gedaan had moeten zijn er vandaag niet even bij gedaan zal kunnen worden.

Maar het is een besef dat nog steeds niet goed tot me wil doordringen. En zolang dat het geval is, blijf ik helaas gespleten in twee krantelezers, de gewone en de achterop geraakte. Het zal hun tijd wel duren.