Grillige Carter tussen modaal jazz-talent

Concert: Zangeres Betty Carter met haar kwartet. Gehoord: 21/11 Meervaart, Amsterdam. Verder: vanavond Oosterpoort, Groningen, 23/11 MC Frits Philips, Eindhoven, 24/11 Dr. A. Philipszaal, Den Haag, 25 en 26/11 Vredenburg, Utrecht.

“Ze is al een kwartier te laat”, merkte gisteravond iemand op. In de stem klonk geen woede of wanhoop door maar wel een zekere ongerustheid. Die gold het feit dat Betty Carter rustig door bleef zingen ook al wees de wandklok al enige tijd op pauze. Stel je voor dat ze die helemaal over zou slaan, wat moest er dan met al die containers vol koffie en al die ingeschonken glazen wijn? De jazzmuziek en het theatercircuit, ze moeten nog een beetje aan elkaar wennen, maar gelukkig kwam het gisteren toch nog goed. Er werd zelfs nog wat extra wijn ontkurkt want de Meervaart was helemaal vol.

Dat Carter een grillige dame is, werd gisteren bevestigd in het muzikale. Geen enkele frasering is bij haar te voorspellen, verwacht je een stijging, dan gaat ze omlaag. Ze verandert onbevreesd het aantal maten van een song, kort een 'brug' in of verlengt hem juist, en komt na al haar ogenschijnlijk onbezonnen sprongen altijd wel weer veilig ergens terecht. Het duidelijkst blijkt Carters aanpak als ze zich aan 'standards' wijdt omdat die zich lenen om mee te zingen.

Liedjes als Sometimes I'm Happy of East of the Sun, daar bestaan toch tientallen versies van, zowel van popvocalisten als van jazzmuzikanten? Toch kun je het meeneuriën bij Carter maar beter laten, want voor haar zijn deze stukken niet meer dan een kapstok, waar alleen haar hoogeigenste kleren aan passen.

De piepjonge musici die Carter heeft meegebracht reiken hulpvaardig knaapjes aan om alles zo voordelig mogelijk te etaleren, maar veel meer zit er ook voor hen nog niet in, ook al reizen ze al weken mee met deze Grand Old Lady. Ze weten wel wat swing is en kennen ongetwijfeld ook Ella Fitzgerald, maar het zit nog niet als een virus in het bloed. Wat wel in hen zit, en dan nog misschien alleen in hun vingers, is de 'modale' jazz uit de jaren zestig en zeventig, overvol van toonladdertrucs.

'Tomorrow we will pay what we borrow', zingt Betty Carter en saxofonist Marc Schim doet zijn uiterste best daar iets op te zeggen, wat in de klassieke jazz een 'obligato' heet, een kort commentaar, zo puntig mogelijk. Hij gebruikt echter zoveel noten, dat het doel, een jazzy conversatie op niveau, niet echt overtuigend gestalte krijgt. For All We Know is een van de titels waar Betty Carter, 'wiser and sadder' dan eind jaren veertig bij werkgever Lionel Hampton, zich vervolgens met verve aan wijdt. De kwartetleden hebben allemaal school gegaan en passen zich zoveel mogelijk aan. Maar wat moet je bij een secreet als Betty Carter, in 1930 geboren als Lillie Mae Jones, de moeder-overste van de eigenwijsheid?