Joden gedenken verwerving 'gelykstaat'

Tweehonderd jaar geleden werd in de Bataafse Republiek het pad geëffend voor gelijke burgerrechten voor iedereen. Tot vreugde van een aantal revolutionaire joden in Amsterdam. Niet iedere jood was voor gelijkberechtiging - uit vrees voor assimilatie.

AMSTERDAM, 22 NOV. Zijn overgrootvader was tegen. Maar die lag nog in de wieg in het Friese Gorredijk en dus werd zijn stem niet gehoord toen op 2 september 1796 de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek het 'Decreet over den Gelykstaat der Joodschen met alle andere Burgers' aannam. Het decreet bepaalde onder meer: “Geen jood zal worden uitgestooten van eenige rechten of voordeelen, die aan het Bataafsch Burgerregt verknogt zijn (...)”.

Juda Cohen bleef zijn hele leven tegen de emancipatie van de joden in Nederland uit angst voor de teloorgang van de joodse identiteit.

“Hij was een zeer behoudende jood”, zegt zijn achterkleinzoon A.J.U. Cohen (85). “Hij wilde niet dat zijn nakomelingen dienst zouden nemen in een Europees leger. Ze mochten ook niet schaatsen omdat dan het gevaar bestond dat ze zich zouden verbroederen met andere mensen op het ijs. Ik heb dus nooit schaatsen geleerd.”

De gendarmes van Napoleon hadden in 1812 lak aan de opvattingen van de toen zestienjarige Juda Cohen. Hij werd als loteling ingelijfd in het Franse leger en vertrok met 'la grande armée' naar Rusland. Samen met een paar honderd lotelingen uit Nederland overleefde hij de veldtocht.

De achterkleinzoon ontbrak op het tweedaagse congres 'Tweehonderd jaar burgerlijke gelijkstelling der Joden in Nederland' dat gisteren in Amsterdam werd afgesloten en waar prins Willem Alexander het eerste exemplaar kreeg overhandigd van het boek 'Geschiedenis van de Joden in Nederland.' Zou A. Cohen op de sprekerslijst hebben gestaan dan zou zijn toespraak vooral in het teken hebben gestaan van de zorg voor de teloorgang van het joodse erfgoed in Nederland. “Ik ben niet, zoals mijn overgrootvader tegen de emancipatie, die kwam ons toe. Maar ik wil dat de joden de zelfdiscipline opbrengen om zich niet los te maken van de Thora en de mondelinge leer.”

Als voorzitter van de Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider in Amsterdam ijvert de voormalig zakenman Cohen (“ik heb op de rabbijnenschool in Frankfurt am Main gezeten maar heb verder niets met mijn studie gedaan. Ik wilde lernen ter wille van het weten”) nog dagelijks voor zijn ideaal: assimilatie zoveel mogelijk tegengaan, evenals acculturatie, het overnemen door joden van de Nederlandse cultuur - twee mogelijke en in zijn ogen onjuiste gevolgen van de emancipatie. Zijn school telt 260 leerlingen, van kleuters tot middelbaar scholieren. “We stoppen onze kinderen vol met joods weten, zodat hun associaties ook joods zijn. Er is geen geloof mogelijk zonder offers te bregen, de spijswetten de sabbath moeten in acht genomen worden. Ik ben nogal steil.”

Hij wil voorkomen dat zijn leerlingen gemengd huwen. “Daar hoef ik niet eens met ze over te praten - door hun aanwezigheid hier ligt een gemengd huwelijk buiten de horizon.” Wel raadt hij ouders aan hun kinderen op jonge leeftijd, tussen de 20 en 24, te laten trouwen. Ze leren op school ondermeer Hebreeuws en Jiddisch - de taal die door Koning Willem I werd verboden om de integratie van de joden binnen de Nederlandse samenleving te bevorderen. “Ze leren die talen zodat ze zich door de hele wereld kunnen bewegen. Mijn overgrootvader heeft er anderhalf jaar over gedaan om vanuit Rusland weer naar Friesland te komen. Dankzij zijn kennis van het Jiddisch kon hij met de joden in dat verre Oost-Europa praten en hielpen zij hem zijn tocht naar huis voort te zetten.”

Over politiek wordt op het Cheider zelden of nooit gepraat - behalve na de moordaanslag, op 4 november, op de Israelische premier Rabin. “Ik weet dat wij als ultra-orthodox worden beschouwd, hoewel ik dat zelf niet zo voel. Wij hebben meteen na de moordaanslag gezegd: je kunt het gebod 'Gij zult niet doden' niet even vergeten. Dit gebod geldt als het grondprincipe van het jodendom. Als een jood moordt is hij net zo als de mannen op de Balkan die elkaar over de kling hebben gejaagd.” Uit zijn rijen zal zo iemand niet opstaan, dat weet Cohen zeker: “Omdat hier het joodse denken er wordt ingehamerd. Onze kinderen zijn geestelijk sterk, ze willen een schakel zijn in de ketting van de geslachten voor hen en de geslachten na hen.”

In het gisteren gepresenteerde boek wijst prof. dr. R.G. Fuks-Mansfeld, bijzonder hoogleraar Geschiedenis en cultuur van het moderne jodendom aan de Universiteit van Amsterdam, erop dat na de Tweede Wereldoorlog Nederlands-joodse historici zich negatief hebben uitgelaten over de destijds verkregen emancipatie en de gevolgen daarvan. “De met moeite verworven opname in en participatie aan de samenleving heeft hen tenslotte niet behoed voor uitsluiting uit de Nederlandse maatschappij tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarna uitroeiing door de Duitse bezetters volgde.” Maar volgens Fuks zijn de Nederlandse joden in de negentiende eeuw niet voor de keuze gesteld hun verworven rechten weer af te geven “en heeft het weinig zin erover te speculeren wat er gebeurd zou zijn, wanneer dit wel het geval was geweest.”